Tijdelijke commissie zet vraagtekens bij verwijderbevel voor online opruiende berichten

16 september 2026

Op 2 juli 2026 bracht de tijdelijke commissie Grondrechten en Constitutionele Toetsing advies uit over het initiatiefwetsvoorstel Wet online aangejaagde openbare-ordeverstoring. De commissie velt geen eindoordeel over de wenselijkheid van het voorstel, maar vraagt de Kamer om de initiatiefnemer op drie punten om nadere onderbouwing te vragen: de noodzaak en effectiviteit van het verwijderbevel, de duidelijkheid van de bevoegdheid en de identificatie van anonieme plaatsers van berichten.

In dit artikel

Waar gaat het wetsvoorstel ook alweer over?

Het initiatiefwetsvoorstel van het lid Michon-Derkzen geeft de burgemeester de bevoegdheid om een verwijderbevel op te leggen aan iemand die een online bericht heeft geplaatst waardoor de openbare orde binnen de eigen gemeente ernstig wordt verstoord of waardoor een ernstige vrees bestaat dat dit zal gebeuren. Wordt aan dat bevel geen gehoor gegeven, dan kan de burgemeester een last onder dwangsom opleggen.

Eerder schreef ik al over het negatieve advies dat de Afdeling advisering van de Raad van State op 25 februari 2026 over dit voorstel uitbracht. De tijdelijke commissie is naar aanleiding van dát advies met een eigen constitutioneel adviestraject gestart, en de brief van 2 juli 2026 is daarvan het resultaat.

Welke drie punten vraagt de commissie te onderbouwen?

Hoe onderbouwen noodzaak en effectiviteit van het verwijderbevel?

De commissie constateert dat de voorgestelde bevoegdheid raakt aan de vrijheid van meningsuiting, het demonstratierecht en het recht op bescherming van persoonsgegevens. Een dergelijke grondrechtenbeperking moet overtuigend kunnen worden onderbouwd als noodzakelijk in een democratische samenleving, waarbij de effectiviteit van de maatregel een rol speelt.

De Raad van State deelt weliswaar de zorgen van de initiatiefnemer over online aangejaagde ordeverstoringen, maar heeft ernstige twijfels over de effectiviteit van het verwijderbevel. Berichten kunnen snel worden gekopieerd of opnieuw geplaatst, het internet is internationaal en oproepen kunnen ook via besloten kanalen worden verspreid. Ook is onduidelijk of burgemeesters tijdig kennis kunnen nemen van relevante berichten en welke burgemeester bevoegd is wanneer een oproep gevolgen heeft in meerdere gemeenten.

Interessant is dat de commissie zelf niet opnieuw inhoudelijk ingaat op deze effectiviteitsdiscussie. Zij wijst erop dat hierover al de nodige informatie beschikbaar is, onder meer via de minister van Justitie en Veiligheid en een analyse van de Landsadvocaat, en adviseert de Kamer die bestaande informatie nadrukkelijk mee te wegen bij de beoordeling van de noodzaak. De achterliggende gedachte is helder: een grondrechtenbeperking is moeilijk te rechtvaardigen wanneer twijfelachtig is of de maatregel in de praktijk daadwerkelijk werkt.

Hoe duidelijk en voorzienbaar is de voorgestelde bevoegdheid?

Voor burgers moet voldoende duidelijk en voorzienbaar zijn wanneer een verwijderbevel kan worden opgelegd. Naar aanleiding van de kritiek van de Raad van State dat het begrip "verstoring van de openbare orde" te ruim en te onbepaald is, heeft de initiatiefnemer dit inmiddels aangescherpt tot "ernstige verstoring van de openbare orde". Volgens de commissie komt de initiatiefnemer daarmee gedeeltelijk tegemoet aan de kritiek, maar blijft onduidelijk waar precies de grens ligt.

De Raad van State had geadviseerd om aan te sluiten bij het nauwer afgebakende begrip "(ernstige) wanordelijkheden", zoals dat ook wordt gebruikt in het demonstratierecht. De initiatiefnemer wijst dat van de hand: dat begrip wordt nu uitsluitend gebruikt voor de noodbevels- en noodverordeningsbevoegdheid, komt niet voor in de Gemeentewet en zou de lat volgens de initiatiefnemer te hoog leggen.

De commissie erkent dat het EVRM en de Grondwet de initiatiefnemer ruimte laten om voor een eigen formulering te kiezen, mits die voldoende specifiek en voorzienbaar is. Om die voorzienbaarheid beter te kunnen beoordelen, vraagt zij de initiatiefnemer om concrete voorbeelden te geven van situaties die wel kwalificeren als "ernstige verstoring van de openbare orde", maar niet als "wanordelijkheden". Daarnaast vraagt de commissie een nadere reflectie op de verhouding tussen het verwijderbevel, artikel 9 van de Grondwet en het doel "bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden" dat in het demonstratierecht een centrale rol speelt.

Een kanttekening die de commissie daarbij zelf plaatst: artikel 9, eerste lid, van de Grondwet biedt de wetgever ruimte om ook voor andere doeleinden dan de drie klassieke WOM-doeleinden beperkingen op het demonstratierecht te introduceren, mits dit gebeurt in een wet in formele zin en zonder delegatie aan lagere regelgevers. Die band met het Grondwettelijk kader verdient volgens de commissie dus nog een nadere toelichting van de initiatiefnemer.

Hoe worden anonieme plaatsers geïdentificeerd en welke privacyregels gelden?

Om een verwijderbevel te kunnen opleggen, moet natuurlijk wel bekend zijn wie het bericht heeft geplaatst. Dat is niet altijd vanzelfsprekend: berichten worden regelmatig anoniem of onder een pseudoniem geplaatst. Onder de huidige regels mogen gemeenten en de politie weliswaar enig onderzoek doen in publiek toegankelijke online bronnen, maar dat onderzoek moet beperkt blijven tot een "niet meer dan beperkte inbreuk" op de persoonlijke levenssfeer.

De commissie signaleert dat die grens in de praktijk snel kan worden bereikt. Online gedrag, meningen, voorkeuren en sociale contacten zijn vaak zo met elkaar verweven dat onderzoek naar de identiteit van een plaatser al snel een vrij compleet beeld van iemands privéleven oplevert. Voor verdergaand onderzoek is een specifieke wettelijke grondslag nodig, en die ontbreekt op dit moment binnen de openbare-ordetaak.

De commissie vraagt de initiatiefnemer daarom te verduidelijken of het wetsvoorstel ook ziet op situaties waarin de identiteit van de plaatser niet direct duidelijk is. Is dat het geval, dan wil zij weten of daarvoor een aanvullende wettelijke grondslag nodig is. Opvallend is dat de commissie daarbij expliciet wijst op het concept-regeringsvoorstel voor een Wet gegevensvergaring openbare orde, dat momenteel ter advisering bij de Raad van State ligt en ruimere bevoegdheden voor de politie beoogt om persoonsgegevens te verwerken ter bescherming van de openbare orde, onder rechterlijke toetsing. Dat voorstel raakt zichtbaar aan hetzelfde probleem waar de commissie hier op wijst.

Wat adviseert de commissie de Kamer verder?

Het advies van de tijdelijke commissie bevat geen definitief oordeel vóór of tegen het wetsvoorstel, maar maakt wel duidelijk dat de constitutionele onderbouwing op dit moment nog niet toereikend is. De Kamer wordt geadviseerd de initiatiefnemer te vragen om te verduidelijken waarom het verwijderbevel noodzakelijk en effectief is, wanneer precies sprake is van een ernstige openbare-ordeverstoring, hoe het voorstel zich verhoudt tot het demonstratierecht, en op welke grondslag anonieme plaatsers kunnen worden geïdentificeerd.

Ik blijf de behandeling van dit wetsvoorstel op de voet volgen. Het advies is op 9 september besproken tijdens de vergadering van de vaste commissie voor justitie en veiligheid.

Heeft u vragen over de (grond)rechtelijke aspecten van gemeentelijke bevoegdheden op het gebied van openbare orde? Neem gerust contact met ons op.

Gerelateerd