Zoeken
  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Brandverzekering - Geen recht op herbouwwaarde

Brandverzekering - Geen recht op herbouwwaarde

HR 15 oktober 2010, RvdW 2010, 1218,Tankshop Boxmeer B.V./ Schadeverzekeringsmaatschappij Bovemij N.V.In februari 1997 heeft brand gewoed in een pand waarin een garagebedrijf werd uitgeoefend. Het bedrijfspand was tegen onder meer het risico van brand verzekerd bij Bovemij. Op het moment van de brand stonden in het bedrijfspand onder meer een Rolls Royce en een Ford Lincoln, die toebehoorden aan de directeur van de moedermaatschappij van onder meer het garagebedrijf, tevens statutair directeu...
Auteur artikelDirkzwager
Gepubliceerd23 augustus 2011
Laatst gewijzigd16 april 2018
Leestijd 
HR 15 oktober 2010, RvdW 2010, 1218,
Tankshop Boxmeer B.V./ Schadeverzekeringsmaatschappij Bovemij N.V.

In februari 1997 heeft brand gewoed in een pand waarin een garagebedrijf werd uitgeoefend. Het bedrijfspand was tegen onder meer het risico van brand verzekerd bij Bovemij. Op het moment van de brand stonden in het bedrijfspand onder meer een Rolls Royce en een Ford Lincoln, die toebehoorden aan de directeur van de moedermaatschappij van onder meer het garagebedrijf, tevens statutair directeur van bedoelde vennootschappen. Ook de auto’s waren bij Bovemij verzekerd.

Aangezien de verzekeraar Bovemij een uitkering weigerde, is bij de rechtbank Arnhem een procedure aanhangig gemaakt. In deze procedure heeft de verzekeraar een tegenvordering ingesteld. Deze tegenvordering is gebaseerd op het in 1993 door de directeur schade toebrengen door brandstichting, althans door het doen brandstichten. Door die brand heeft een rechtspersoon schade geleden en Bovemij is door betaling van het schadebedrag in de rechten van die BV gesubrogeerd.

De rechtbank heeft de eisende partijen toegelaten te bewijzen dat eiser sub 1 (de directeur) niet betrokken is geweest bij de bedoelde brandstichting in 1997. In reconventie heeft de rechtbank Bovemij toegelaten feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit volgt dat de bedoelde brand in 1993 is gesticht. Het hof heeft het vonnis in conventie bekrachtigd en in reconventie Bovemij opgedragen te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de directeur de brand in 1993 heeft gesticht of laten stichten. Na getuigenverhoren heeft de rechtbank beslist dat niet overtuigend is komen vast te staan dat de brand van 22 februari 1997 is ontstaan door brandstichting. Deze schade dient Bovemij dan ook te vergoeden. De directeur mocht zich uitlaten over de vraag in hoeverre herbouw van de garage op dezelfde locatie mogelijk is en in hoeverre herbouw wordt verhinderd doordat de gemeente de vereiste vergunningen niet verleent.

Vervolgens heeft de rechtbank Bovemij veroordeeld tot het betalen van schadebedragen en is de reconventionele vordering van Bovemij afgewezen. In hoger beroep heeft het hof die beslissingen bekrachtigd.

In cassatie wordt bij de Hoge Raad in de eerste plaats aan de orde gesteld de uitleg van de polisvoorwaarden met betrekking tot de vaste taxatie. Uit art. 2.12 Voorwaarden Brandverzekering volgt dat de voortaxatie in beginsel bindend is. De advocaat-generaal bij de Hoge Raad merkt op, dat de clausule op het polisblad niet voorgaat op art. 6 Voorwaarden Brandverzekering. De directeur had moeten begrijpen dat de vaste taxatieclausule geen exclusieve werking heeft.

Het hof had, evenals de rechtbank, tot uitgangspunt genomen dat volgens art. 6 lid 2 van de polisvoorwaarden de schade naar herbouwwaarde wordt afgewikkeld indien herbouw of herstel op dezelfde plaats en met dezelfde bestemming zal plaatsvinden. Vast staat dat de herbouw elders plaatsvond en dat de grond waarop de garage stond, is verkocht aan een derde. De stellingen van Bovemij, dat de verzekeringnemer geen serieuze plannen tot herbouw meer had, zijn onvoldoende weersproken. Ook de overige middelen, die betrekking hebben op de invloed van de strafzaak, en de bewijsaanbiedingen worden door de advocaat-generaal te licht bevonden. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep, hetgeen volgens de Hoge Raad geen nadere motivering behoeft nu de cassatieklachten geen aanleiding geven tot de beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling (art. 81 RO).

Bronvermelding: Rubriek Rechtspraak in het verzekeringsarchief onderdeel Hoge Raad