De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Dwangsom en de onmogelijkheid om aan de hoofdveroordeling te voldoen

Dwangsom en de onmogelijkheid om aan de hoofdveroordeling te voldoen

In zijn arrest van 13 november 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1783) oordeelt de Hoge Raad dat als de te veroordelen partij reeds vóórdat de uitspraak wordt gedaan al het mogelijke heeft gedaan om ervoor te zorgen dat de hoofdveroordeling zal worden nageleefd, geen dwangsom behoort te worden opgelegd. Intussen is het wel nog steeds de vraag of deze kwestie ook in een art. 611d Rv-procedure aan de orde gesteld kan worden.
Auteur artikel Robert Andes
Gepubliceerd 30 november 2020
Laatst gewijzigd 28 december 2020
Leestijd 

Dwangsom

Als de rechter de gedaagde partij veroordeelt om iets te doen of juist te laten, kan hij aan die hoofdveroordeling een dwangsom verbinden (art. 611a Rv). Deze dwangsom vormt een financiële prikkel en dient te voorkomen dat de veroordeelde weigert gehoor te geven de rechterlijke uitspraak.

Soms echter is het niet voldoen aan een rechterlijke uitspraak niet het gevolg van onwil, maar van onmacht. Een schoolvoorbeeld: de veroordeelde moet een kunstwerk leveren, maar dat is inmiddels in vlammen opgegaan. Als de veroordeelde redelijkerwijs al het mogelijke heeft gedaan om aan de hoofdveroordeling te voldoen, maar nakoming daarvan simpelweg onmogelijk is geworden, bestaat geen plaats meer voor een prikkel tot nakoming. In een dergelijk geval kan de veroordeelde op grond van art. 611d Rv bij de rechter die de dwangsom zelf heeft opgelegd, vorderen dat de dwangsom wordt opgeschort, verminderd of opgeheven.

Het geschil

De achterliggende feiten kunnen grotendeels achterwege blijven. Relevant is slechts dat het Hof Arnhem-Leeuwarden een aantal in- en uitritten, gelegen op perceel B, als noodweg ten behoeve van de percelen A en C heeft aangewezen, opdat “voetgangers, fietsers, gemotoriseerd verkeer en in het bijzonder vrachtverkeer” de bedrijfshallen op de percelen A en C kunnen bereiken. Daaraan heeft de appelrechter wel enkele voorwaarden verbonden, zoals dat de in- en uitritten niet gebruikt mochten worden om vrachtwagens of andere voertuigen op te parkeren of stallen. Verder overwoog het Hof dat de eigenaren van percelen A en C een dwangsom verschuldigd zijn voor iedere dag dat zijzelf of de “huurders, gebruikers en bezoekers” niet aan de gestelde voorwaarden voldoen.

Deze dwangsomveroordeling werd in cassatie ter discussie gesteld. De eigenaren van percelen A en C stelden dat zij al voordat het Hof arrest wees, alles hadden gedaan wat redelijkerwijs mogelijk was om ervoor te zorgen dat de gebruikers van de in- en uitritten niet hun voertuigen daarop zouden parkeren. Derhalve was een prikkel tot nakoming zinloos en had de dwangsom niet opgelegd morgen worden – aldus nog steeds de eisers.

Het arrest

Hoewel de Hoge Raad de cassatieklacht verwerpt door het Hof-arrest welwillend uit te leggen, gaat hij in zijn juridische overwegingen tot op zekere hoogte mee met de eisers tot cassatie. Hij overweegt:

“Het is niet uitgesloten dat de veroordeelde aan [zijn] inspanningsplicht heeft voldaan voordat de hoofdveroordeling wordt uitgesproken en dat dus op voorhand moet worden aangenomen dat het onredelijk is om meer inspanning en zorgvuldigheid te vergen, waarmee sprake is van onmogelijkheid in de zin van art. 611d lid 1 Rv. In dat geval kan een dwangsom niet haar functie als prikkel tot nakoming vervullen en is voor de oplegging daarvan geen plaats.”

Dat een dwangsom niet opgelegd behoort te worden indien zij haar functie als prikkel tot nakoming niet kan vervullen, spreekt voor zich. Interessanter aan deze overweging is dat men daarin zou kunnen lezen dat wanneer een dergelijk geval zich voordoet en de dwangsom dus (ten onrechte) toch is opgelegd, deze dwangsomveroordeling ook via art. 611d Rv zou kunnen worden aangevochten. Dat zou opvallend zijn, niet in de laatste plaats omdat de Hoge Raad in 2010 nog overwoog dat het bij de vraag of nakoming van de hoofdveroordeling onmogelijk is in de zin van art. 611d Rv “in de eerste plaats gaat om de inspanningen en zorgvuldigheid die de veroordeelde sedert de uitspraak aan de dag heeft gelegd.”

Vanuit dogmatisch perspectief valt op deze lezing dan ook een en ander af te dingen. Als de hoofdveroordeling van meet af aan niet kan worden nagekomen, rijst direct de vraag of zij überhaupt wel had mogen worden uitgesproken. Dat is bij uitstek een vraag die met een rechtsmiddel zoals hoger beroep aan de kaak moet worden gesteld. En, zoals A-G Strikwerda in zijn conclusie voor het genoemde arrest uit 2010 schreef, valt te betogen dat de procedure op grond van art. 611d Rv niet bedoeld is als verkapt rechtsmiddel. Daar komt bij dat het wat merkwaardig aandoet dat de rechter die de dwangsom heeft opgelegd, zélf moet beoordelen of hij dat wel had mogen doen. Het is, gelet op deze bezwaren, dan ook zeer de vraag of de Hoge Raad categorisch heeft willen bepalen dat een veroordeelde in een art. 611d Rv-procedure zich erop kan beroepen dat de dwangsom nooit opgelegd had mogen worden, omdat nakoming van de hoofdveroordeling reeds op voorhand onmogelijk was.

Terzijde: de advocaat-generaal lijkt in haar conclusie voor het hier besproken arrest te suggereren dat de stelling dat nakoming van de hoofdveroordeling van begin af aan onmogelijk was, in beginsel alleen in een art. 611d Rv-procedure aan bod kan komen. Een dergelijk standpunt lijkt mij, gelet op het voorgaande, hoe dan ook onjuist.

Tot slot

De hier besproken uitspraak kan doen vermoeden dat indien het voor de veroordeelde van meet af aan onmogelijk was om aan de hoofdveroordeling te voldoen, op grond van art. 611d Rv opheffing van de dwangsom kan worden gevorderd. Het is echter de vraag of de Hoge Raad een dergelijke regel heeft willen geven, gelet op de bezwaren die daartegen bestaan. Vooralsnog verdient het aanbeveling om tegen een met dwangsommen versterkte hoofdveroordeling waarvan nakoming van meet af aan onmogelijk is, zekerheidshalve een rechtsmiddel in te stellen.

Heeft u een civiele appel- of cassatiezaak waar u ondersteuning bij nodig heeft, of heeft u procesrechtelijke vragen, neem dan contact op met een van de leden van het cassatie- en procesrechtteam van Dirkzwager Legal & Tax: Tom van Malssen (cassatieadvocaat), Margo Hengeveld of Robert Andes.