Conflict joint venture
Persoon A en persoon B bezitten via hun persoonlijke holdings ieder 50% van de aandelen in een BV waarmee een kleinschalige zorgwoning wordt geëxploiteerd. Ook zijn zij gezamenlijk bevoegd bestuurder van de zorg BV. Tussen de beide bestuurders/aandeelhouders bestaat een verschil van inzicht over hoe BV bestuurd moet worden. Volgens eiseres is het bedrijf op dit moment onbestuurbaar. Vooruitlopend op een procedure bij de Ondernemingskamer vordert [eiseres] daarom, kort gezegd, om onder meer [gedaagde] tijdelijk te schorsen als statutair bestuurder van [bedrijf] en om [eiseres] tijdelijk te benoemen tot zelfstandig bevoegd statutair bestuurder van [bedrijf].
In dat geval komen twee routes in beeld: het kort geding bij de voorzieningenrechter en de enquêteprocedure bij de Ondernemingskamer. Beide procedures kunnen leiden tot ingrijpende maatregelen, waaronder de tijdelijke schorsing of benoeming van bestuurders. De keuze is mede afhankelijk van de aard en spoedeisendheid van het geschil.
Enquêteprocedure bij de Ondernemingskamer
De enquêteprocedure is gericht op sanering en herstel van gezonde verhoudingen binnen de rechtspersoon, opening van zaken en vaststelling van de verantwoordelijkheid voor mogelijk wanbeleid. De toestand van de rechtspersoon staat daarbij centraal. Wanneer gegronde redenen bestaan om te twijfelen aan een juist beleid of een juiste gang van zaken, kan de Ondernemingskamer een onderzoek bevelen en in dat kader voorlopige voorzieningen treffen.
Kort geding bij de voorzieningenrechter
Het kort geding heeft een ander karakter. Het is een procedure tussen partijen waarin de voorzieningenrechter een geschil beslecht aan de hand van de onderliggende rechtsverhouding. In dat kader worden veelal voorlopige voorzieningen gevorderd. Bij een kort geding gaat het er niet om of sprake is van wanbeleid, maar of een voorlopige ordemaatregel noodzakelijk is in afwachting van de uitkomst van een bodemzaak, gelet op alle omstandigheden van het geval en alle relevante belangen. De ordemaatregel in kort geding heeft een bindend karakter totdat een definitieve uitspraak wordt gedaan in een eventuele bodemprocedure, al wordt lang niet altijd een bodemprocedure gevoerd na een kort geding.
De voorzieningenrechter moet terughoudend zijn bij het treffen van voorlopige maatregelen die verband houden met wanbeleid binnen een rechtspersoon, maar in bijzondere gevallen kan wel degelijk worden overgegaan tot schorsing of benoeming van bestuurders. Denk bijvoorbeeld aan de situatie wanneer de Ondernemingskamer niet snel genoeg kan beslissen of wanneer het verzoeken van een enquêteprocedure (nog) niet mogelijk is, terwijl onmiddellijk ingrijpen wel noodzakelijk is.
Verschillen kort geding en enquête
Ondanks dat de enquêteprocedure en het kort geding verschillende procedures zijn, lijkt er geen wezenlijk verschil te bestaan tussen de onmiddellijke voorzieningen van de Ondernemingskamer en de voorlopige voorzieningen van de voorzieningenrechter. De verschillen zijn met name aanwezig op procedureel vlak, zoals:
-
De Ondernemingskamer kan slechts ingrijpen indien sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid of een juiste gang van zaken. De voorzieningenrechter kan daarentegen een ordemaatregel treffen zonder dat van dergelijke twijfel sprake is, mits is voldaan aan het vereiste van spoedeisend belang
-
Onmiddellijke voorzieningen van de Ondernemingskamer zijn onlosmakelijk verbonden met een enquêteverzoek. Voorlopige voorzieningen in kort geding kunnen ook worden getroffen zonder dat een bodemprocedure of enquête aanhangig is.
-
Het recht om een enquêteverzoek in te dienen is beperkt tot de in de wet genoemde gerechtigden, terwijl iedere belanghebbende een kort geding kan starten
-
Tegen beschikkingen van de Ondernemingskamer staat slechts cassatie open, maar tegen vonnissen in kort geding staat hoger beroep open waarin de zaak opnieuw in volle omvang kan worden beoordeeld
De keuze voor kort geding
In de zaak bij de rechtbank Rotterdam koos eiseres voor de voorzieningenrechter. Volgens eiseres was de onderneming feitelijk onbestuurbaar geworden doordat de medebestuurder zich langdurig afzijdig hield, onbereikbaar was en niet reageerde op verzoeken over de dagelijkse gang van zaken. Omdat beide bestuurders gezamenlijk bevoegd waren, kon eiseres, zo overweegt de rechtbank, niet zelfstandig besluiten nemen. Als voorbeeld noemt de rechtbank dat het aannemen van nieuwe medewerkers, het afsluiten van overeenkomsten en het vaststellen van de jaarrekening daardoor niet mogelijk waren. Hier worden de interne besluitvorming en de externe vertegenwoordiging echter wel door elkaar gehaald. Het pijnpunt zit hier niet zozeer in de interne besluitvorming, maar in de externe vertegenwoordiging. Die bevoegdheid is hier namelijk gelegd bij bestuurders gezamenlijk.
Deze situatie maakte onmiddellijk ingrijpen noodzakelijk. Vooruitlopend op een enquêteprocedure bij de Ondernemingskamer is daarom een kort geding aanhangig gemaakt, gericht op het treffen van een tijdelijke ordemaatregel die de bestuurbaarheid van de onderneming moest herstellen. De voorzieningenrechter wees de vorderingen toe. Daarbij werd onder meer gewicht toegekend aan de kleinschaligheid van de zorgvoorziening, de kwetsbaarheid van de cliënten en het risico dat verdere onrust zou leiden tot het vertrek van cliënten en daarmee tot ernstige continuïteitsproblemen. Tegen die achtergrond achtte de voorzieningenrechter het gerechtvaardigd om de ene bestuurder tijdelijk te schorsen, zodat de noodzakelijke rust en bestuurlijke orde konden worden hersteld.
De rechtbank wijdt overigens zelf ook nog wat overwegingen aan de verhouding tussen de kortgedingrechter en de Ondernemingskamer. Daarbij lijkt de rechtbank ervan uit te gaan dat de Ondernemingskamer slechts bevoegd is tot (tijdelijke) schorsing en/of benoeming van een bestuurder, en dat hiervoor in een kortgeding slechts sprake is in aanloop naar een enquêteprocedure. Dat is echter onjuist. Met invoering van de bevoegdheid van de Ondernemingskamer tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen, heeft de wetgever niet de bevoegdheid van de kortgedingrechter tot het treffen van voorlopige voorzieningen willen beperken (zie onder andere Kamerstukken II 1991/92, 22400, nr. 3, p. 15; en meer uitgebreid JOR 2025/255).
Hulp nodig bij impasse?
Onderhavige uitspraak laat zien dat een kort geding uitkomst kan bieden in situaties waarin de gang naar de Ondernemingskamer niet kan worden afgewacht. Ook is het een passend instrument om een voorlopige voorziening te treffen wanneer een enquêteprocedure niet mogelijk is.
Wilt u inzicht krijgen in de verschillende escalatiemogelijkheden bij bestuurlijke impasses binnen het semipublieke domein, of wilt u verkennen welke route in een concrete situatie het meest voor de hand ligt, neem dan gerust contact op met ons team.