1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Geurhinder en veehouderij: gewijzigde reductiepercentages kunnen leiden tot intrekking omgevingsvergunning

Geurhinder en veehouderij: gewijzigde reductiepercentages kunnen leiden tot intrekking omgevingsvergunning

In een uitspraak van 5 juli 2021 bespreekt de rechtbank Limburg het toetsingskader op grond waarvan een omgevingsvergunning milieu kan worden ingetrokken, en welke rol de geurnormen uit de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) hierbij vervullen.
Leestijd 
Auteur artikel Jeroen Niederer
Gepubliceerd 29 november 2021
Laatst gewijzigd 30 november 2021
 

Het college van de gemeente Horst aan de Maas heeft een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een nieuwe vleesvarkensstal, het plaatsen van een luchtwasser en het veranderen van de milieu-inrichting. Deze omgevingsvergunning is na meerdere bestuursrechtelijke procedures in 2019 onherroepelijk geworden.

Een omwonende heeft het college verzocht de omgevingsvergunning te actualiseren dan wel in te trekken. De directe aanleiding voor dit verzoek was de wijziging van de Regeling geurhinder en veehouderij per 20 juli 2018, waarbij de geuremissiefactoren bij meerdere stalsystemen is verhoogd. Uit onderzoek van de Wageningen University & Research (WUR) is naar voren gekomen dat de geurreductie van de gecombineerde luchtwassystemen in de praktijk veel lager is dan waar in de Rgv van werd uitgegaan. De staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat heeft daarom besloten de geurreductiepercentages van gecombineerde luchtwassystemen voorlopig gelijk te stellen aan die van enkelvoudige luchtwassystemen. Voor het hier vergunde luchtwassysteem betekent dit een verlaging van 70% naar 30% geurreductie.

Het college heeft het verzoek afgewezen onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 11 juli 2018. Uit deze uitspraak volgt dat een eventuele toekomstige wijziging van de Rgv geen invloed kan en mag hebben op het oordeel over de rechtmatigheid van een besluit tot vergunningverlening. Een aanpassing van een geurreductiepercentage voor een stalsysteem dwingt volgens het college niet tot wijziging van een al verleende omgevingsvergunning bij een bestaande veehouderij. Dat de betreffende varkensstal nog niet is gerealiseerd, doet daaraan niets af. Verder stelt het college dat, in reactie op geurberekeningen van de omwonende, dat dat ten tijde van het verlenen van de omgevingsvergunning de geurbelasting op de woning van eiser voldeed aan de standaardgeurnorm van 14,0 ouE/m³. Er werd dus aan de destijds geldende geurnormen voldaan.

Juridisch kader

Op grond van artikel 2.33 lid 1 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het college verplicht de omgevingsvergunning in te trekken voor zover de inrichting ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt en toepassing van artikel 2.31 Wabo daarvoor redelijkerwijs geen oplossing biedt. Dit laatstgenoemde artikel voorziet in de mogelijkheid/verplichting om voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden of te wijzigen, voor zover dit in het belang van de bescherming van het milieu is.

Beoordeling rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat de omgevingsvergunning een revisievergunning is die meerdere veranderingen binnen de gehele inrichting mogelijk maakt. Bij het verlenen van de omgevingsvergunning is het aspect geur voor de gehele inrichting, inclusief de veranderingen, beoordeeld. Dat betekent volgens de rechtbank dat voor de beoordeling van het verzoek van eiser tot het intrekken dan wel actualiseren van de omgevingsvergunning, ook naar de gehele inrichting moet worden gekeken, inclusief naar de te bouwen stal. De vergunde situatie moet tot uitgangspunt worden genomen, zo volgt ook uit eerdere rechtspraak van de ABRvS.

Vervolgens wordt kort stilgestaan bij de Wgv die het exclusieve toetsingskader vormt voor de beoordeling van geur afkomstig van dierenverblijven. De omgevingsvergunning is destijds verleend op basis van de ‘oude’ normen uit de Rgv. De inhoud van de omgevingsvergunning staat hier ook niet ter discussie, deze is immers onherroepelijk geworden.

De rechtbank overweegt dat de Wgv echter niet bepaalt onder welke omstandigheden een omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk moet worden ingetrokken. Dit is bepaald in artikel 2.33 Wabo en daarvoor is van belang of de door die vergunning toegestane milieugevolgen zo ernstig zijn dat zij niet slechts als ongewenst, maar zonder meer als ontoelaatbaar nadelig kunnen worden aangemerkt. Daarbij heeft het college beoordelingsruimte, zij het dat deze wordt begrensd door hetgeen uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten voortvloeit.

De vraag of de omgevingsvergunning opnieuw zou kunnen worden verleend op basis van de vastgestelde lagere rendementen, is dus niet van belang. Waar het om gaat is of de gevolgen voor het milieu door de geurbelasting afkomstig van de inrichting, ontoelaatbaar nadelig zijn dat deze het bevoegd gezag verplichten tot intrekking.

De verwijzing naar de uitspraak van ABRvS van 11 juli 2018 gaat evenmin op, aldus de rechtbank. Daartoe overweegt zij dat de ABRvS moest uitgaan van de feiten en omstandigheden zoals die waren op het moment waarop dit besluit werd genomen. Dat de ABRvS heeft geoordeeld dat een toekomstige wijziging van de Rgv geen invloed heeft op het oordeel over de rechtmatigheid van het onherroepelijke besluit tot vergunningverlening, betekent niet dat een wijziging van de Rgv nimmer kan leiden tot het intrekken van die omgevingsvergunning. Bovendien hadden de uitspraak van de rechtbank en de ABRvS in die procedure geen betrekking op het aspect geur in relatie tot de Wgv.

Conclusie: gevolgen beter onderbouwen én ingaan op wijzigingsmogelijkheid

De conclusie is dan ook dat het besluit tot afwijzing van het intrekkingsverzoek gebrekkig is gemotiveerd, en om die reden niet in stand kan blijven. Het beroep is dan ook gegrond.

De rechtbank geeft het college niettemin wel handvaten op basis waarvan zij een nieuw besluit kan nemen. Zo moet het college in de eerste plaats in standpunt innemen over de vraag of de inrichting ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt of dreigt te veroorzaken. Vervolgens moet zij bezien of deze gevolgen, voor zover die er zijn, niet met een wijziging van de voorschriften kan worden beperkt. Pas dan kan een beoordeling plaatsvinden van het standpunt van de gemeente dat er geen geschikte maatregelen ter vermindering van de geuroverlast voorhanden zijn.

De belangrijkste les van deze uitspraak? De gewijzigde reductiepercentages kunnen - onder omstandigheden - leiden tot wijziging of zelfs intrekking van een onherroepelijke omgevingsvergunning. Dat geldt niet alleen voor deze maar ook voor andere omgevingsvergunningen die onder toepassing van de ‘oude’ geurverwijderingspercentages zijn verleend. Tegelijkertijd zal het bevoegd gezag wel moeten onderbouwen waarom er wel of geen sprake is van (de dreiging van) ontoelaatbaar nadelige milieugevolgen, en waarom niet kan worden volstaan met een wijziging van de vergunningvoorschriften. En daarbij beschikt zij ook over een zekere mate van beoordelingsruimte. Het enkele feit dat de reductiepercentages zijn verlaagd ten opzichte van de vergunde situatie is op zichzelf hoogstwaarschijnlijk onvoldoende om over te gaan tot intrekking. Temeer nu de verlaagde rendementen een minimumpercentage vormen, en vaak niet becijferd is of de geplaatste luchtwassers ook een hoger rendement kunnen halen.

Wilt u meer weten? Neem dan contact op met Jeroen Niederer, advocaat bij de sectie Overheid en Vastgoed van Dirkzwager en specialist op het gebied van geurhinder en veehouderij.