De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Het belang van wederhoor op geanonimiseerde beschuldigingen

Het belang van wederhoor op geanonimiseerde beschuldigingen

Een verfrissend geluid in tijden van gebroken reputaties en geknakte carrières: oud-rechter en -arbiter Hans Hofhuis vraagt in een recente bijdrage aan het NJB (‘Het gebruik van geanonimiseerde verklaringen in en buiten rechte’, NJB 4-12-2020, afl. 42/2896) aandacht voor het garanderen van daadwerkelijk wederhoor op geanonimiseerde beschuldigingen.
Auteur artikel Tom van Malssen
Gepubliceerd 07 december 2020
Laatst gewijzigd 07 december 2020
Leestijd 

Hofhuis stelt – terecht – voorop dat serieuze misstanden niet zonder sancties kunnen blijven enkel omdat getuigen of slachtoffers van die misstanden daarover niet naar buiten durven te treden als geen vertrouwelijkheid kan worden gegarandeerd. Aan dit uitgangspunt hoeft vandaag de dag niemand meer te worden herinnerd.

Dat geldt echter wel voor iets anders: de constatering dat het toezeggen van vertrouwelijkheid aan melders en het garanderen van serieus wederhoor aan het object van de melding (de ‘betrokkene’) niet zonder meer samen gaan. “Ik zie niet hoe een onderzoeker ‘wederhoor’ kan garanderen als de betrokkene in het duister tast over de identiteit van de informant en de context van diens geanonimiseerde verklaring.” Aldus Hofhuis.

Het willen voldoen aan beide punten – het tegengaan van mogelijke misstanden en het bieden van bescherming aan de betrokkene – kan dus uitmonden in een klassiek dilemma. Hofhuis gaat de keuze niet uit de weg, en die keuze kan in het huidige tijdsgewricht gevoeglijk als verrassend worden bestempeld: “als het er werkelijk op aankomt, dient het belang van de betrokkene om zich effectief te kunnen verweren, het zwaarst te wegen”.  

De ervaren oud-rechter en -arbiter formuleert vervolgens een aantal aanbevelingen die zoveel mogelijk zouden moeten voorkomen dat het geschetste dilemma zich daadwerkelijk aan onderzoekers opdringt. Ik licht er enkele punten uit.

Te beginnen met het advies om altijd duidelijk te maken op welke wijze de keuze van gesprekspartners tot stand is gekomen, welke informatie de gesprekspartners precies hebben verstrekt, en in welke mate de uiteindelijke bevindingen teruggaan op informatie die is geanonimiseerd. Verder signaleer ik de aanbeveling om altijd op te nemen of afgelegde verklaringen op eigen waarneming berusten, dan wel (deels) op verklaringen van anderen. Voorts wijs ik op het advies om er rekenschap van af te leggen of de mogelijkheid heeft bestaan om het waarheidsgehalte van afgelegde verklaringen te verifiëren, en zo ja, wat het resultaat van die verificatie was. Ook als een dergelijke verificatie niet of slechts ten dele mogelijk was, is uitleg geboden over de precieze status die (desalniettemin) aan de bewuste verklaringen wordt toegekend. En ten slotte wijs ik op de aanbeveling om een duidelijke motivering op te nemen als een informant en de betrokkene tegenstrijdige informatie geven, en de onderzoekers aan de ene lezing meer waarde toekennen dan aan de andere.

In het gunstigste geval zouden de aanbevelingen van Hofhuis moeten bewerkstelligen dat waarheidsvinding en wederhoor elkaar niet blokkeren, maar juist versterken. In ieder geval beogen de aandachtspunten te voorkomen dat onderzoekers ten prooi vallen aan een soms begrijpelijke maar altijd afkeurenswaardige verleiding. Ik heb het over de verleiding om, meedeinend op de golven van de verontwaardiging die vaak de directe legitimatie vormt voor het initiëren van een onderzoek, iemand lichtvaardig het slachtoffer te laten worden van oneigenlijke afrekeningen, of iemand te veroordelen enkel op basis van niet getoetste en elkaar mogelijk versterkende of voedende belevingen, percepties en sentimenten.      

Het artikel van Hofhuis – een soort professioneel testament van de eerder dit jaar gedefungeerde voorzitter van het Scheidsgerecht Gezondheidszorg – is belangrijk voor iedereen die weleens een functie vervult in een onderzoekscommissie of die beroepshalve betrokken is bij rechterlijke of arbitrale oordeelsvorming. Maar de bijdrage biedt ook stof tot reflectie voor de algemeen geïnteresseerde lezer die poogt te ontsnappen aan de waan van de dag en die bereid is een pas op de plaats te maken.