De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Hof: appellant hoeft niet te grieven tegen afwijzing exhibitievordering op formele gronden

Hof: appellant hoeft niet te grieven tegen afwijzing exhibitievordering op formele gronden

In een recent arrest van het Hof Den Haag stond de vraag centraal of tegen de afwijzing door de rechtbank op formele gronden van een exhibitievordering moet worden gegriefd of dat deze vordering in hoger beroep bij wege van een nieuw incident kan worden opgeworpen.
Leestijd 
Auteur artikel Margo Hengeveld
Gepubliceerd 23 november 2020
Laatst gewijzigd 28 december 2020
 

Appellant had in eerste aanleg bij wege van incident een exhibitievordering (als bedoeld in artikel 843a Rv) ingesteld. De rechtbank had deze vordering op formele gronden afgewezen omdat deze naar haar oordeel te laat was ingesteld, in die zin dat de procedure – bij toewijzing – onredelijk zou worden vertraagd.

In hoger beroep werpt appellant opnieuw – en voorafgaand aan het indienen van de memorie van grieven – een 843a-incident op ter zake van dezelfde stukken waarvan hij in eerste aanleg ook inzage en afschrift had gevorderd. Geïntimeerde meent dat appellant in deze vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu het incident in eerste aanleg is afgewezen en appellant niet in appel een identiek incident opnieuw kan opwerpen. Volgens geïntimeerde had appellant, als hij de vordering ter beoordeling door de appelrechter had willen voorleggen, tegen de afwijzing door de rechtbank een grief moeten richten.

Het hof gaat daar niet in mee, en overweegt: “Een 843a Rv-vordering kan in beginsel in iedere stand van het geding worden ingesteld. Aan [geïntimeerde] kan worden toegegeven dat een (identieke) vordering ook in eerste aanleg al is ingesteld, maar deze is zonder inhoudelijk oordeel op een formele grond afgewezen. Het is dan logisch dat [appellant] zijn vordering nu (opnieuw) instelt, teneinde het ertoe te leiden dat hij de door hem gevorderde bescheiden kan inzien, althans verkrijgen, alvorens hij zijn grieven formuleert”. Het hof verwerpt daarom de formele verweren van geïntimeerde.

In het bijzonder interessant is vervolgens de vraag of het hof tot eenzelfde oordeel zou zijn gekomen als de 843a-vordering in eerste aanleg op inhoudelijke gronden zou zijn afgewezen. Het arrest biedt daarover echter (helaas) geen uitsluitsel.

In dit specifieke geval is appellant met het voorgaande overigens weinig geholpen, nu het hof het incident vervolgens alsnog op materiële gronden (namelijk wegens het ontbreken van een rechtmatig belang) verwerpt.

Heeft u een civiele appel- of cassatiezaak waar u ondersteuning bij nodig heeft, of heeft u procesrechtelijke vragen, neem dan contact op met een van de leden van het cassatie- en procesrechtteam van Dirkzwager Legal & Tax: Tom van Malssen (cassatieadvocaat), Margo Hengeveld of Robert Andes.