1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Jurisprudentie Gezondheidszorg gepubliceerd in maart 2024

Jurisprudentie Gezondheidszorg gepubliceerd in maart 2024

Deze bijdrage bevat een overzicht van de jurisprudentie op het gebied van de gezondheidszorg (o.a. Wet verplichte ggz (Wvggz), Wet zorg en dwang (Wzd), zorginkoop, sociaal domein, bekostiging, vastgoed, IT en privacy) die in de maand maart 2024 is gepubliceerd.
Leestijd 
Auteur artikel Marieke van Dongen
Gepubliceerd 15 april 2024
Laatst gewijzigd 15 april 2024

Geneeskundige behandelingsovereenkomst / zorgovereenkomst

Wet zorg en dwang

Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg

Wet langdurige zorg

Wet maatschappelijke ondersteuning 2015

Jeugdwet

Gezondheidswet

Wet marktordening gezondheidszorg

Zorgverzekeringswet

Ondernemingsrecht

Vastgoed

Omzetbelasting

 

Geneeskundige behandelingsovereenkomst / zorgovereenkomst

Rechtbank Limburg, 06-03-2024 (datum publicatie: 15-03-2024), ECLI:NL:RBLIM:2024:1123 

Deze uitspraak gaat over een patiënt die op aanraden van zijn tandarts een afspraak heeft gemaakt met de mondhygiëniste die verbonden was aan de tandartspraktijk. Uiteindelijk wilde de patiënt niet voor dit consult betalen. Er is in dit geval sprake van een geneeskundige behandelovereenkomst. Tandheelkundige zorg valt hieronder. Het geven van informatie over de behandeling en de kosten daarvan, wordt gegeven in het kader van de uitvoering van de overeenkomst. In artikel 7:461 BW is bepaald dat de opdrachtgever aan de hulpverlener loon verschuldigd is. De kantonrechter is van oordeel dat, indien over de hoogte van dat loon verschil van mening bestaat, aangesloten kan worden bij het bepaalde in artikel 7:405 lid 2 BW waarin is bepaald dat dan een redelijk loon verschuldigd is. In het onderhavige geval was er sprake van een doorverwijzing van de tandarts naar de mondhygiëniste in verband met tandvleesproblemen. De patiënt heeft daarvoor een afspraak gemaakt, maar verkeerde kennelijk in de veronderstelling dat die eerste afspraak gebruikt zou worden voor het krijgen van informatie en een kostenopgave. Hij heeft erkend dat de mondhygiëniste tijdens dat eerste consult tegen hem gezegd dat zij dan eerst het gebit moest bekijken voordat zij een inschatting kon maken. Dat is ook gebeurd. Er is tijdens dit consult tijd voor hem uitgetrokken, zijn gebit is bekeken, er is een inschatting gemaakt van de noodzakelijke behandeling en die is samen met een prijsopgave aan de patiënt verstrekt. Daarmee hebben in het kader van de geneeskundige behandelingsovereenkomst verrichtingen plaatsgevonden waarvoor de patiënt loon verschuldigd is. 

Wet zorg en dwang

Rechtbank Midden-Nederland, 07-12-2023 (datum publicatie: 06-03-2024), ECLI:NL:RBMNE:2023:7580 

Deze uitspraak gaat over het verlenen van een opvolgende machtiging. Op 13 april 2023 is door de rechtbank een machtiging opname en verblijf verleend tot en met 13 oktober 2023. Het verzoekschrift is binnengekomen op 16 november 2023 en de beslissing is genomen op 7 december 2023. In artikel 39 lid 5 Wzd is opgenomen dat de rechter een opvolgende rechterlijke machtiging kan verlenen voor een betrokkene die al op grond van een rechterlijke machtiging in een accommodatie verblijft. In het arrest van de Hoge Raad van 21 februari 2021 is opgenomen dat in de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 39 Wzd geen aanwijzingen te vinden zijn dat de wetgever verlening van een opvolgende machtiging als bedoeld in artikel 39 lid 5 Wzd heeft willen uitsluiten voor een geval waarin het daartoe strekkende verzoek na afloop van de geldigheidsduur van de voorgaande machtiging is ingediend, maar betrokkene nog in de accommodatie verblijft. Aan de periode tussen de expiratiedatum van de rechterlijke machtiging en het indienen van het verzoek is geen maximale termijn gekoppeld. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om dit verzoek te beoordelen als een eerste rechterlijke machtiging voor de duur van zes maanden. In hetzelfde arrest van de Hoge Raad is benoemd dat de rechtbank de rechterlijke machtiging moet verlenen, gerekend vanaf de datum waarop de voorgaande machtiging verstreek. Omdat de rechterlijke machtiging verliep op 13 oktober 2023, verleent de rechtbank voor betrokkene een opvolgende machtiging tot 13 oktober 2025. 

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 21-02-2024 (datum publicatie: 14-03-2024), ECLI:NL:RBZWB:2024:1618 

Deze uitspraak gaat over een door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) ingediend verzoek tot het verlenen van een machtiging voor de duur van zes maanden als bedoeld in artikel 24 e.v. van de Wet zorg en dwang (Wzd). Cliënt lijdt aan een psychogeriatrische aandoening, te weten dementie. Daarnaast is er sprake van somatische problematiek, zoals cardiale problemen, COPD, borstkanker en ondervindt zij schadelijke effecten van overmatig alcoholgebruik. Deze psychogeriatrische aandoening leidt tot ernstig nadeel. De opname en het verblijf zijn noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden, terwijl er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Bovendien verzet cliënt zich tegen de opname en het verblijf. Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor verlening van een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf als bedoeld in de Wzd. De machtiging zal worden verleend voor de (verzochte) duur van zes maanden. 

Rechtbank Den Haag, 29-02-2024 (datum publicatie: 18-03-2024), ECLI:NL:RBDHA:2024:3668 

Deze uitspraak gaat over een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 44 Wet zorg en dwang (Wzd). Verzoekster stelt dat de zorgaanbieder de wet niet in acht heeft genomen, omdat verzoekster van 13 september 2023 tot 20 november 2023 zonder recht of titel in de zorginstelling heeft verbleven. Verzoekster is op 13 september 2023 vanuit de thuissituatie opgenomen bij de zorgaanbieder op grond van een artikel 21-indicatie, maar vanaf het begin van de opname heeft verzoekster zich structureel verzet tegen haar verblijf bij de zorgaanbieder. Zodra er sprake is van evident verzet moet het verblijf op een gesloten afdeling getoetst worden door de rechtbank. De zorgaanbieder heeft de aanvraag voor een rechterlijke machtiging pas op 19 oktober 2023 ondertekend en ingediend bij het CIZ en op 20 november 2023 is de rechterlijke machtiging afgegeven door de rechtbank. Hierdoor heeft verzoekster ruim twee maanden zonder geldige titel in de zorginstelling verbleven. De zorgaanbieder had eerder het verblijf van verzoekster moeten laten toetsen bij de rechtbank door een verzoek tot inbewaringstelling in te dienen bij het CIZ. Verzoekster verzoekt daarom een bedrag van €80,- per dag dat zij onrechtmatig in de zorginstelling heeft verbleven wat neerkomt op een totaalbedrag van €5.360,-.De rechtbank is van oordeel dat uit het systeem van de wet niet volgt dat de zorgaanbieder in een geval als deze een inbewaringstelling had moeten aanvragen. Uit de artikelen 21 lid 3 Wzd jo. 22 lid 9 Wzd jo. 24 lid 1 Wzd volgt dat bij een cliënt die verzet toont, nadat hij is opgenomen op grond van een artikel 21 Wzd indicatie, voortzetting van het verblijf alleen mogelijk is met een rechterlijke machtiging. Op grond van de wet is de eerst aangewezen machtiging die aangevraagd moet worden als een cliënt in een accommodatie verblijft en vervolgens verzet laat zien dus de rechterlijke machtiging en niet de inbewaringstelling. In zoverre heeft de zorgaanbieder de juiste procedure gevolgd, te meer nu bij verzoekster ook geen sprake was van een acute crisissituatie, waarvoor de inbewaringstelling is bedoeld.  

Rechtbank Midden-Nederland, 01-03-2024 (datum publicatie: 19-03-2024), ECLI:NL:RBMNE:2024:1410 

Deze uitspraak gaat over een verzoek tot het verlenen van een opvolgende machtiging voor de duur van vijf jaar als bedoeld in artikel 24 van de Wzd. De rechtbank acht zich onvoldoende geïnformeerd over de huidige situatie, het toestandsbeeld van betrokkene en de thuissituatie van betrokkene. Ook tijdens de mondelinge behandeling is de rechtbank niet afdoende geïnformeerd om een rechterlijke machtiging voor een langere duur te kunnen verlenen. Gelet op de zorgen en de onduidelijkheid of betrokkene terug naar huis kan zal de rechterlijke machtiging verleend worden voor een kortere duur, te weten twee maanden. In deze periode kan betrokkene opnieuw gezien worden door een onafhankelijke arts en kan er een nieuwe, uitgebreidere en onderbouwde medische verklaring worden afgegeven. 

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 11-03-2024 (datum publicatie: 22-03-2024), ECLI:NL:RBZWB:2024:1921

Deze uitspraak gaat over een door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) ingediend verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling als bedoeld in artikel 37 van de Wet zorg en dwang (Wzd). Op 7 maart 2024 heeft de burgemeester van de gemeente Schouwen-Duiveland ten behoeve van de cliënt een last tot inbewaringstelling afgegeven. Er is sprake van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel waardoor een rechterlijke machtiging niet kan worden afgewacht. Het ernstig vermoeden bestaat dat het gedrag van cliënt als gevolg van haar psychogeriatrische aandoening dit ernstig nadeel veroorzaakt. Cliënt is gediagnosticeerd met de ziekte van Alzheimer. Door of namens cliënt is het onmiddellijk dreigend ernstig nadeel niet betwist. Om het onmiddellijk dreigend ernstig nadeel te voorkomen dan wel af te wenden is voortzetting van de inbewaringstelling noodzakelijk. Dit middel is ook geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen dan wel af te wenden en er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De rechtbank is van oordeel dat cliënt 24-uurs zorg en begeleiding nodig heeft, hetgeen in de thuissituatie niet gerealiseerd kan worden. Er is er sprake van verzet tegen het verblijf in de accommodatie. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat is voldaan aan de criteria voor een voortzetting van de inbewaringstelling. De machtiging wordt verleend voor de (verzochte) duur van zes weken. 

Rechtbank Rotterdam, 15-02-2024 (datum publicatie: 28-03-2024), ECLI:NL:RBROT:2024:1925 

Deze uitspraak gaat over het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling als bedoeld in artikel 37 van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (hierna: Wzd). Op 9 februari 2024 heeft de burgemeester van de gemeente Leiden ten behoeve van betrokkene een last tot inbewaringstelling genomen. Op 12 februari 2024 heeft het CIZ verzocht met betrekking tot betrokkene een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling te verlenen. Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat er sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel waardoor een rechterlijke machtiging niet kan worden afgewacht. Om het onmiddellijk dreigend ernstig nadeel te voorkomen dan wel af te wenden is voortzetting van de inbewaringstelling noodzakelijk. Dit middel is ook geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen dan wel af te wenden en er zijn geen minder ingrijpende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. Betrokkene verzet zich tegen een voortzetting van zijn verblijf de inbewaringstelling in de accommodatie. Betrokkene heeft herhaaldelijk verklaard dat hij niet opgenomen wil zijn, omdat hij zich niet veilig voelt. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat is voldaan aan de criteria voor een voortzetting van een inbewaringstelling als bedoeld in de Wzd. 

Rechtbank Den Haag, 29-03-2024 (datum publicatie: 29-03-2024), ECLI:NL:RBDHA:2024:4505 

Deze uitspraak gaat over een door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) ingediend verzoek tot het verlenen van een machtiging voor de duur van zes maanden als bedoeld in artikel 24 van de Wet zorg en dwang (Wzd). De advocaat van betrokkene bepleit afwijzing van het verzoek van het CIZ.  De advocaat heeft gesteld dat er voor het indicatiebesluit in het kader van de Wet langdurige zorg geen persoonlijk onderzoek heeft plaatsgevonden, zoals overeenkomstig artikel 3.2.2. lid 1 Besluit langdurige zorg is vereist. In het proces-verbaal van de zitting van 23 november 2023 heeft de rechtbank aan het CIZ verzocht om cliënt in persoon te spreken en het verzuim te herstellen. Op grond van nadere informatie heeft het CIZ voldoende toegelicht dat er ten behoeve van het indicatiebesluit een onderzoek in persoon heeft plaatsgevonden. Dit blijkt ook uit de tekst van het indicatiebesluit zelf waaruit geen onregelmatigheden blijken ten aanzien van voldoende persoonlijk onderzoek. Naar het oordeel van de rechtbank is zodoende geen sprake van een niet-rechtsgeldig afgegeven indicatiebesluit. Het verzoek zal op dit punt worden afgewezen. 

Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg

Parket bij de Hoge Raad, 09-02-2024 (datum publicatie: 01-03-2024), ECLI:NL:PHR:2024:135 

In deze Wvggz-zaak heeft de rechtbank een zorgmachtiging verleend zonder dat betrokkene is gehoord. De advocaat van betrokkene heeft ter zitting aangevoerd dat betrokkene hem onder andere had laten weten meer tijd nodig te hebben om zich voor te bereiden op de zitting, in het kader waarvan de advocaat primair heeft verzocht de behandeling van de zaak aan te houden. De rechtbank heeft vastgesteld dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen, en heeft het primaire verzoek tot aanhouding afgewezen en de zorgmachtiging verleend. Tegen deze oordelen keert zich het middel. 

Parket bij de Hoge Raad, 30-01-2024 (datum publicatie:05-03-2024), ECLI:NL:PHR:2024:109 

Deze Wvggz zaak gaat over het recht op bijstand van een gebarentolk voor betrokkene tijdens de mondelinge behandeling van het verzoek van de officier van justitie tot voorzetting van de crisismaatregel. Voorts wordt geklaagd dat er geen machtiging verleend kon worden nu de arts ter zitting anders dan de psychiater in de medische verklaring een machtiging voortzetting crisismaatregel niet noodzakelijk vond. 

Rechtbank Rotterdam, 09-02-2024 (datum publicatie: 12-03-2024), ECLI:NL:RBROT:2024:1476 

Deze uitspraak gaat over een zorgmachtiging aansluitend op een zorgmachtiging / artikel 6:4 Wvggz. Betrokkene werkt vrijwillig mee aan de opname en de behandeling en verklaart open te staan voor een gesprek met de behandelaars over de medicatie. De rechtbank wijst het verzoek, mede gelet op de kennelijk beperkte doelmatigheid van de zorgmachtiging, af. 

Rechtbank Rotterdam, 09-02-2024 (datum publicatie:12-03-2024), ECLI:NL:RBROT:2024:1475 

Zorgmachtiging aansluitend op een zorgmachtiging / artikel 6:4 Wvggz. Betrokkene weigert de voorgeschreven stemmingsstabilisator uit angst voor bijwerkingen. Na verdere uitleg van de behandelaars tijdens de mondelinge behandeling over het behandelplan en de mogelijke bijwerkingen, stemt betrokkene in met het medicatiegebruik. Omdat betrokkene niet vrijwillig in de kliniek wil verblijven, wijst de rechtbank de zorgmachtiging slechts toe voor de opname. Betrokkene dient wel de kans te krijgen op vrijwillig afspraken te maken over de medicatie en het behandeltraject. 

Rechtbank Rotterdam, 12-02-2024 (datum publicatie:12-03-2024), ECLI:NL:RBROT:2024:1581 

Deze uitspraak gaat over het beëindigen verplichte zorg. De in de zorgmachtiging genoemde doelen van de verplichte zorg zijn inmiddels bereikt. Er wordt niet meer voldaan aan de gronden voor de zorgmachtiging zoals genoemd in de artikelen 6:4 en 3:3 Wvggz. 

Parket bij de Hoge Raad, 05-02-2024 (datum publicatie:13-03-2024), ECLI:NL:PHR:2024:124 

In deze Wvggz-zaak is een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel door de rechtbank toegewezen, terwijl de psychiater betrokkene via beeldbellen heeft onderzocht. De vraag is aan de orde of een onderzoek door de psychiater in fysieke aanwezigheid van betrokkene redelijkerwijs niet mogelijk was. 

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 21-02-2024 (datum publicatie: 14-03-2024), ECLI:NL:RBZWB:2024:1617 

Deze uitspraak gaat over een door de officier van justitie ingediend verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). De rechtbank oordeelt dat zij gelet op de inhoud van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken geen aanleiding ziet om het verzoek voor een periode van twee maanden aan te houden. De rechtbank stelt vast dat de medische verklaring van 31 januari 2024 is opgesteld zonder dat er een duidelijk gesprek met betrokkene heeft kunnen plaatsvinden. De rechtbank is gebleken dat betrokkene nu wel bereid is om in overleg te gaan met medewerkers van de GGz en wellicht een psychiater. Hij staat niet afkerend tegenover medicatie, maar wil erover in gesprek. Dit maakt dat een onderzoek door een onafhankelijk psychiater op dit moment mogelijk lijkt. Het vertrouwen van betrokkene is broos. Dat betrokkene open staat voor onderzoek ziet de rechtbank dan ook als een goede ontwikkeling. Op dit moment een zorgmachtiging afgeven zal de situatie naar het oordeel van de rechtbank enkel verslechteren, terwijl een dialoog betrokkene verder zou kunnen helpen. Hierbij komt dat er op dit moment geen acuut gevaar bestaat. 

Rechtbank Oost-Brabant, 14-02-2024 (datum publicatie: 20-03-2024), ECLI:NL:RBOBR:2024:1035 

Deze uitspraak gaat over beroep ex artikel 7:6 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) tegen een crisismaatregel. Het beroep tegen de crisismaatregel wordt toegewezen nu de psychiater die medische verklaring afgaf in het jaar daar aan voorafgaand zorg aan betrokkene heeft verleend. Geen plaats voor toewijzing schadevergoeding te betalen door zorgaanbieder nu gemeente is veroordeeld tot betalen van schadevergoeding. Ook geen schadevergoeding omdat betrokkene de ochtend na afloop van de voortzetting crisismaatregel de accommodatie verlaten heeft. 

Rechtbank Noord-Holland, 15-02-2024 (datum publicatie: 20-03-2024), ECLI:NL:RBNHO:2024:2196 

Deze uitspraak gaat over de wijziging van een zorgmachtiging wegens ECT-behandeling, terwijl het ‘toedienen medicatie’ i.h.k.v. de oorspronkelijke zorgmachtiging al als vorm van verplichte zorg was toegewezen. Daarom heeft de officier van justitie geen belang bij het verzoek en wordt de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek had ook niet toegewezen kunnen worden indien wel ontvankelijk, omdat tijdelijke verplichte zorg (art. 8:11) nog niet was ingezet, het verzoek bovendien onvoldoende onderbouwd is en betrokkene bereid is vrijwillig ECT te ondergaan. 

Parket bij de Hoge Raad, 28-02-2024 (datum publicatie: 27-03-2024), ECLI:NL:PHR:2024:232 

In deze zaak heeft het CIZ verzocht een opvolgende machtiging tot opname en verblijf van betrokkene te verlenen in een Wzd-instelling voor de duur van twaalf maanden. De rechtbank heeft meerdere (tussen)beschikkingen gegeven, omdat, kort gezegd, eerst nader (onafhankelijk) onderzoek moest worden gedaan naar de vraag of de problematiek van betrokkene meer past binnen het Wzd- of binnen het Wvggz-kader. Bij (tussen)beschikking van 11 juli 2023 heeft de rechtbank beslist het verzoek vanaf dat moment te beschouwen als een verzoek om een zorgmachtiging in de zin van de Wvggz. Bij de bestreden beschikking van 7 augustus 2023 heeft de rechtbank anderszins beslist en een opvolgende machtiging tot voortzetting van opname en verblijf van betrokkene in de Wzd-instelling verleend conform het (resterende deel van het) verzoek van het CIZ. Betrokkene is het daarmee niet eens en klaagt in cassatie dat de rechtbank door het eerdere oordeel dat zij de procedure als een Wvggz-procedure beschouwt, de weg naar verlenging van de machtiging op grond van de Wzd heeft afgesloten. Verder klaagt betrokkene dat de rechtbank de opvolgende machtiging ten onrechte heeft verleend, nu de behandeling in de huidige Wzd-instelling niet doelmatig is gebleken en een alternatief, te weten ambulante hulp gedurende verblijf bij een oom en tante van betrokkene, ook mogelijk is. 

Wet langdurige zorg

Rechtbank Limburg, 20-03-2024 (datum publicatie: 25-03-2024), ECLI:NL:RBLIM:2024:1295, ECLI:NL:RBLIM:2024:1297 en ECLI:NL:RBLIM:2024:1296   

Brief gericht aan gewaarborgde hulp over uitkomst fraudeonderzoek en aankondiging van een aantal maatregelen is geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Bestuursrechter is niet bevoegd, de civiele rechter wel. Ook de brief aan de budgethouder waarin staat dat zij een nieuwe gewaarborgde hulp moet aanwijzen Omdat de gewaarborgde hulp niet meer voldoet aan de gestelde voorwaarden is geen besluit. Voor rechtsbescherming hiertegen moet iemand zich tot de civiele rechter wenden.  

Rechtbank Gelderland, 20-03-2024 (datum publicatie: 22-03-2024), ECLI:NL:RBGEL:2024:1529 

Beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag voor een persoonsgebonden budget  op grond van de Wet langdurige zorg ongegrond. Per gewenste ingangsdatum niet voldaan aan de, in artikel 3.3.3, vierde lid, van de Wlz, gestelde voorwaarden voor het kunnen verlenen van een pgb. 

Rechtbank Overijssel, 25-08-2023 (datum publicatie: 15-03-2024), ECLI:NL:RBOVE:2023:3428 

Besluit tot intrekking pgb op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank toetst de belangenafweging die het zorgkantoor heeft gemaakt aan de norm die is neergelegd in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij deze toetsing spelen de geschiktheid, de noodzakelijkheid en de evenwichtigheid van het besluit een rol. Het zorgkantoor zal tot een meer evenwichtige afweging van de belangen moet komen en zal dan ook opnieuw moeten beslissen op het bezwaar. 

Rechtbank Limburg, 02-02-2024 (datum publicatie: 05-03-2024), ECLI:NL:RBLIM:2024:474     

De rechtbank onderschrijft het standpunt van verweerder dat eiser (op dit moment) geen recht heeft op zorg op grond van Wlz. De rechtbank is van oordeel dat uit de door eiser overgelegd (medische) informatie niet kan worden opgemaakt dat hij blijvend (levenslang) is aangewezen op permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid. En dat is waar het in deze zaak om gaat. Anders dan eiser (en zijn ouders) lijken te veronderstellen, gaat het er daarbij niet om dat eiser zelfstandig zal worden. Het gaat erom of eiser zich nog zodanig kan ontwikkelen dat hij voldoende zelfstandig wordt om niet meer aangewezen te zijn op permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat dit op dit moment nog niet kan worden vastgesteld. Beroep ongegrond. 

Rechtbank Gelderland, 13-03-2024 (datum publicatie: 15-03-2024), ECLI:NL:RBGEL:2024:1329 

Beroep tegen de toewijzing aanvraag voor meerzorg op grond van de Wet langdurige zorg niet-ontvankelijk. Uit artikel 5.1E, eerste lid, van de Regeling langdurige zorg volgt dat een aanvraag voor meerzorg alleen kan worden ingediend door of namens (met een machtiging) de wettelijk vertegenwoordiger(s) van de verzekerde. De rechtbank stelt vast dat de aanvraag voor meerzorg door eiseres (de zorgverlener) zelf, dus zonder machtiging van de (wettelijk vertegenwoordigers van) de verzekerde, is ingediend. Ook heeft eiseres bezwaar gemaakt en beroep ingesteld zonder dat zij beschikte over een machtiging. Gelet op vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep is eiseres niet aan te merken als belanghebbende. Haar belangen worden niet rechtstreeks geraakt door het bestreden besluit. Voor zover eiseres financiële gevolgen ondervindt door het bestreden besluit, vloeien deze uitsluitend voort uit de contractuele relatie die zij met verzekerde heeft. Eiseres heeft, los van haar financiële belang, geen rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang. Daarom had het zorgkantoor de aanvraag van eiseres voor meerzorg niet in behandeling mogen nemen, omdat deze door eiseres op eigen naam was ingediend. Ook had het zorgkantoor het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk moeten verklaren, omdat eiseres niet als belanghebbende kan worden aangemerkt bij het besluit tot toekenning van meerzorg.  

Centrale Raad vanBeroep, 20-03-2024 (datum publicatie: 22-03-2024), ECLI:NL:CRVB:2024:539 

In deze zaak oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat de aanvraag om langdurige zorg terecht is afgewezen omdat er geen sprake is van permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid. Niet valt uit te sluiten dat verdere ontwikkeling nog mogelijk is, binnen de mogelijkheden van appellante en passend bij de verstandelijke handicap. 

Centrale Raad van Beroep, 27-03-2024 (datum publicatie: 29-03-2024), ECLI:NL:CRVB:2024:582 

Evenals de rechtbank komt de Raad tot het oordeel dat het CIZ de aanvraag van appellante op goede gronden heeft afgewezen. Planbare zorg. Appellante is in staat, indien nodig, zelf hulp in te roepen. Zonder ernstig nadeel hulp afwachten. Appellante is niet blijvend aangewezen op 24 uur per dag zorg in de nabijheid. 

Rechtbank Rotterdam, 20-02-2024 (datum publicatie: 14-03-2024), ECLI:NL:RBROT:2024:1067 

In deze zaak oordeelt de rechtbank dat het CAK terecht een boete heeft opgelegd omdat de betreffende persoon niet binnen de gestelde termijn een Nederlandse zorgverzekering heeft afgesloten.   

Centrale Raad van Beroep, 27-03-2024 (datum publicatie: 29-03-2024), ECLI:NL:CRVB:2024:584 

In bezwaar heeft het CIZ ingevolge het bepaalde bij en krachtens de Wlz aan betrokkene met ingang van 1 januari 2021 voor onbepaalde tijd een indicatie verleend voor het zorgprofiel GGZ Wonen met intensieve begeleiding en gedragsregulering. De Raad volgt het CIZ in het standpunt dat het school- en arbeidsverleden van appellante niet duiden in de richting van een beeld van een persoon met een verstandelijke handicap. Het CIZ heeft afdoende gemotiveerd dat het toegekende zorgprofiel het best aansluit bij de geobjectiveerde zorgbehoefte van betrokkene. 

Rechtbank Den Haag, 28-02-2024 (datum publicatie: 13-03-2024), ECLI:NL:RBDHA:2024:2614  

In deze zaak oordeelt de rechtbank Den Haag dat het beroep tegen de afgewezen Wlz-indicatie terecht niet-ontvankelijk is verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Dat komt omdat er naar aanleiding van een nieuwe aanvraag alsnog een Wlz-indicatie is verstrekt.    

Rechtbank Amsterdam, 18-12-2023 (datum publicatie: 07-03-2024), ECLI:NL:RBAMS:2023:8241  

Vergoeding wettelijke rente na te veel betaalde eigen bijdrage op grond van Wlz. Eerder vastgestelde eigen bijdrage later in voordeel van eiser aangepast. Dan is verweerder op grond van artikel 4:102 van de Awb verplicht wettelijke rente te vergoeden.    

Centrale Raad van Beroep, 06-03-2024 (datum publicatie: 09-03-2024), ECLI:NL:CRVB:2024:450 

In deze zaak oordeelt de Raad dat de aanvraag om langdurige zorg terecht is afgewezen omdat er geen noodzaak bestaat voor permanent toezicht of 24 uur per dag zorg In de nabijheid.   

Centrale Raad van Beroep, 21-03-2024 (datum publicatie: 22-03-2024), ECLI:NL:CRVB:2024:540 

In deze zaak oordeelt de Raad dat de aanvraag om langdurige zorg terecht is afgewezen omdat er geen noodzaak bestaat voor permanent toezicht of 24 uur per dag zorg In de nabijheid. Appellant heeft geen kennis kunnen nemen van het medisch advies voorafgaand aan de hoorzitting. Appellant is door het gebrek niet benadeeld en het gebrek wordt met toepassing van artikel 6:22 van de Awb gepasseerd. 

Rechtbank Midden-Nederland, 08-02-2024 (datum publicatie: 15-03-2024), ECLI:NL:RBMNE:2024:1115 

In deze zaak oordeelt de Raad dat de aanvraag om langdurige zorg terecht is afgewezen omdat er geen noodzaak bestaat voor permanent toezicht of 24 uur per dag zorg In de nabijheid.   

Centrale Raad van Beroep, 21-03-2024 (datum publicatie: 22-03-2024), ECLI:NL:CRVB:2024:544 

Het CAK heeft terecht twee maal een boete opgelegd, omdat appellant niet tijdig een zorgverzekering heeft afgesloten ook al is sprake van ontbreken van draagkracht. Dat appellant de bijstandsuitkering heeft aangewend voor andere doelen dan het afsluiten van een zorgverzekering dient voor zijn rekening en risico te blijven. 

Centrale Raad van Beroep, 29-02-2024 (datum publicatie: 07-03-2024), ECLI:NL:CRVB:2024:419 

Boete opgelegd omdat appellante heeft niet binnen de haar gegeven termijn van drie maanden een zorgverzekering heeft afgesloten. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn met vier maanden, deels in in de bestuurlijke en deels in de rechterlijke fase. Vergoeding proceskosten en griffierecht. 

Centrale Raad van Beroep, 12-03-2024 (datum publicatie: 13-03-2024), ECLI:NL:CRVB:2024:455 

De rechtbank heeft het beroep tegen het niet tijdig beslissen terecht niet-ontvankelijk verklaard. Wat het zorgkantoor ten grondslag heeft gelegd aan het eerdere intrekkings- en terugvorderingsbesluit, kan reeds op zichzelf beschouwd de nu voorliggende besluiten tot weigering van een pgb dragen.  

Wet maatschappelijke ondersteuning 2015

Centrale Raad van Beroep, 22-02-2024 (datum publicatie: 07-03-2024), ECLI:NL:CRVB:2024:376 

Afwijzing aanvraag maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 bestaande uit de opleiding voor een hulphond. Het college is niet gehouden om deze maatwerkvoorziening te verstrekken. Bewuste keuze in de Zvw, omdat de effectiviteit van deze hulphonden nog onvoldoende wetenschappelijk bewezen is. 

Centrale Raad van Beroep, 28-03-2024 (datum publicatie: 29-03-2024), ECLI:NL:CRVB:2024:591 

De Raad stelt vast dat het bestreden besluit ongewijzigd van kracht is gebleven. De beslissing op bezwaar van 20 juni 2022 heeft betrekking op een andere periode en is tot stand gekomen naar aanleiding van een ander bezwaar. Niet voldaan aan de voorwaarde voor een veroordeling van het bestuursorgaan in de kosten. 

Rechtbank Den Haag, 07-03-2024 (datum publicatie: 18-03-2024), ECLI:NL:RBDHA:2024:3597 

In deze voorlopige voorzieningsprocedure wijst de rechtbank het verzoek af. Er is geen aanleiding om vooruit te lopen op de overweging in bezwaar nu voor de beantwoording van de vraag welke vervoersvoorziening passend en geboden is een deskundigenadvies nodig is.        

Centrale Raad van Beroep, 28-03-2024 (datum publicatie: 29-03-2024), ECLI:NL:CRVB:2024:593 

Afwijzing maatwerkvoorzieningen omdat appellante geen toestemming heeft gegeven voor het verrichten van onderzoek door WIJ Groningen, de organisatie die het college adviseert over de afhandeling van aanvragen op grond van de Wmo 2015. Omdat appellante om haar moverende redenen heeft geweigerd medewerking te verlenen aan een onderzoek door WIJ Groningen, ook na het aanbod om een niet eerder betrokken medewerker van een ander WIJ-team in te schakelen, was het voor het college niet mogelijk om haar aanvraag te beoordelen. 

Rechtbank Overijssel, 20-03-2024 (datum publicatie: 26-03-2024), ECLI:NL:RBOVE:2024:1452  

Het HHM Normenkader 2019 kan worden gehanteerd als uitgangspunt bij het bepalen van de omvang van huishoudelijke hulp voor het resultaat schoon en leefbaar huis. Het college kon in de situatie van eiseres uitgaan van de gemiddelde cliëntsituatie. Het HHM Normenkader 2019 kan niet worden gebruikt als uitgangspunt bij het bepalen van de omvang van het resultaat wasverzorging. De toekenning voor het resultaat wasverzorging is onvoldoende onderbouwd.  

Centrale Raad van Beroep, 21-03-2024 (datum publicatie: 22-03-2024), ECLI:NL:CRVB:2024:542 

Afwijzing aanvraag om een financiële tegemoetkoming in de kosten van verhuizing toe te kennen terecht. Appellante wordt terecht in staat geacht op aanvaardbare wijze de woonhuistrappen te belopen. Geen medische noodzaak voor een verhuiskostenvergoeding. Zorgvuldig onderzoek door medische adviseur. 

Rechtbank Den Haag, 09-03-2024 (datum publicatie: 22-03-2024), ECLI:NL:RBDHA:2024:3689 

Het college heeft de rechtbank meegedeeld dat hij geen gebruik maakt van de gelegenheid het zorgvuldigheidsgebrek in het bestreden besluit te herstellen. Het bestreden besluit blijft daarmee in strijd met zorgvuldigheidsbeginsel.   

Centrale Raad van Beroep, 12-01-2024 (datum publicatie: 07-03-2024), ECLI:NL:CRVB:2024:420 

Afwijzing aanvragen maatwerkvoorziening voor huishoudelijke ondersteuning. College heeft voldoende gemotiveerd dat de ondersteuningsbehoefte geen omvang had die groter was dan twee uur en 45 minuten en ten tijde van belang kon worden afgenomen binnen de schoonmaakvoorziening huishoudelijke hulp tegen een laagdrempelige bijdrage.  

Centrale Raad van Beroep, 21-03-2024 (datum publicatie: 26-03-2024), ECLI:NL:CRVB:2024:566 

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellante geen procesbelang heeft bij de beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit. De stelling van appellante dat zij mogelijk schade heeft geleden, is niet onderbouwd met toegezegd schriftelijk bewijs. Schade is daarmee onaannemelijk.  

Centrale Raad van Beroep, 20-02-2024 (datum publicatie: 07-03-2024), ECLI:NL:CRVB:2024:308 

Weigering maatwerkvoorziening voor huishoudelijke hulp in verband met niet overleggen inkomensverklaring in de vorm van een IB60-formulier. De Wmo biedt geen ruimte om rekening te houden met de financiële mogelijkheden van betrokkene om de gevraagde ondersteuning zelf te bekostigen. De rechtbank is met juistheid tot het oordeel gekomen dat het college de aanvraag van betrokkene op onjuiste gronden heeft afgewezen. 

Centrale Raad van Beroep, 20-02-2024 (datum publicatie: 07-03-2024), ECLI:NL:CRVB:2024:367 

Aanvraag van betrokkene voor huishoudelijke hulp had niet op basis van financiële draagkracht afgewezen mogen worden. De Wmo biedt daar geen ruimte voor. 

Rechtbank Overijssel, 22-03-2024 (datum publicatie: 28-03-2024), ECLI:NL:RBOVE:2024:1528 

Het college heeft de aanvraag van eiser om terug te komen van zijn, in rechte onaantastbaar geworden, besluit van 27 januari 2022 inhoudelijk behandeld. De rechtbank toetst daarom het bestreden besluit aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden. De rechtbank is van oordeel dat het college niet zorgvuldig heeft onderzocht of verhuizen in het geval van eiser inderdaad de goedkoopst compenserende oplossing is voor zijn woonprobleem. Onder deze omstandigheden heeft het college het verhuisprimaat niet aan eiser mogen tegenwerpen. Conclusie is dat het college het besluit om geen woonhuislift toe te kennen onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid.  

Rechtbank Den Haag, 21-02-2024 (datum publicatie: 06-03-2024), ECLI:NL:RBDHA:2024:2487 

Afwijzing woningaanpassing vanwege verhuizing van adequate- naar in adequate woning, zonder toestemming. Eiseres is vanwege financiële redenen verhuisd. In haar oude woning werd zij financieel ondersteund door haar toenmalige partner. Door beëindiging van die relatie viel ook de financiële ondersteuning weg. Het college heeft ten onrechte niet getoetst aan artikel 11, derde lid, onder e van de Verordening. Deze grond slaagt. In die bepaling (de e-grond) staat dat geen voorziening wordt verstrekt indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij zelfredzaamheid en/of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is. De e-grond bevat de waarborg dat in geval van een belangrijke reden een betrokkene toch voor een woonvoorziening in aanmerking komt, ook als er gelet op zijn beperkingen geen noodzaak was tot verhuizen. Het gaat dan met andere woorden om de situatie waarin een betrokkene verhuist van een adequate- naar een inadequate woning. In die situatie kan, gelet op de tekst, ook de f-grond van toepassing zijn. Een onverkorte toepassing van die grond in de situatie als omschreven in de e-grond, die ertoe leidt dat er geen aanspraak is op een woonvoorziening ook als sprake is van een belangrijke reden, zou tot een uitholling leiden van de waarborg die is gelegen in de e-grond. Dat houdt in dat ingeval er sprake is van een belangrijke reden de f-grond niet kan worden toegepast in de situatie waar de e-grond op ziet. Het college heeft niet onderzocht of de e-grond van toepassing was in de situatie van eiseres.   

Centrale Raad van Beroep, 13-03-2024 (datum publicatie: 15-03-2024), ECLI:NL:CRVB:2024:486   

Het college heeft de aanvraag voor een maatwerkvoorziening voor de aanpassing van een woning terecht afgewezen. De woning zou binnen afzienbare tijd na de verhuizing niet langer geschikt zijn. Appellante had zich voor de aanschaf van de woning moeten melden bij het college. 

Centrale Raad van Beroep, 21-02-2024 (datum publicatie: 07-03-2024), ECLI:NL:CRVB:2024:418 

Afwijzing maatwerkvoorziening voor individuele begeleiding omdat er geen psychosociale beperkingen zijn. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de hulpvraag, beperkingen en de ondersteuningsbehoefte van betrokkene. Opdracht onderzoek en nieuwe beslissing op bezwaar. Proceskostenveroordeling college. 

Rechtbank Overijssel, 25-03-2024 (datum publicatie: 28-03-2024), ECLI:NL:RBOVE:2024:1569 

De aan eiseres aangeboden woning was zowel ondanks de aanwezigheid van het transformatorhuisje als gelet op de afmetingen passend voor eiseres. Zij heeft deze woning ten onrechte geweigerd. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres had kunnen verhuizen naar deze woning. Het college heeft het primaat van verhuizing, met het maximaal te vergoeden bedrag van € 12.355,-, daarom terecht toegepast. Dit betekent dat de omstandigheid dat eiseres zelf een woning heeft aangekocht en die passend heeft gemaakt, niet betekent dat dan de kosten van die verbouwing worden vergoed, maar slechts het forfaitaire bedrag van € 12.355,-. Het college heeft met de toegekende vergoeding van € 12.335,- – naast de vergoeding van € 17.400 voor de elektrische deuren – de beperkingen van eiseres in de zelfredzaamheid voldoende gecompenseerd.’ 

Jeugdwet

Rechtbank Den Haag, 22-02-2024 (datum publicatie: 07-03-2024), ECLI:NL:RBDHA:2024:2552 

Anders dan de Wmo voorziet de Jeugdwet niet in een aanvraagprocedure die afwijkt van de in de Awb opgenomen bepalingen. Artikel 7 van de verordening mist daarom verbindende kracht en dient daarom onverbindend te worden verklaard. Voorts dient de mondelinge aanmelding aangemerkt te worden als de aanvraag. 

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 11-03-2024 (datum publicatie: 14-03-2024), ECLI:NL:RBZWB:2024:1552 

In dit geval oordeelt de rechtbank dat het verzoek om inzage op grond artikel 7.3.10 van de Jeugdwet dan wel artikel 15 van de AVG niet kwalificeert als een verzoek gericht tot een bestuursorgaan.   

Rechtbank Amsterdam, 18-01-2024 (datum publicatie: 14-03-2024),  

Verweerder heeft een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend voor ambulante jeugdhulp. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder de hulpvraag voldoende heeft onderzocht. Volgens eiseres had de boven gebruikelijke zorg van de ouders van hun zoon in kaart gebracht moeten worden en had er een pgb moeten worden toegekend voor het verlenen van die boven gebruikelijke zorg aan haar zoon. De rechtbank volgt verweerder dat destijds de hulpvraag voldoende is onderzocht. Zoals ook door verweerder is toegelicht kan bij een gewijzigde hulpvraag het perspectiefplan worden aangepast en er een nieuwe aanvraag worden gedaan.   

Gezondheidswet

Rechtbank Oost-Brabant, 08-02-2024 (datum publicatie: 14-03-2024), ECLI:NL:RBOBR:2024:410 

De minister heeft terecht besloten om het inspectierapport over onder meer de naleving van de goede distributiepraktijken door verzoekster op grond van artikel 44, eerste lid, van de Gezondheidswet openbaar te maken. Verzoekster heeft de vaststellingen van feitelijke aard in het inspectierapport niet betwist. De bezwaren van verzoekster (onder meer over imagoschade) hebben betrekking op ofwel de waardering van de feiten en oordelen daarover ofwel de conclusie die op die feiten en oordelen zijn gebaseerd ofwel op een weging van belangen (waarbij het niet gaat om persoonsgegevens). Gelet op het toetsingskader in dit soort zaken maken die geen deel uit van de door de voorzieningenrechter te verrichten toetsing. Verder zijn er geen uitzonderingen van toepassing waardoor openbaarmaking achterwege moet blijven. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.  

Wet marktordening gezondheidszorg

Parket bij de Hoge Raad, 16-02-2024 (datum publicatie: 13-03-2024), ECLI:NL:PHR:2024:183 

In dit arrest staat de Hoge Raad stil bij de vraag in hoeverre een zorgverzekeraar verplicht is om de kosten van een vergoeding van een behandeling die de verzekerde ondergaat in de Verenigde Staten te vergoeden. Het gaat specifiek om een behandeling die op dat moment in Nederland nog niet klinisch werd toegepast. De Hoge Raad staat stil bij de uitleg omtrent het ‘plegen te bieden’ criterium en de betekenis van de NZa-tariefregulering voor aanspraken van de verzekerde.  

Zorgverzekeringswet

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 21-02-2024 (datum publicatie: 01-03-2024), ECLI:NL:RBZWB:2024:1117 

Vergoeding medisch specialistische revalidatiezorg. Kort geding. Vraag is of de betreffende zorg voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk. Voorzieningenrechter oordeelt dat de zaak niet geschikt zou zijn voor de beoordeling in kort geding. 

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-02-2024 (datum publicatie: 06-03-2024), ECLI:NL:GHARL:2024:1457 

Vergoeding haartransplantatie bij transgenderzorg. Het gerechtshof oordeelt dat sprake is van een passabiliteitsprobleem en verzekerde redelijkerwijs is aangewezen op de zorg. Om die reden vernietigd het gerechtshof het vonnis in eerste aanleg en veroordeelt het hof zorgverzekeraar Menzis tot vergoeding over te gaan. 

Parket bij de Hoge Raad (conclusie P-G), 16-02-2024 (datum publicatie 13-03-2024), ECLI:NL:PHR:2024:183 

Zorgverzekeringsrecht. Verzekerde ondergaat behandeling in de Verenigde Staten die op dat moment in Nederland nog niet klinisch werd toegepast; uitleg 'plegen te bieden’-criterium (art. 2.4 Bzv); betekenis NZa-tariefregulering voor aanspraken verzekerde (art. 35 WMG); middel na behandeling geplaatst in de 'geneesmiddelensluis' (art. 11 lid 4 onder a Zvw en art. 2.4a Bzv). De verzekerde ontving de behandeling toen het betreffende geneesmiddel nog niet in de geneesmiddelensluis was geplaatst en derhalve voor vergoeding in aanmerking kwam. De P-G concludeert tot afwijzing van het cassatieberoep van zorgverzekeraar Zilveren Kruis.  

Rechtbank Midden-Nederland 26-07-2023 (datum publicatie 29-03-2024), ECLI:NL:RBMNE:2023:7632 

Wijkverpleging. Fraude en onverschuldigde betaling. De rechtbank meent dat de zorgaanbieder onrechtmatig heeft gehandeld door declaraties in te dienen waarvan zij wist of moest weten dat deze niet voor vergoeding in aanmerkingen kwamen onder de Zvw. De rechtbank veroordeelt de zorgaanbieder daarom tot terugbetaling van een bedrag ad circa € 1.7 miljoen aan zorgverzekeraar Zilveren Kruis.  

Ondernemingsrecht

Gerechtshof Amsterdam, 15-02-2024 (datum publicatie 05-03-2024), ECLI:NL:GHAMS:2024:366 

De Ondernemingskamer is van oordeel dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van een groep vennootschappen van zestien private medische klinieken verspreid over zes landen in Europa die zich bezighouden met de behandeling van kankerpatiënten. Volgens de Ondernemingskamer is sprake van structureel verstoorde verhoudingen tussen de bestuurders en de gevolgen daarvan voor de bedrijfsvoering vormen, tezamen met het gebrek aan openheid en transparantie van een van de bestuurders over zijn betrokkenheid bij een concurrent, zijn volgens de Ondernemingskamer gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van de vennootschappen van de groep die een onderzoek rechtvaardigen. Op verzoek van de stemgerechtigde aandeelhouders zal de Ondernemingskamer een onderzoek gelasten naar het beleid en de gang van zaken van de vennootschappen die behoren tot de groep. 

Rechtbank Midden-Nederland, 11-03-2024 (datum publicatie 22-03-2024), ECLI:NL:RBMNE:2024:1594 

Beherend apotheker is niet aansprakelijk voor het boedeltekort van de failliete apotheek waarvoor hij werkzaam was. De apotheker is geen statutair bestuurder geweest en kwalificeert ook niet als feitelijk beleidsbepaler. De apotheker heeft ook niet onrechtmatig gehandeld.  

Vastgoed

Rechtbank Midden-Nederland, 29-02-2024 (datum publicatie: 14-03-2024), ECLI:NL:RBMNE:2024:1190 

Tussen zorginstelling en cliënt bestaat een zorg- en een huurovereenkomst. De cliënt stelt zich niet begeleidbaar op en veroorzaakt overlast. De kantonrechter overweegt dat de zorginstelling op grond hiervan de zorgovereenkomst rechtsgeldig heeft kunnen opzeggen en dat daarmee ook de huurovereenkomst is geëindigd. De ontruiming wordt toegewezen. Het feit dat de zorginstelling niet haar eigen protocol heeft gevolgd maakt dit niet anders. In de zorgovereenkomst staat dat voor beëindiging van de zorgovereenkomst tegen de wens van de cliënt het protocol ‘van toepassing’ is. Er staat niet dat de zorgovereenkomst ‘niet kan worden beëindigd’ als het protocol niet wordt gevolgd. De zorginstelling heeft geen rechtstreekse verplichting om de bewindvoerderte betrekken bij de gesprekken over de feitelijke gedragingen van cliënt.  

Rechtbank Den Haag, 08-03-2024 (datum publicatie: 14-03-2024), ECLI:NL:RBDHA:2024:3434 

De kantonrechter overweegt dat de enkele bepaling in de huurovereenkomst waarin uitdrukkelijk wordt verwezen naar het begeleidingscontract en dat het contract een onlosmakelijk geheel vormt en dus deel uitmaakt van de huurovereenkomst, brengt nog niet mee dat zij als één geheel en onsplitsbaar dienen te worden gezien. Niet is gebleken dat de overeenkomsten inhoudelijk onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. In de huurovereenkomst staan geen bepalingen die zien op de inhoudelijke uitvoering van de begeleidingsovereenkomst. De begeleidingsovereenkomst is niet in het geding gebracht. Gelet daarop overweegt de kantonrechter dat van inhoudelijke connexiteit niet is gebleken en niet hoeft te worden beoordeeld welke van de twee overeenkomsten overheerst. Gelet op de incidentmeldingen en de informatie uit de bestuurlijke rapportage heeft de woningcorporatie in redelijkheid kunnen beslissen de huurovereenkomst niet voor bepaalde tijd voort te zetten. De woningcorporatie heeft tijdig kennis gegeven van het einde van de tijdelijke huurovereenkomst in de zin van artikel art. 7:271 lid 1 BW. Daarmee is de huurovereenkomst rechtsgeldig beëindigd. 

Rechtbank Rotterdam, 04-03-2024 (datum publicatie: 13-03-2024), ECLI:NL:RBROT:2024:1652 

De eigenaar van een woning heeft deze verhuurd aan de zorginstelling. De zorginstelling (onder)verhuurt de woning aan cliënt. De zorginstelling stopt op enig moment met de zorgverlening en zegt de (hoofd)huurovereenkomst met de eigenaar op. De kantonrechter overweegt dat de zorg- en huurovereenkomst niet dermate met elkaar verbonden zijn dat het einde van de zorg tot gevolg heft dat het gebruik van de woning evenmin in stand kan blijven. In de huurovereenkomst staat immers niets over de zorgverlening. De kantonrechter overweegt dat huurbescherming alleen dan buiten beschouwing blijft als het element verzorging feitelijk duidelijk overheerste. Dat is niet aannemelijk gedaan. Door beëindiging van de (hoofd)huurovereenkomst is de onderhuurovereenkomst tussen cliënt en de eigenaar van de woning voortgezet. 

Rechtbank Limburg, 29-02-2024 (datum publicatie: 15-03-2024), ECLI:NL:RBLIM:2024:932 

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht heeft een omgevingsvergunning verleend om af te wijken van het bestemmingsplan ten behoeve van het realiseren van een dagopvang voor ouderen en een ondersteunend kantoor. De rechtbank ziet aanleiding om een aantal afspraken en toezeggingen die door vergunninghouder zijn gedaan als voorschriften in de omgevingsvergunning vast te leggen.

Omzetbelasting

Rechtbank Zeeland-West Brabant, 14 maart 2024 (datum publicatie: 20-03-2024), ECLI:NL:RBZWB:2024:1609 

In deze zaak is de vraag of door een Stichting verrichte activiteiten die onder andere bestaan uit het organiseren van retraites, het geven van cursussen en lezingen in lijn met de vipassanameditatie in de traditie van de Birmese leraar zijn belast met btw. De kernactiviteit die wordt verricht is het verzorgen van meerdaagse retraites en één of meerdaagse studiedagen. Van deelnemers aan retraites zijn vergoedingen ontvangen, om deze vergoedingen is ook gevraagd en er zijn vergoedingen gerestitueerd indien deelname aan een retraite door de deelnemer werd geannuleerd. Het standpunt van de Stichting dat deze vergoedingen vrijwillig zijn omdat ze vanuit het Dana-principe niet afdwingbaar zijn en daarom niet belast met btw faalt. Er bestaat een voldoende verband tussen de vergoeding en de prestaties die zijn verricht, waardoor heffing van btw aan de orde komt.  

Kennisgroepstandpunt btw-behandeling op maat gemaakt gebitsbeschermers, KG:210:2024:4 

Door de kennisgroep van de Belastingdienst is het standpunt gepubliceerd dat door een tandarts op maat gemaakte gebitsbeschermers voor sporters niet met een btw-vrijstelling geleverd kunnen worden. De levering van de gebitsbeschermers zijn niet bestemd voor rechtstreeks therapeutisch gebruik.