Motiveringsgebreken bij het doorlopen van het stappenplan: in meerdere uitspraken werd het bestreden besluit vernietigd omdat het college het stappenplan onvoldoende had doorlopen, de hulpvraag niet deugdelijk had vastgesteld of de verwijzing naar eigen kracht dan wel passend onderwijs onvoldoende had gemotiveerd
Niet tijdig beslissen en ambtshalve voorlopige voorzieningen: in enkele zaken werd het beroep wegens niet tijdig beslissen op een aanvraag om jeugdhulp gegrond verklaard. De rechtbank trof in die gevallen ambtshalve een voorlopige voorziening, waarbij voor de omvang werd aangesloten bij de feitelijke zorgsituatie. Het lange tijdsverloop sinds de aanvraag rechtvaardigde daarbij geen langere beslistermijn.
Later bekend geworden medische informatie mag worden meegewogen: de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat medische informatie die na het bestreden besluit bekend is geworden maar betrekking heeft op de periode in geding, bij de beoordeling van de omvang van de jeugdhulp mag worden betrokken. Dit leidde tot een hogere toekenning van individuele begeleiding in de vorm van een pgb.
Jeudgwet: uitspraken april
Rechtbank Noord-Nederland 5 maart 2026 (datum publicatie: 14 april 2026) (ECLI:NL:RBNNE:2026:1053)
De voorzieningenrechter verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het bestreden besluit. Het college had de begeleiding door Cognivo ten onrechte geheel onder de Wet passend onderwijs geschaard zonder deugdelijke afstemming met de school. Van samenwerking met de school was niet gebleken en onvoldoende was gemotiveerd dat de zorgvraag nog slechts betrekking had op schoolse vaardigheden. De beroepsgrond over het uurtarief slaagde niet. De voorzieningenrechter trof een voorlopige voorziening en bepaalde dat de jeugdhulp werd voortgezet tot zes weken na de nieuw te nemen beslissing op bezwaar.
Kernpunt: Onvoldoende afstemming met school waardoor begeleiding ten onrechte geheel onder Wet passend onderwijs werd geschaard.
Rechtbank Noord-Holland 22 mei 2025 (datum publicatie: 15 april 2026) (ECLI:NL:RBNHO:2025:15992)
De rechtbank verklaarde de beroepen gegrond. De Verordening Jeugdhulp bood onvoldoende rechtszekerheid, nu de begrippen gebruikelijke hulp en eigen kracht niet in de verordening zelf waren uitgewerkt. Het bestreden besluit ontbeerde daardoor een deugdelijke wettelijke grondslag. De rechtbank liet de rechtsgevolgen in stand, nu het medisch advies inzichtelijk maakte dat het stappenplan was doorlopen. De rechtbank voorzag voor de eerdere periode zelf in de zaak door het pgb en de logeeropvang op te hogen.
Kernpunt: Verordening biedt onvoldoende rechtszekerheid, maar rechtsgevolgen in stand gelaten op basis van medisch advies.
Centrale Raad van Beroep 9 april 2026 (datum publicatie: 20 april 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:414)
De Raad oordeelde dat de rechtbank het bestreden besluit over de toekenning van 25 uur per week jeugdhulp ten onrechte in stand had gelaten. Het college had ter zitting erkend dat over de periode in geding onvoldoende jeugdhulp was verleend. Later bekend geworden medische informatie kon worden meegewogen, nu deze zag op de periode in geding. De Raad voorzag zelf in de zaak en kende 32 uur per week individuele begeleiding toe in de vorm van een pgb. Het gehanteerde informele tarief van € 18,11 per uur was wel toereikend.
Kernpunt: Later bekend geworden medische informatie mag worden meegewogen in besluitvorming.
Rechtbank Overijssel 9 april 2026 (datum publicatie: 21 april 2026) (ECLI:NL:RBOVE:2026:2057)
De rechtbank verklaarde het beroep wegens niet tijdig beslissen op een aanvraag om jeugdhulp gegrond. De rechtbank trof ambtshalve een voorlopige voorziening, omdat een constructie met een voorlopig besluit gevolgd door een definitief besluit onvoldoende rechtszekerheid bood. De rechtbank sloot voor de omvang aan bij het aantal uren dat de vader minder was gaan werken om voor de jeugdige te zorgen. Aan eiser werd met onmiddellijke ingang een pgb verleend voor acht uur per week individuele begeleiding tegen het informele uurtarief.
Kernpunt: Ambtshalve voorlopige voorziening bij niet tijdig beslissen en omvang pgb aansluitend bij feitelijke zorgsituatie.
Rechtbank Overijssel 23 april 2026 (datum publicatie: 30 april 2026) (ECLI:NL:RBOVE:2026:2291)
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit. Het college had het stappenplan niet op de juiste wijze gevolgd. De hulpvraag was onvoldoende vastgesteld, de aard en omvang van de benodigde hulp waren niet inzichtelijk gemaakt en de verwijzing naar eigen kracht was onvoldoende gemotiveerd. Het college was ten onrechte vooral ingegaan op de opvangvraag van de ouders en had onvoldoende oog gehad voor de ontwikkeling van de jeugdige. De rechtbank trof ambtshalve een voorlopige voorziening van twee dagdelen weekendopvang per twee weken.
Kernpunt: Stappenplan onvoldoende doorlopen. Ambtshalve voorlopige voorziening voor weekendopvang getroffen.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22 april 2026 (datum publicatie: 29 april 2026) (ECLI:NL:RBZWB:2026:3270)
De rechtbank verklaarde het beroep wegens niet tijdig beslissen op een aanvraag om een individuele jeugdhulpvoorziening op grond van de Jeugdwet kennelijk gegrond. Het college had niet binnen de beslistermijn beslist op de aanvraag van 8 augustus 2025. De rechtbank merkte eiser, als stiefvader van de jongere, aan als belanghebbende. Het verzoek van het college om een beslistermijn van vier weken wegens de complexe jeugdhulpsituatie werd afgewezen, nu reeds ruim een half jaar was verstreken sinds de aanvraag. De rechtbank legde een dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,-.
Kernpunt: Niet tijdig beslist op aanvraag jeugdhulp en verstreken tijd rechtvaardigt geen langere beslistermijn dan twee weken.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13 april 2026 (datum publicatie: 17 april 2026) (ECLI:NL:RBZWB:2026:2754)
De voorzieningenrechter wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Het college had aan verzoeker een tijdelijke maatwerkvoorziening toegekend voor verblijf bij een zorgaanbieder. Verzoeker wenste voortzetting van het verblijf teneinde te starten met behandeling, begeleiding en kamertraining en toe te werken naar begeleid wonen. Het college had op basis van een gedragswetenschappelijk rapport en meerdere MDO's geconcludeerd dat een gezinshuis de meest passende voorziening was. De voorzieningenrechter achtte het onderzoek voldoende zorgvuldig en verwachtte dat het bestreden besluit in bezwaar stand zou houden.
Kernpunt: Onderzoek voldoende zorgvuldig, gezinshuis was terecht als meest passende voorziening aangemerkt.