Taalbarrière als terugkerend thema: in meerdere uitspraken speelt onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal een doorslaggevende rol, zowel bij de verschoonbaarheid van termijnoverschrijding als bij de beoordeling of de cliënt zijn situatie adequaat naar voren heeft kunnen brengen.
Motiveringsgebreken bij wijziging of herziening van voorzieningen: colleges onderbouwden onvoldoende waarom eerder toegekende maatwerkvoorzieningen werden gewijzigd of herzien, met name bij het ontbreken van nieuwe feiten of een deugdelijke medische beoordeling.
Weigering van medewerking aan onderzoek komt voor rekening van de aanvrager: het niet verlenen van medewerking aan een door het college noodzakelijk geacht onderzoek een rechtmatige grond vormt voor afwijzing van de aanvraag.
Belangen van minderjarige kinderen wegen zwaar: in de uitspraken over maatschappelijke opvang vormde de betrokkenheid van minderjarige kinderen een belangrijke factor bij de toewijzing van voorlopige voorzieningen.
Wmo 2015: uitspraken april
Centrale Raad van Beroep 6 april 2026 (datum publicatie: 21 april 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:415)
De Raad oordeelde dat de rechtbank de omvang van de maatwerkvoorziening voor huishoudelijke hulp op grond van de Wmo 2015 terecht had vastgesteld op vijf uur per week. Het HHM Normenkader 2019 mocht als uitgangspunt worden gehanteerd, ook al verwees de gemeentelijke verordening daar niet naar. Met de individuele omstandigheden van appellante was voldoende rekening gehouden, nu naast de basisnorm extra tijd was verleend voor schoonmaak, een extra slaapkamer en wasverzorging. Appellante had geen aanvraag gedaan voor begeleiding bij sociaal en persoonlijk functioneren. De brief van 28 maart 2023 was geen besluit waartegen bezwaar kon worden gemaakt.
Kernpunt: HHM Normenkader 2019 mag als uitgangspunt dienen, ondanks dat verordening daar niet naar verwijst.
Rechtbank Den Haag 1 oktober 2025 (datum publicatie: 24 april 2026) (ECLI:NL:RBDHA:2025:27924)
De voorzieningenrechter wees het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de afwijzing van een aanvraag voor maatschappelijke opvang op grond van de Wmo 2015 toe. De termijnoverschrijding van het bezwaar was verschoonbaar, nu het besluit zonder tolk was uitgereikt aan verzoekster die de Nederlandse taal onvoldoende machtig was. Het bezwaar had een redelijke kans van slagen, omdat het primaire besluit was gestoeld op een onjuiste grondslag. Verzoekster en haar kinderen waren inmiddels ingezetene van Nederland. De belangen van de minderjarige kinderen waren onvoldoende meegewogen. Het college diende opvang te verstrekken tot zes weken na de beslissing op bezwaar.
Kernpunt: Termijnoverschrijding verschoonbaar en primair besluit op onjuiste grondslag en belangen kinderen onvoldoende meegewogen.
Rechtbank Rotterdam 19 maart 2026 (datum publicatie: 21 april 2026) (ECLI:NL:RBROT:2026:4677)
De voorzieningenrechter wees het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de afwijzing van een aanvraag voor maatschappelijke opvang op grond van de Wmo 2015 toe. Het college had zich op het standpunt gesteld dat verzoekster voldoende zelfredzaam was. De voorzieningenrechter volgde dit standpunt op basis van de stukken, maar oordeelde dat verzoekster haar situatie bij de intake niet goed naar voren had kunnen brengen vanwege onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal. Verzoekster had op zitting gesteld dat sprake was van schulden en psychosociale problematiek. Mede gelet op de betrokkenheid van drie minderjarige kinderen werd de voorlopige voorziening toegewezen.
Kernpunt: Toewijzing voorlopige voorziening wegens taalbarrière, gestelde multiproblematiek en betrokkenheid minderjarige kinderen.
Rechtbank Rotterdam 3 april 2026 (datum publicatie: 29 april 2026) (ECLI:NL:RBROT:2026:4955)
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de wijziging van de zorgomvang en -vorm op grond van de Wmo 2015 gegrond. Het college had onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom begeleiding in de vorm van een pgb door de moeder van eiser niet langer passend zou zijn. De enkele overweging dat professionele begeleiding wenselijk was, volstond niet. Evenmin was gemotiveerd waarom de eerder geïndiceerde 300 minuten begeleiding per week was gehalveerd naar 150 minuten. Het college diende een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
Kernpunt: Gebrekkige motivering ten aanzien van de beëindiging van pgb-begeleiding door de moeder en de halvering van de zorgomvang.
Rechtbank Noord-Nederland 17 april 2026 (datum publicatie: 30 april 2026) (ECLI:NL:RBNNE:2026:1546)
De voorzieningenrechter verklaarde het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Verzoeker had een maatwerkvoorziening voor huishoudelijke hulp in de vorm van een pgb op grond van de Wmo 2015. Bij de Svb was een tekort van € 10,17 ontstaan, waardoor de zorgverlener niet kon worden betaald. Het college had verzoeker € 21,19 overgemaakt om het tekort aan te vullen, maar verzoeker weigerde dit bedrag aan de Svb over te maken. Verzoeker had geen connex bezwaar- of beroepschrift of connex besluit van het college overgelegd. Het spoedeisend belang ontbrak eveneens.
Kernpunt: Verzoek niet-ontvankelijk wegens ontbreken connexiteit en spoedeisend belang.
Rechtbank Overijssel 21 april 2026 (datum publicatie: 27 april 2026) (ECLI:NL:RBOVE:2026:2191)
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de intrekking van de maatwerkvoorziening voor beschermd wonen op grond van de Wmo 2015 met terugwerkende kracht ongegrond. Eiser had het college niet geïnformeerd over zijn Wlz-indicatie per 10 april 2024 en daarmee de inlichtingenverplichting geschonden. Het college was bevoegd tot intrekking op grond van artikel 2.3.10, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wmo 2015. De opeenstapeling van kosten waarmee eiser werd geconfronteerd was het gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting. Het besluit was noodzakelijk, geschikt en niet onevenredig.
Kernpunt: Intrekking beschermd wonen met terugwerkende kracht niet onevenredig bij schending inlichtingenverplichting over Wlz-indicatie.
Rechtbank Overijssel 21 april 2026 (datum publicatie: 24 april 2026) (ECLI:NL:RBOVE:2026:2201)
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de afwijzing van een aanvraag voor een tweepersoons opklapbaar bed op grond van de Wmo 2015 ongegrond. Het college had de aanvraag terecht afgewezen, omdat een tweepersoons opklapbaar bed een algemeen gebruikelijke voorziening is. De kosten ervan kunnen in het algemeen met een inkomen op minimumniveau worden gedragen. De stelling van eiseres dat zij door een opeenstapeling van kosten voor een veelvoud aan voorzieningen het bed niet kon betalen, leidde niet tot een ander oordeel. De rechtbank verwees voor financiële ondersteuning bij bijzondere medische omstandigheden naar de Participatiewet.
Kernpunt: Tweepersoons opklapbaar bed is algemeen gebruikelijk en bij kostenstapeling biedt de Participatiewet een voorziening.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23 april 2026 (datum publicatie: 28 april 2026) (ECLI:NL:RBZWB:2026:3310)
De voorzieningenrechter verklaarde het beroep tegen de afwijzing van een vervoersvoorziening in de vorm van een aangepaste auto op grond van de Wmo 2015 ongegrond en wees het verzoek om wijziging van de voorlopige voorziening af. Verzoekster had geen medewerking verleend aan het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.8, derde lid, van de Wmo 2015, waardoor haar vervoers- en ondersteuningsbehoefte niet konden worden vastgesteld.
Kernpunt: Vervoersvoorziening terecht geweigerd wegens het niet verlenen van medewerking aan het onderzoek.
Rechtbank Amsterdam 16 maart 2026 (datum publicatie: 13 april 2026) (ECLI:NL:RBAMS:2026:2884)
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de afwijzing van een aanvraag voor een gesloten buitenwagen op grond van de Wmo 2015 ongegrond. De adviezen van Argonaut waren zorgvuldig tot stand gekomen, inzichtelijk en begrijpelijk gemotiveerd. De arts had in het aanvullend advies toegelicht dat verblijf in de buitenlucht de kans op infecties niet vergroot, mits eiser rekening houdt met de weersomstandigheden. Eiser was aangewezen op een extra geveerde scootmobiel in combinatie met een AOV-pas voor rechtstreeks en alleenreizend vervoer. Daarmee werd een passende bijdrage geleverd aan zijn zelfredzaamheid.
Kernpunt: Geen medische noodzaak voor gesloten buitenwagen. Scootmobiel en AOV-pas vormen passende compensatie.
Rechtbank Gelderland 25 april 2024 (datum publicatie: 9 april 2026) (ECLI:NL:RBGEL:2024:2422)
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de afwijzing van een aanvraag voor een individuele vervoersvoorziening en vergoeding van legeskosten voor een gehandicaptenparkeerkaart op grond van de Wmo 2015 ongegrond. Het college had een onderzoek door het CBR naar de rijvaardigheid van eiser nodig mogen achten, nu uit het medisch advies van Argonaut bleek dat herbelevingen tijdens het autorijden niet waren uit te sluiten. Eiser had zonder redelijke grond geweigerd aan dit onderzoek mee te werken. De Wmo 2015 biedt geen grondslag voor vergoeding van legeskosten.
Kernpunt: Weigering medewerking aan CBR-onderzoek rechtvaardigt afwijzing vervoersvoorziening en Wmo biedt geen grondslag voor legeskosten.
Rechtbank Noord-Holland 24 maart 2026 (datum publicatie: 7 april 2026) (ECLI:NL:RBNHO:2026:3642)
De voorzieningenrechter wees het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de herziening van een maatwerkvoorziening begeleiding individueel in de vorm van een pgb op grond van de Wmo 2015 toe. Het college had onvoldoende kunnen toelichten waarom zeven maanden na toekenning van een driejarige indicatie een nieuw onderzoek was verricht. Aan het bestreden besluit lagen geen nieuwe feiten of omstandigheden ten grondslag. Het onderzoek was niet verricht door een medisch deskundige, terwijl de specifieke zorgvraag dat vereiste. De hardheidsclausule was ten onrechte als grondslag gehanteerd.
Kernpunt: Herziening pgb onvoldoende onderbouwd, geen nieuwe feiten en geen medisch deskundige bij onderzoek betrokken.
Rechtbank Oost-Brabant 9 april 2026 (datum publicatie: 16 april 2026) (ECLI:NL:RBOBR:2026:2253)
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de afwijzing van een aanvraag voor een woningaanpassing op grond van de Wmo 2015 gegrond. Het college had de aanvraag voor een inloopdouche ten onrechte afgewezen op de gronden dat eiser naar een niet-geschikte woning was verhuisd en dat de noodzaak tot ondersteuning voorzienbaar was. De rechtbank oordeelde dat niet was komen vast te staan dat de woning bij aankoop ongeschikt was. Het grillige verloop van de reumatoïde artritis maakte de hulpvraag niet voorzienbaar. De rechtbank voorzag zelf in de zaak.
Kernpunt: Woning niet ongeschikt bij aankoop en grillig ziekteverloop maakt hulpvraag niet voorzienbaar.
Rechtbank Overijssel 20 maart 2026 (datum publicatie: 7 april 2026) (ECLI:NL:RBOVE:2026:1563)
De voorzieningenrechter wees het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de beëindiging van een maatwerkvoorziening voor maatschappelijke opvang op grond van de Wmo 2015 af. Het college had onderbouwd dat verzoeker zich bestendig onvoldoende coöperatief en begeleidbaar opstelde. Op voorhand kon niet worden geconcludeerd dat het bestreden besluit in bezwaar niet in stand zou blijven. De beëindiging van de 24-uursvoorziening had geen zodanige gevolgen dat deze in redelijkheid geen optie was, nu verzoeker gebruik kon maken van dag- en nachtopvang.
Kernpunt: Beëindiging 24-uursvoorziening niet onredelijk bij onvoldoende coöperatief gedrag en beschikbaarheid dag- en nachtopvang.
Rechtbank Overijssel 16 april 2026 (datum publicatie: 17 april 2026) (ECLI:NL:RBOVE:2026:2119)
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de toekenning van een vervangende traplift aan de muurzijde van de trap op grond van de Wmo 2015 ongegrond. Na een descente achtte de rechtbank plaatsing aan de muurzijde niet in strijd met de bouwvoorschriften van het Bbl en dat eiseres veilig gebruik kon maken van de traplift. Het college mocht kiezen voor de goedkoopst adequate voorziening. De plicht van het college strekt zich niet uit tot incidentele situaties zoals storingen. De rechtbank wees partijen op de mogelijkheid van mediation.
Kernpunt: Traplift aan muurzijde is passende en goedkoopste adequate maatwerkvoorziening; niet in strijd met bouwvoorschriften.
Rechtbank Noord-Nederland 24 april 2026 (datum publicatie: 28 april 2026) (ECLI:NL:RBNNE:2026:1406)
De voorzieningenrechter verklaarde zich kennelijk onbevoegd. Een zorgaanbieder had het college verzocht haar te contracteren voor jeugdhulp als zorg in natura, eventueel door middel van een cliëntgebonden overeenkomst. De voorzieningenrechter oordeelde dat de brief van de zorgaanbieder geen aanvraag was in de zin van de Awb, nu uitsluitend een jeugdige of zijn ouders een voorziening op grond van de Jeugdwet kunnen aanvragen. De reactie van het college was daarom geen besluit en evenmin een schriftelijke weigering een besluit te nemen. Het al dan niet sluiten van een contract is een civiele kwestie waartegen bij de burgerlijke rechter kan worden opgekomen.
Kernpunt: Verzoek zorgaanbieder om contract is geen aanvraag dus reactie college is geen besluit.