Bewijslastverdeling en feitelijke grondslag als terugkerend knelpunt: in meerdere uitspraken oordeelde de rechter dat het college de intrekking of terugvordering onvoldoende had onderbouwd, met name waar observaties of getuigenverklaringen slechts een beperkte periode bestreken en niet konden dienen als grondslag voor de gehele te beoordelen periode.
Nadere afbakening van de reikwijdte van voorliggende voorzieningen: de Wet op de huurtoeslag is een voorliggende voorziening is voor huurkosten van onzelfstandige woonruimte. Ook de Zvw werd als voorliggende voorziening bevestigd bij eigen bijdragen voor orthopedische schoenen en brillenglazen.
Beperkte ruimte voor het evenredigheidsbeginsel bij dwingendrechtelijke bepalingen: meerdere uitspraken bevestigen dat bij gebonden bevoegdheden (zoals intrekking wegens detentie of verrekening conform de beslagvrije voet) geen plaats is voor een contra-legemtoepassing van het evenredigheidsbeginsel, tenzij sprake is van door de wetgever niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden.
Procedurele zorgvuldigheid verdient aandacht: een e-mail had als pro forma bezwaarschrift moeten worden aangemerkt. Daarnaast bestonden bij een voorzieningenrechter twijfels over de wettelijke grondslag voor gegevensdeling door de IND aan het college.
Participatiewet: uitspraken april
Centrale Raad van Beroep 24 maart 2026 (datum publicatie: 2 april 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:346)
De Raad oordeelde dat het college de handelsactiviteiten op Marktplaats terecht aan appellant had toegerekend. Appellant had onvoldoende onderbouwd dat derden zijn account hadden gebruikt. Het college had echter ten onrechte de bijstand over de gehele periode ingetrokken. De veertien advertenties waren slechts in negen van de zesentwintig maanden geplaatst. De onderzoeksbevindingen boden geen toereikende feitelijke grondslag voor het standpunt dat appellant ook in de maanden zonder advertenties handelsactiviteiten had verricht. De omstandigheid dat de vraagprijzen hoog waren, was niet relevant. Het hoger beroep was gedeeltelijk gegrond.
Kernpunt: Intrekking bijstand alleen gerechtvaardigd over maanden waarin daadwerkelijk advertenties op Marktplaats zijn geplaatst.
Rechtbank Den Haag 18 maart 2026 (datum publicatie: 1 april 2026) (ECLI:NL:RBDHA:2026:5728)
De rechtbank oordeelde dat het college de Bbz-uitkering terecht had ingetrokken en teruggevorderd. Eiseres had de gevraagde gegevens over het netto-inkomen uit haar onderneming niet verstrekt, ondanks herhaalde verzoeken. Dat eiseres de Nederlandse taal onvoldoende beheerste, ontsloeg haar niet van haar verplichtingen. Het lag op haar weg contact op te nemen met het college of hulp van derden in te roepen. Het college had bovendien in het Engels met eiseres gecorrespondeerd en eiseres had eerder vijfmaal met succes een TOZO-uitkering aangevraagd. Het beroep was ongegrond.
Kernpunt: Onvoldoende taalbeheersing ontslaat niet van de verplichting gevraagde gegevens te verstrekken.
Rechtbank Overijssel 4 februari 2026 (datum publicatie: 1 april 2026) (ECLI:NL:RBOVE:2026:537)
De rechtbank oordeelde dat het college de bijstandsuitkering terecht had herzien en teruggevorderd wegens niet-gemelde inkomsten uit online gokken. Het college had een begunstigende werkinstructie gehanteerd waarbij, in afwijking van vaste rechtspraak, de inleg in mindering was gebracht op de opbrengsten. De berekening was per maand gemaakt overeenkomstig artikel 45, eerste lid, van de PW. Eisers hadden geen bijzondere omstandigheid aangevoerd op grond waarvan het recht op bijstand niet per maand moest worden vastgesteld. Het beroep was ongegrond.
Kernpunt: Herziening en terugvordering wegens online gokken, begunstigende werkinstructie per maand berekend.
Rechtbank Rotterdam 3 februari 2026 (datum publicatie: 1 april 2026) (ECLI:NL:RBROT:2026:1447)
De voorzieningenrechter wees het herhaalde verzoek om een voorlopige voorziening tegen de blokkering van de bijstandsuitkering af. De IND had bevestigd dat verzoekster sinds 1 maart 2025 geen rechtmatig verblijf had (verblijfscode 41). Het college mocht uitgaan van de juistheid van de door de IND verstrekte verblijfsrechtelijke informatie. De door verzoekster aangevoerde gewijzigde omstandigheden, waaronder een medisch advies en een bezwaar tegen een eerder verblijfsrechtelijk besluit, vormden geen aanleiding om anders te oordelen dan in de eerdere uitspraak.
Kernpunt: Herhaald verzoek voorlopige voorziening afgewezen, geen gewijzigde omstandigheden ten opzichte van eerdere uitspraak.
Rechtbank Rotterdam 2 februari 2026 (datum publicatie: 1 april 2026) (ECLI:NL:RBROT:2026:1450)
De voorzieningenrechter wees het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de afwijzing van een bijstandsaanvraag af. Stroomopwaarts had op basis van bankafschriften vastgesteld dat sprake was van financiële verstrengeling tussen verzoeker en zijn stichting en had daarom terecht nadere financiële gegevens opgevraagd. Verzoeker had deze gegevens niet binnen de gestelde hersteltermijn overgelegd en had niet aannemelijk gemaakt dat hij daar niet toe in staat was. Van een verkapt fraudeonderzoek was geen sprake. De dakloosheid van verzoeker maakte dit niet anders.
Kernpunt: Financiële verstrengeling met stichting rechtvaardigt opvragen nadere gegevens bij bijstandsaanvraag.
Centrale Raad van Beroep 24 maart 2026 (datum publicatie: 8 april 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:385)
De Raad oordeelde dat het dagelijks bestuur de aanvragen om bijzondere bijstand voor een smartphone terecht had afgewezen. Bij de eerste aanvraag was sprake van schade in de zin van artikel 14, aanhef en onder c, van de PW. Bij de tweede aanvraag had appellant niet aannemelijk gemaakt dat een smartphone in zijn geval noodzakelijk was. Een gewone mobiele telefoon was wel noodzakelijk, maar appellant had niet met controleerbare en verifieerbare gegevens onderbouwd dat hij niet kon reserveren voor de kosten van circa € 25,-. Het hoger beroep slaagde uitsluitend ten aanzien van de proceskosten.
Kernpunt: Smartphone niet noodzakelijk en niet onderbouwd dat niet kon worden gereserveerd voor gewone mobiele telefoon.
Centrale Raad van Beroep 24 maart 2026 (datum publicatie: 8 april 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:384)
De Raad oordeelde dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit niet onredelijk laat was ingediend. Van communicatie waaruit kon worden afgeleid dat geen uitzicht op besluitvorming meer bestond, was niet gebleken. De Raad stelde de dwangsom vast op € 207,-. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op een aanvraag om energietoeslag was terecht niet-ontvankelijk verklaard. Aan de uitbetaling van de energietoeslag lag een besluit ten grondslag, zodat niet langer was voldaan aan het vereiste van artikel 6:12, tweede lid, onder a, van de Awb.
Kernpunt: Beroep niet onredelijk laat ingediend zolang uitzicht op besluitvorming niet verloren is gegaan.
Centrale Raad van Beroep 17 maart 2026 (datum publicatie: 8 april 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:379)
De Raad bevestigde de herziening, intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet-gemelde kasstortingen en bijschrijvingen van derden. Appellante had geen tegenbewijs geleverd dat de gelden aan haar broer toebehoorden. De in bezwaar overgelegde verklaringen van vrienden waren ontoereikend, omdat deze achteraf waren opgesteld, niet waren ondertekend en onvoldoende specifiek waren.
Kernpunt: Achteraf opgestelde, niet-ondertekende verklaringen ontoereikend als tegenbewijs bij kasstortingen en bijschrijvingen.
Rechtbank Overijssel 2 april 2026 (datum publicatie: 2 april 2026) (ECLI:NL:RBOVE:2026:1722)
De rechtbank oordeelde dat het college het bezwaar tegen de afwijzing van bijzondere bijstand voor verhuiskosten terecht kennelijk niet-ontvankelijk had verklaard wegens het ontbreken van bezwaargronden. Eiser had ondanks een geboden hersteltermijn geen gronden ingediend. Dat de herstelverzuimbrief in de spambox was terechtgekomen, was een omstandigheid die voor rekening en risico van eiser kwam. Eiser had hierop bedacht kunnen zijn en was bekend met de verplichting tijdig bezwaargronden aan te leveren.
Kernpunt: Herstelverzuimbrief in spambox komt voor rekening en risico van de bezwaarmaker.
Rechtbank Overijssel 30 maart 2026 (datum publicatie: 2 april 2026) (ECLI:NL:RBOVE:2026:1660)
De rechtbank oordeelde dat het college het verzoek om herziening van de toekenning van woonkostentoeslag had mogen afwijzen. Er was niet gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Het besluit kende weliswaar een motiveringsgebrek, nu het college niet was ingegaan op het verzoek om toekenning met terugwerkende kracht, maar de afwijzing van het herzieningsverzoek was niet evident onredelijk. Het oorspronkelijke besluit was niet onmiskenbaar onjuist. Het beroep was ongegrond.
Kernpunt: Motiveringsgebrek maakt afwijzing herzieningsverzoek woonkostentoeslag niet evident onredelijk.
Rechtbank Rotterdam 27 maart 2026 (datum publicatie: 3 april 2026) (ECLI:NL:RBROT:2026:3342)
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de afwijzing van bijzondere bijstand voor dieetkosten gegrond. Het college had in beroep alsnog erkend dat bijzondere bijstand voor de dieetnummers 13 en 19 kon worden toegekend voor de periode van 1 november 2024 tot en met 31 oktober 2025. Het standpunt van de medisch deskundige dat medicatie voorliggend was op een dieet, was na schorsing van het onderzoek ter zitting verlaten. Het verzoek van eiser om toekenning voor onbepaalde tijd slaagde niet, nu verbetering van zijn medische situatie niet volledig was uitgesloten.
Kernpunt: Bijzondere bijstand dieetkosten alsnog toegekend maar toekenning voor onbepaalde tijd niet aan de orde.
Rechtbank Den Haag 23 maart 2026 (datum publicatie: 6 april 2026) (ECLI:NL:RBDHA:2026:6431)
De rechtbank oordeelde dat het college de bijstandsuitkering terecht had herzien en teruggevorderd. De na een bedrijfsongeval ontvangen schadevergoeding ter compensatie van verlies van arbeidsvermogen was terecht aangemerkt als inkomen in de zin van artikel 32 van de PW. De aanspraak op de schadevergoeding diende te worden toegerekend aan de aanvangsdatum van de bijstand. De vergoeding voor huishoudelijke hulp was terecht als vermogen aangemerkt, nu eiser niet aannemelijk had gemaakt dat dit bedrag aan huishoudelijke hulp was of zou worden besteed. Het beroep was ongegrond.
Kernpunt: Schadevergoeding voor verlies arbeidsvermogen is inkomen voor bijstand.
Rechtbank Gelderland 5 december 2025 (datum publicatie: 10 april 2026) (ECLI:NL:RBGEL:2025:10487)
De rechtbank oordeelde dat het college de aanvraag om bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag terecht had afgewezen. Het college hanteerde tegenwettelijk begunstigend beleid, nu artikel 15, eerste lid, van de PW verlening van bijstand voor woonkosten niet toelaat vanwege de voorliggende voorziening van de Wet op de huurtoeslag. Het college had het beleid correct toegepast en eiser beschikte over voldoende draagkracht. Bij tegenwettelijk beleid bestaat geen ruimte om te toetsen of het college van dat beleid had moeten afwijken. Het beroep was ongegrond.
Kernpunt: Bij tegenwettelijk begunstigend beleid geen ruimte voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel.
Centrale Raad van Beroep 14 april 2026 (datum publicatie: 14 april 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:389)
De Raad oordeelde dat de Wht een voorliggende voorziening is voor de huurkosten van een onzelfstandige woonruimte en dat de wetgever een bewuste keuze heeft gemaakt om deze kosten niet te vergoeden. Anders dan de rechtbank had geoordeeld, bleek uit de wetsgeschiedenis van de Wht en haar voorlopers dat de uitsluiting niet uitsluitend op budgettaire gronden berustte, maar ook op overwegingen van kwaliteit, huurprijsopdrijving, frauderisico en uitvoeringstechnische belemmeringen. Het college had de aanvraag om bijzondere bijstand terecht afgewezen op grond van artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de PW.
Kernpunt: Wht is voorliggende voorziening; bewuste keuze wetgever om huurkosten onzelfstandige woonruimte niet te vergoeden.
Centrale Raad van Beroep 24 maart 2026 (datum publicatie: 16 april 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:397)
De Raad bevestigde de beëindiging, intrekking en terugvordering van bijstand. Appellante had de medewerkingsverplichting geschonden door een verhoor voortijdig te verlaten. Daarnaast had zij in strijd met de inlichtingenverplichting geen melding gemaakt van op geld waardeerbare activiteiten voor een bedrijf. Nu appellante geen administratie had bijgehouden, kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Bijzondere omstandigheden voor een eerdere ingangsdatum van de nieuw toegekende bijstand waren niet aannemelijk gemaakt. Het hoger beroep slaagde niet.
Kernpunt: Voortijdig verlaten verhoor en niet-gemelde op geld waardeerbare activiteiten rechtvaardigen beëindiging en intrekking.
Centrale Raad van Beroep 31 maart 2026 (datum publicatie: 16 april 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:394)
De Raad verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. Appellant had het college verzocht om ondersteuning bij zijn arbeidsinschakeling, maar woonde al geruime tijd niet meer in de betreffende gemeente. Op grond van artikel 40, eerste lid, van de PW diende appellant zich te wenden tot het college van zijn huidige woonplaats. Met de procedure kon appellant geen resultaat bereiken dat feitelijke betekenis voor hem kon hebben. Een formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van procesbelang.
Kernpunt: Geen procesbelang bij verzoek om arbeidsinschakeling na verhuizing naar andere gemeente.
Centrale Raad van Beroep 31 maart 2026 (datum publicatie: 16 april 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:398)
De Raad oordeelde dat de intrekking van de bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten wegens detentie in stand bleef. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW is dwingend geformuleerd. De stelling dat de kosten van bewindvoering tijdens detentie doorliepen, vormde geen bijzondere omstandigheid die een contra-legemtoepassing van het evenredigheidsbeginsel rechtvaardigde. Het hoger beroep slaagde niet.
Kernpunt: Doorlopende bewindvoeringskosten tijdens detentie vormen geen grond voor contra-legemtoepassing evenredigheidsbeginsel.
Rechtbank Noord-Nederland 30 maart 2026 (datum publicatie: 10 april 2026) (ECLI:NL:RBNNE:2026:983)
De rechtbank oordeelde dat het college het bezwaar tegen de wijziging van de bijstandsuitkering ten onrechte niet-ontvankelijk had verklaard. Eiseres had op 13 mei 2025, binnen de bezwaartermijn, een e-mail aan de gemeente gestuurd waaruit voldoende bleek dat zij het niet eens was met de hoogte van haar bijstandsuitkering. Het college had deze e-mail moeten aanmerken als een pro forma bezwaarschrift. De bezwarencommissie was in haar advies niet ingegaan op deze e-mail, hetgeen onzorgvuldig was. Het beroep was gegrond.
Kernpunt: E-mail met bezwaar tegen hoogte bijstand had als pro forma bezwaarschrift moeten worden aangemerkt.
Rechtbank Noord-Nederland 18 maart 2026 (datum publicatie: 10 april 2026) (ECLI:NL:RBNNE:2026:1028)
De rechtbank oordeelde dat het college onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat eiseres vanaf 1 januari 2018 een gezamenlijke huishouding voerde. De stelselmatige observaties waren slechts verricht in de periode van januari tot en met april 2024 en boden geen feitelijke grondslag voor de gehele te beoordelen periode. De getuigenverklaringen waren onvoldoende concreet en specifiek. De intrekking en terugvordering over de periode van 1 januari 2018 tot en met 30 april 2024 konden niet in stand blijven. De intrekking per 1 mei 2024 bleef wel in stand.
Kernpunt: Observaties en getuigenverklaringen bieden onvoldoende grondslag voor gezamenlijke huishouding over gehele periode.
Rechtbank Amsterdam 17 maart 2026 (datum publicatie: 13 april 2026) (ECLI:NL:RBAMS:2026:3314)
De rechtbank oordeelde dat de inkoop- en transportkosten bij de handel in auto-onderdelen terecht als verwervingskosten waren aangemerkt. Dat eiser de onderdelen pas na betaling door de klant inkocht, deed daaraan niet af. De kosten hielden verband met het verkrijgen van inkomsten uit de handelsactiviteit.
Kernpunt: Inkoop- en transportkosten bij autohandel zijn verwervingskosten, ook bij inkoop na betaling door klant.
Rechtbank Noord-Nederland 17 maart 2026 (datum publicatie: 15 april 2026) (ECLI:NL:RBNNE:2026:1054)
De voorzieningenrechter oordeelde dat het college maandelijks 5% van de bijstandsnorm inclusief vakantiegeld mocht inhouden ter verrekening van een terugvordering. Het college had niet meer verrekend dan de beslagvrije voet toeliet. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagde niet. De beslagvrije voet vloeit dwingend voort uit een wet in formele zin. Van bijzondere omstandigheden die niet door de wetgever zijn verdisconteerd, was niet gebleken. Het beroep was ongegrond en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen.
Kernpunt: Verrekening van 5% van de bijstandsnorm conform de beslagvrije voet is rechtmatig.
Rechtbank Overijssel 9 april 2026 (datum publicatie: 15 april 2026) (ECLI:NL:RBOVE:2026:1941)
De rechtbank oordeelde dat het college ten onrechte had aangenomen dat eiser een gezamenlijke huishouding voerde. Hoewel eiser en zijn huisgenoot hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, was niet voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg. De financiële verstrengeling ging niet verder dan het delen van woonlasten. Kosten werden nauwkeurig bijgehouden en verrekend. Eiser en zijn huisgenoot deden grotendeels hun eigen boodschappen en kookten afzonderlijk. Het college moest een nieuw besluit nemen met als uitgangspunt dat eiser als alleenstaande wordt aangemerkt.
Kernpunt: Geen gezamenlijke huishouding bij ontbreken van wederzijdse zorg ondanks gezamenlijk hoofdverblijf.
Centrale Raad van Beroep 31 maart 2026 (datum publicatie: 16 april 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:404)
De Raad oordeelde dat het college de aanvragen om bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage voor orthopedische schoenen en de kosten van een oogmeetkundig onderzoek en brillenglazen terecht had afgewezen. De Zvw was een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de PW. Van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW was geen sprake. Het beroep op het VN-Gehandicaptenverdrag slaagde evenmin.
Kernpunt: Zvw is voorliggende voorziening en beroep op VN-Gehandicaptenverdrag slaagt niet.
Centrale Raad van Beroep 31 maart 2026 (datum publicatie: 16 april 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:407)
De Raad oordeelde dat de intrekking van bijstand na opschorting en de intrekking en terugvordering wegens het ontbreken van hoofdverblijf op het uitkeringsadres in stand bleven. Het waterverbruik van circa 4 m³ per jaar was extreem laag en rechtvaardigde de vooronderstelling dat de woning niet werd bewoond. De Raad benadrukte dat eenmaal per dag doorspoelen van het toilet en eenmaal per week douchen reeds een waterverbruik oplevert dat niet ver af zit van de grens van 7 m³.
Kernpunt: Extreem laag waterverbruik rechtvaardigt vooronderstelling dat woning niet wordt bewoond.
Centrale Raad van Beroep 31 maart 2026 (datum publicatie: 16 april 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:399)
De Raad oordeelde dat de afwijzing van de aanvraag om bijstand in stand bleef. In de regiebrief was appellant voorgehouden dat de beroepsgronden uitsluitend zagen op de woon- en leefsituatie, terwijl de bestreden besluitvorming mede was gebaseerd op een onduidelijke financiële situatie. Appellant had geen aanleiding gezien te reageren op de regiebrief en had daarmee geen gronden geformuleerd tegen het oordeel van de rechtbank dat de financiële situatie onduidelijk was gebleven. Die onduidelijke financiële situatie was reeds voldoende draagkrachtig voor de afwijzing.
Kernpunt: Onduidelijke financiële situatie is zelfstandig dragende grond voor afwijzing bijstandsaanvraag.
Centrale Raad van Beroep 31 maart 2026 (datum publicatie: 16 april 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:406)
De Raad oordeelde dat de verlaging van de bijstand met 20% van het wettelijk minimumloon wegens het ontbreken van woonkosten niet onevenredig was. Het college had in zijn beleid aansluiting gezocht bij de basishuur die iedere huurder minimaal zelf moet dragen. Daarbij werd rekening gehouden met kosten die vergelijkbaar zijn met huur. De eenmalige kosten bij aanvang van de woonsituatie waren terecht niet als periodieke woonkosten aangemerkt. Appellante had niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van een zeer bijzondere situatie die individuele afstemming rechtvaardigde.
Kernpunt: Verlaging van 20% wegens ontbreken woonkosten niet onevenredig; aansluiting bij basishuur is redelijk.
Centrale Raad van Beroep 31 maart 2026 (datum publicatie: 16 april 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:405)
De Raad oordeelde dat de aanvraag om bijzondere bijstand voor stofferings- en inrichtingskosten terecht was afgewezen. De verhuizing was een keuze met voorzienbare gevolgen en appellante had kunnen reserveren. Daarnaast had appellante geen begin van bewijs geleverd dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was als bedoeld in artikel 4 van de Wet WIA. Uit de brief van de huisarts bleek dat de psychische klachten gerelateerd waren aan sociaalmaatschappelijke problemen.
Kernpunt: Voorzienbare verhuizing sluit bijzondere bijstand uit en psychische klachten door sociaalmaatschappelijke problemen zijn niet duurzaam.
Centrale Raad van Beroep 31 maart 2026 (datum publicatie: 16 april 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:400)
De Raad oordeelde dat de afwijzing van de bijstandsaanvraag wegens schending van de medewerkingsverplichting in stand bleef. Er was sprake van een redelijke grond voor het huisbezoek. Een eerdere aanvraag was afgewezen omdat de feitelijke woonsituatie niet overeenkwam met de opgave van appellant. Bij de nieuwe aanvraag had appellant niet gesteld dat sprake was van een gewijzigde situatie. De feitelijke woonsituatie kon niet op een minder belastende wijze worden vastgesteld. Dat appellant het huisbezoek niet kon voortzetten door medicatie was niet aannemelijk gemaakt.
Kernpunt: Redelijke grond voor huisbezoek bij eerdere afwijzing wegens afwijkende woonsituatie zonder gestelde wijziging.
Centrale Raad van Beroep 31 maart 2026 (datum publicatie: 16 april 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:402)
De Raad oordeelde dat de intrekking en terugvordering van bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting in stand bleven. Appellant had geen melding gemaakt van zijn inschrijving als voorzitter van een stichting bij de KvK en de op geld waardeerbare werkzaamheden die hij daarvoor had verricht. Het recht op bijstand kon niet worden vastgesteld, ook niet schattenderwijs, nu appellant geen administratie had bijgehouden en de bankafschriften van de stichting wezen op meer activiteiten dan door appellant gesteld. De bankafschriften waren niet als onrechtmatig verkregen bewijs aan te merken. De boete werd verlaagd van € 935,76 naar € 842,18 wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Kernpunt: Niet-gemelde inschrijving als voorzitter van een stichting bij de KvK en op geld waardeerbare werkzaamheden rechtvaardigen intrekking en terugvordering van bijstand.
Rechtbank Gelderland 10 april 2026 (datum publicatie: 16 april 2026) (ECLI:NL:RBGEL:2026:2726)
De rechtbank oordeelde dat het college de aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van een retourvliegticket naar Zuid-Afrika terecht had afgewezen op grond van het territorialiteitsbeginsel van artikel 11 van de PW. Dat de reis onderdeel vormde van een in Nederland gestart behandelingstraject, maakte niet dat de kosten aan Nederland waren gebonden. Van zeer dringende redenen was geen sprake. Er was geen ruimte voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel. Het beroep was ongegrond.
Kernpunt: Territorialiteitsbeginsel staat aan bijzondere bijstand voor vliegticket naar het buitenland in de weg.
Centrale Raad van Beroep 31 maart 2026 (datum publicatie: 22 april 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:418)
De Raad oordeelde dat de intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet-gemeld verblijf in het buitenland in stand bleven. Dat appellante voor de begrafenis van haar zus naar Curaçao moest en haar bewindvoerder het verblijf niet had gemeld, leverde geen zeer dringende redenen op als bedoeld in artikel 16 van de PW. Het college had bij de terugvordering een evenwichtige belangenafweging gemaakt. De dakloosheid en beëindiging van de bewindvoering waren niet het gevolg van de onderhavige terugvordering.
Kernpunt: Niet-gemeld verblijf in het buitenland rechtvaardigt intrekking en terugvordering; begrafenis en nalatigheid bewindvoerder leveren geen zeer dringende redenen op.
Rechtbank Rotterdam 16 april 2026 (datum publicatie: 23 april 2026) (ECLI:NL:RBROT:2026:4301)
De rechtbank oordeelde dat het college de bijstandsuitkering terecht had ingetrokken en teruggevorderd wegens detentie. Eiser had op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW geen recht op bijstand. Het evenredigheidsbeginsel stond niet aan de volledige terugvordering in de weg. De hoorplicht was geschonden doordat het college een te korte termijn in acht had genomen bij de uitnodiging voor de hoorzitting. De rechtbank passeerde dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, nu eiser hierdoor niet was benadeeld. Het beroep was ongegrond.
Kernpunt: Intrekking en terugvordering wegens detentie terecht en schending hoorplicht gepasseerd met artikel 6:22 Awb nu betrokkene niet is benadeeld.
Rechtbank Rotterdam 16 april 2026 (datum publicatie: 23 april 2026) (ECLI:NL:RBROT:2026:4299)
De rechtbank oordeelde dat het college de aanvraag om bijzondere bijstand voor studiekosten terecht had afgewezen. Het college had in beroep de grondslag gewijzigd van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de PW naar artikel 35, eerste lid, van de PW. Eiser was eerder geadviseerd een aanvraag om algemene bijstand in te dienen, maar had dit nagelaten. Daardoor had hij zijn inkomenssituatie niet tijdig gestabiliseerd en waren de kosten niet onvermijdelijk uit bijzondere omstandigheden ontstaan. Het beroep was gegrond wegens de gewijzigde grondslag, maar de rechtsgevolgen bleven in stand.
Kernpunt: Geen bijzondere omstandigheden nu eiser naliet algemene bijstand aan te vragen ondanks advies van het college.
Rechtbank Gelderland 17 april 2026 (datum publicatie: 23 april 2026) (ECLI:NL:RBGEL:2026:2979)
De rechtbank oordeelde dat het college de aanvraag om de eenmalige energietoeslag 2023 terecht had afgewezen. Eiser was directeur-grootaandeelhouder en kon redelijkerwijs beschikken over een maandelijks salaris van € 1.833,82 uit zijn onderneming. Dat dit slechts een papieren salaris betrof, deed daaraan niet af. Eiser had als DGA en enig bestuurder kunnen afdwingen dat het salaris werd uitbetaald in plaats van een lening van € 50.000,- aan zichzelf terug te betalen.
Kernpunt: Afwijzing energietoeslag terecht nu DGA redelijkerwijs kon beschikken over salaris uit eigen onderneming.
Rechtbank Den Haag 17 februari 2026 (datum publicatie: 24 april 2026) (ECLI:NL:RBDHA:2026:9378)
De rechtbank oordeelde dat het college de Tozo-terugvordering terecht had gebruteerd op grond van artikel 58, vijfde lid, van de PW. De vordering was niet mede of geheel door toedoen van het college ontstaan. Eiser behoorde niet tot de kring der rechthebbenden en had de inlichtingenplicht geschonden, hetgeen in rechte vaststond. Het dossier bood geen aanknopingspunten voor een verwijtbare handelwijze van het college. Het beroep was ongegrond, maar eiser kreeg het griffierecht vergoed wegens herziening van het bestreden besluit hangende beroep.
Kernpunt: Brutering Tozo-terugvordering terecht en vordering niet door toedoen van het college ontstaan.
Rechtbank Den Haag 10 april 2026 (datum publicatie: 24 april 2026) (ECLI:NL:RBDHA:2026:9370)
De rechtbank oordeelde dat het college de bijstandsuitkering terecht had ingetrokken en teruggevorderd. Uit de rittenregistratie van PostNL en de heimelijke observaties bleek dat eiser meer uren had gewerkt dan hij had opgegeven. De verklaringen van de werkgever en collega's waren onvoldoende om het beeld uit de rittenregistratie te weerleggen. De intrekking en terugvordering waren dwingendrechtelijk voorgeschreven. De nieuwe bijstandsaanvraag was eveneens terecht afgewezen. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel stuitte af op het gebonden karakter van de bevoegdheden.
Kernpunt: Intrekking en terugvordering bijstand terecht wegens niet-opgegeven gewerkte uren, beroep op evenredigheidsbeginsel stuit af op gebonden karakter bevoegdheden.
Rechtbank Rotterdam 17 april 2026 (datum publicatie: 24 april 2026) (ECLI:NL:RBROT:2026:4635)
De rechtbank oordeelde dat het college terecht een maatregel van 100% verlaging van de bijstand gedurende één maand had opgelegd. Eiser had onvoldoende meegewerkt aan de aangeboden voorziening tot arbeidsinschakeling. Hij was zonder toestemming twee weken naar het buitenland gegaan, had zich niet breder georiënteerd op de arbeidsmarkt en had een medische beoordeling afgezegd zonder medische gegevens te overleggen. Noch de PW noch de verordening schrijft voor dat eerst een waarschuwing moet worden gegeven. Het beroep was ongegrond.
Kernpunt: Maatregel van 100% terecht bij onvoldoende medewerking aan re-integratietraject, geen waarschuwing vereist.
Rechtbank Rotterdam 9 april 2026 (datum publicatie: 28 april 2026) (ECLI:NL:RBROT:2026:4432)
De voorzieningenrechter wees het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de opschorting van de bijstandsuitkering toe. Niet kon worden vastgesteld of de IND de verstrekte informatie, op grond waarvan het dagelijks bestuur een rechtmatigheidsonderzoek was gestart, binnen de wettelijke kaders had gedeeld. De voorzieningenrechter had twijfels of artikel 107, vierde lid, van de Vw 2000 voldoende grondslag bood voor de gegevensdeling. Na een belangenafweging woog het belang van verzoeker bij voortzetting van zijn bijstandsuitkering zwaarder dan het belang van het dagelijks bestuur.
Kernpunt: Twijfel over wettelijke grondslag gegevensdeling IND, opschorting bijstand geschorst na belangenafweging.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23 april 2026 (datum publicatie: 29 april 2026) (ECLI:NL:RBZWB:2026:3267)
De rechtbank oordeelde dat het college de bijstandsuitkering ten onrechte in de vorm van een lening had verstrekt op grond van artikel 48, tweede lid, onder a, van de PW. Eiser had consequent ontkend betrokken te zijn bij een Duitse onderneming en had aangifte gedaan van identiteitsfraude. De vermeende werkmaatschappij was failliet verklaard. Er waren onvoldoende aanknopingspunten om te concluderen dat eiser op korte termijn over voldoende middelen zou beschikken. De bijstand diende om niet te worden verstrekt. Het beroep op het vertrouwensbeginsel voor een eerdere ingangsdatum slaagde niet.
Kernpunt: Bijstand ten onrechte als lening verstrekt, onvoldoende aanknopingspunten voor beschikking over middelen op korte termijn.