Participatiewet: uitspraken maart
Centrale Raad van Beroep 27 januari 2026 (datum publicatie: 4 maart 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:163)
Samenvatting: De Raad oordeelde dat aannemelijk is dat appellant in auto's heeft gehandeld. In de periode van februari 2021 tot en met juni 2023 hadden 76 motorvoertuigen korte tijd op naam van appellant geregistreerd gestaan, waarvan 74 na beëindiging van de tenaamstelling zijn geëxporteerd. Het college had op juiste gronden het recht op bijstand over de te beoordelen maanden op nihil vastgesteld. Appellant had geen informatie verstrekt over zijn inkomsten, waarna het college aan de hand van de ANWB-koerslijst en informatie van platform Autoscout een schatting van de inkomsten had gemaakt. Het rechtmatigheidsonderzoek was niet gebaseerd op een discriminatoire selectie.
Kernpunt: Schending inlichtingenverplichting door niet melden van handelstransacties in auto's leidt tot intrekking en terugvordering.
Centrale Raad van Beroep 17 februari 2026 (datum publicatie: 5 maart 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:183)
Samenvatting: De Raad oordeelde dat het college niet aannemelijk had gemaakt dat de verdeelmodellen over de jaren 2017 tot en met 2022 tekortkomingen bevatten. De omstandigheid dat de gemeente Den Haag een uitbijter is op verschillende kenmerken die niet in het verdeelmodel zijn opgenomen, brengt niet zonder meer mee dat de tekorten daardoor zijn ontstaan. De budgetten bleven in stand. Wat betreft de vangnetuitkeringen over 2018 en 2019 oordeelde de Raad dat het vasthouden aan een absoluut normbedrag tot een onevenredig resultaat leidde. De Raad stelde de vangnetuitkeringen voor die jaren zelf vast.
Kernpunt: Geen tekortkoming in verdeelmodellen aangetoond; absoluut normbedrag bij vangnetuitkeringen leidt tot onevenredig resultaat.
Centrale Raad van Beroep 24 februari 2026 (datum publicatie: 4 maart 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:200)
Samenvatting: De Raad oordeelde dat het college er ten onrechte van was uitgegaan dat, nu appellanten de bijschrijvingen van in totaal € 6.700,- in mei 2019 niet hadden gemeld, het vervolgens aan hen was om aan te tonen dat zij nadien recht op bijstand hadden. Het college had daarmee niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan. De intrekking over mei 2019 en de intrekking per 5 mei 2020 bleven in stand. De afwijzingen van de individuele inkomenstoeslagen voor 2021 en 2022 bleven eveneens in stand.
Kernpunt: College heeft niet aan bewijslast voldaan door schending inlichtingenverplichting door te trekken naar latere periode.
Centrale Raad van Beroep 24 februari 2026 (datum publicatie: 4 maart 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:202)
Samenvatting: De Raad oordeelde dat het dagelijks bestuur terecht de bijstand had ingetrokken en teruggevorderd wegens extreem laag waterverbruik op het uitkeringsadres. Het waterverbruik van 2 m³ respectievelijk 1 m³ rechtvaardigde de vooronderstelling dat appellante niet haar hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. De omstandigheden dat appellante en haar kinderen nauwelijks douchten en zij niet iedere keer het toilet doorspoelde, waren onvoldoende om het extreem lage waterverbruik te verklaren. Appellante had de vooronderstelling niet weerlegd. De opgelegde boete was evenredig.
Kernpunt: Extreem laag waterverbruik niet weerlegd; vooronderstelling dat appellante niet op het uitkeringsadres woonde blijft in stand.
Centrale Raad van Beroep 24 februari 2026 (datum publicatie: 18 maart 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:220)
Samenvatting: De Raad oordeelde dat de onderzoeksbevindingen een toereikende feitelijke grondslag boden voor het standpunt dat appellant meer uren voor het postbedrijf had gewerkt dan uit de salarisspecificaties bleek. De enkele stelling dat andere personen op zijn werkaccount zouden hebben gewerkt, was onvoldoende om aan de juistheid van de overzichten van het postbedrijf te twijfelen. Appellant had bovendien zelf schriftelijk verklaard dat hij meer uren en dagen werkte. Het bezwaar tegen de boete was terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-aangetoonde tijdige terpostbezorging.
Kernpunt: Overzichten postbedrijf bieden toereikende grondslag; bezwaar tegen boete niet-ontvankelijk wegens niet-aangetoonde tijdige terpostbezorging.
Centrale Raad van Beroep 3 maart 2026 (datum publicatie: 18 maart 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:267)
Samenvatting: De Raad oordeelde dat het college op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW bevoegd was de kosten van bijstand terug te vorderen wegens een naderhand met terugwerkende kracht toegekende WIA-uitkering. Het college had bij de uitoefening van deze discretionaire bevoegdheid een evenwichtige belangenafweging gemaakt. Appellante had haar precaire financiële situatie en haar stelling dat zij gedupeerde is van de toeslagenaffaire op geen enkele wijze toegelicht en onderbouwd. De dringende redenentoets kon niet tot een ander resultaat leiden dan de evenredigheidstoets. Het hoger beroep slaagde niet.
Kernpunt: Evenwichtige belangenafweging bij terugvordering wegens naderhand ontvangen WIA-uitkering; dringende redenentoets leidt niet tot ander resultaat.
Centrale Raad van Beroep 3 maart 2026 (datum publicatie: 26 maart 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:284)
Samenvatting: De Raad oordeelde dat aannemelijk is dat appellante beschikte of redelijkerwijs kon beschikken over gouden sieraden. De sieraden bevonden zich in haar woning, zij had die gedragen, zij had in ieder geval een deel zelf aangeschaft en zij had de sieraden als haar eigendom geclaimd bij twee verzekeringsmaatschappijen. Appellante had in de aangifte van diefstal verklaard dat de gestolen gouden sieraden haar eigendom waren. De waarde van de sieraden lag boven de van toepassing zijnde grens van het vrij te laten vermogen. Er waren geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. Het hoger beroep slaagde niet.
Kernpunt: Beschikken over gouden sieraden boven de vermogensgrens leidt tot intrekking en terugvordering van bijstand.
Centrale Raad van Beroep 3 maart 2026 (datum publicatie: 18 maart 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:263)
Samenvatting: De Raad oordeelde dat het college terecht bijstand had toegekend vanaf 4 juli 2022 en niet met terugwerkende kracht tot 1 april 2022. Appellant had ten tijde van het inloopspreekuur op 1 april 2022 geen woon- of verblijfadres, zodat van een melding in de zin van artikel 44, tweede lid, van de PW geen sprake kon zijn geweest. Appellant had ook niet aannemelijk gemaakt dat hij op het inloopspreekuur een aanvraagformulier had ingevuld en ingediend. Van bijzondere omstandigheden die toekenning van bijstand met terugwerkende kracht rechtvaardigen, was niet gebleken. Het hoger beroep slaagde niet.
Kernpunt: Geen melding zonder geregistreerd adres; geen bijzondere omstandigheden voor bijstand met terugwerkende kracht.
Centrale Raad van Beroep 3 maart 2026 (datum publicatie: 18 maart 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:262)
Samenvatting: De Raad oordeelde dat het college terecht de bijstand had ingetrokken en teruggevorderd. Er bestond onvoldoende rechtstreeks verband om aan te nemen dat de op de bankrekening van appellant gestorte bedragen de bedragen waren die hij eerder had opgenomen. Het college had de gestorte en bijgeschreven bedragen terecht als inkomsten aangemerkt. Vanaf 3 februari 2021 had appellant een gezamenlijke huishouding gevoerd met zijn ex-echtgenote op grond van het onweerlegbaar rechtsvermoeden. De brutering van de terugvordering over 2020 was niet onrechtmatig. Er waren geen dringende redenen om van terugvordering af te zien.
Kernpunt: Stortingen terecht als inkomsten aangemerkt en gezamenlijke huishouding op grond van onweerlegbaar rechtsvermoeden vastgesteld.
Centrale Raad van Beroep 3 maart 2026 (datum publicatie: 18 maart 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:266)
Samenvatting: De Raad oordeelde dat het college terecht de bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten had toegekend vanaf 1 november 2021 en de aanvraag voor de periode daarvoor had afgewezen. Er was geen sprake van bijzondere omstandigheden die bijstandverlening met verdergaande terugwerkende kracht rechtvaardigden. Appellante had al vóór 15 november 2022 een aanvraag om bijzondere bijstand kunnen indienen. Dat zij die aanvraag eerder niet kansrijk achtte omdat de Raad zich nog niet had gebogen over het onderwerp van de Groningse Kredietbank als voorliggende voorziening, maakte dat niet anders. Het hoger beroep slaagde niet.
Kernpunt: Geen bijzondere omstandigheden voor verdergaande terugwerkende kracht; aanvraag had eerder kunnen worden ingediend.
Centrale Raad van Beroep 10 maart 2026 (datum publicatie: 26 maart 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:299)
Samenvatting: De voorzieningenrechter wees het verzoek om een voorlopige voorziening toe. Er was sprake van een reële dreiging van uithuiszetting wegens huurachterstand. De enkele registratie van een of meerdere ondernemingen in het handelsregister van de KvK betekent nog niet dat daarmee aannemelijk is gemaakt dat verzoeker op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht dan wel inkomsten heeft genoten. Het college had ter zitting niet kunnen toelichten op grond van welke feiten en omstandigheden aannemelijk is dat sprake is geweest van inkomsten dan wel op geld waardeerbare activiteiten.
Kernpunt: Enkele KvK-registratie onvoldoende om op geld waardeerbare activiteiten of inkomsten aannemelijk te maken.
Centrale Raad van Beroep 10 maart 2026 (datum publicatie: 26 maart 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:300)
Samenvatting: De Raad oordeelde dat appellante geen zelfstandig subject van bijstand is. Het recht op bijstand komt de echtgenoten op grond van artikel 11, vierde lid, van de PW gezamenlijk toe. De gesplitste betaling op grond van artikel 45, vierde lid, van de PW ziet enkel op de uitvoering van de wet en impliceert geen ondeelbaar individueel recht. De stelling dat het beslag niet kon worden gelegd op de helft van de gehuwdenbijstand die aan appellante werd uitbetaald, hield geen stand. Het beroep op het verbod van ontneming van eigendom slaagde evenmin.
Kernpunt: Geen zelfstandig subject van bijstand, gesplitste betaling impliceert geen ondeelbaar individueel recht en beslag op gehuwdenbijstand toegestaan.
Centrale Raad van Beroep 10 maart 2026 (datum publicatie: 26 maart 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:312)
Samenvatting: De Raad oordeelde dat het hoger beroep ten aanzien van de opgelegde arbeidsverplichtingen niet-ontvankelijk was wegens het ontbreken van procesbelang. De afwijzingen van de aanvragen om bijzondere bijstand bleven in stand. De Wmo 2015 was een voorliggende voorziening voor de eigen bijdrage en de Wsf 2000 voor de kosten van levensonderhoud. Het draagkrachtbeleid waarbij onderscheid wordt gemaakt naar de toepasselijke bijstandsnorm bleef binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling. Appellant had niet aannemelijk gemaakt dat zijn noodzakelijke bestaanskosten uitgingen boven de jongerennorm.
Kernpunt: Noodzakelijke bestaanskosten boven de jongerennorm niet aannemelijk gemaakt en draagkrachtbeleid niet onredelijk.
Centrale Raad van Beroep 10 maart 2026 (datum publicatie: 26 maart 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:304)
Samenvatting: De Raad oordeelde dat het college de bezwaren tegen de intrekking en terugvordering van bijstand ten onrechte niet-ontvankelijk had verklaard. Uit de informatie van PostNL bleek niet dat een afhaalbericht was achtergelaten bij de aangetekend verzonden brief met het verzoek om bezwaargronden in te dienen. Appellant was daardoor niet in de gelegenheid gesteld zijn verzuim te herstellen. De afwijzing van de nieuwe aanvraag om bijstand bleef in stand, nu appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.
Kernpunt: Vermoeden van bezorging aangetekende brief kan worden ontzenuwd
Centrale Raad van Beroep 10 maart 2026 (datum publicatie: 26 maart 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:314)
Samenvatting: De Raad oordeelde dat het college bij de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand op grond van artikel 12 (oud) van de PW ten onrechte had nagelaten een gericht onderzoek te verrichten naar de noodzakelijke bestaanskosten van de jongmeerderjarige appellant. Het college had de afwijzing ten onrechte gebaseerd op beleidsregels die uitsluitend zien op zelfstandig wonende jongeren, terwijl appellant bij zijn moeder inwoonde. De Raad voorzag zelf in de zaak door bijzondere bijstand toe te kennen.
Kernpunt: College heeft verplicht onderzoek naar bestaanskosten jongmeerderjarige ten onrechte nagelaten; niet-toepasselijke beleidsregels gehanteerd.
Rechtbank Amsterdam 3 maart 2026 (datum publicatie: 23 maart 2026) (ECLI:NL:RBAMS:2026:2132)
Samenvatting: De rechtbank oordeelde dat het college de bijstandsuitkering van eiser terecht had ingetrokken, herzien en teruggevorderd. Eiser had structureel kluswerkzaamheden verricht voor familie, vrienden en kennissen. De rechtbank kwalificeerde deze werkzaamheden als op geld waardeerbare activiteiten waarvoor in het economisch verkeer normaal gesproken een beloning wordt ontvangen of kan worden bedongen. Door dit niet te melden had eiser de inlichtingenverplichting geschonden. De terugvorderingsperiode was terecht vastgesteld tot de laatste contante geldstorting. Er waren geen dringende redenen om van terugvordering af te zien.
Kernpunt: Kluswerkzaamheden zijn op geld waardeerbaar en schending inlichtingenverplichting leidt tot intrekking en terugvordering.
Rechtbank Amsterdam 18 februari 2026 (datum publicatie: 19 maart 2026) (ECLI:NL:RBAMS:2026:1672)
Samenvatting: De rechtbank oordeelde dat het college de bijzondere bijstand voor de maandelijkse kosten van curatele op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW weliswaar terecht had ingetrokken wegens detentie, maar dat sprake was van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW. De curator was ook tijdens detentie onmisbaar voor eiseres. De kosten liepen door en het was niet aanvaardbaar dat eiseres na detentie met een onvermijdbare schuld zou worden geconfronteerd. Onduidelijk was gebleven of het ministerie van Justitie verantwoordelijk was voor deze kosten.
Kernpunt: Zeer dringende redenen voor bijzondere bijstand curatelekosten tijdens detentie; onduidelijkheid mag niet voor eiseres komen.
Rechtbank Amsterdam 20 februari 2026 (datum publicatie: 23 maart 2026) (ECLI:NL:RBAMS:2026:2135)
Samenvatting: De rechtbank oordeelde dat het Plan van aanpak op grond van artikel 44a van de PW passend was. Eiseres kon niet worden ontheven van de re-integratieverplichting van artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de PW. Het belastbaarheidsonderzoek door Argonaut was zorgvuldig tot stand gekomen. Bij de aanmelding bij het re-integratiebureau was rekening gehouden met de fysieke, mentale en veiligheidsbeperkingen van eiseres. Dat het Plan van aanpak gericht was op het zoeken van een betaalde baan betekende niet dat eiseres op dat moment betaald werk moest verrichten.
Kernpunt: Plan van aanpak passend; geen ontheffing mogelijk van de re-integratieverplichting van artikel 9, eerste lid, onderdeel b.
Rechtbank Amsterdam 9 januari 2026 (datum publicatie: 5 maart 2026) (ECLI:NL:RBAMS:2026:30)
Samenvatting: De rechtbank oordeelde dat het college de bijstandsuitkering van eiseres terecht had ingetrokken per 20 juni 2024. Eiseres was niet verschenen op gesprekken waarvoor zij per brief was uitgenodigd. Zij voerde aan dat het college de uitnodigingen ook naar haar bewindvoerder had moeten sturen. De rechtbank oordeelde dat het college hiertoe niet verplicht was. Uit vaste rechtspraak volgt dat het voor risico van de betrokkene komt als zij de voor haar bestemde en op de gebruikelijke wijze bezorgde post niet heeft ontvangen of geopend. Van onevenredig nadeel was niet gebleken.
Kernpunt: College niet verplicht uitnodigingen naar bewindvoerder te sturen; eiseres is zelf verantwoordelijk voor haar post.
Rechtbank Noord-Nederland 18 maart 2026 (datum publicatie: 24 maart 2026) (ECLI:NL:RBNNE:2026:859)
Samenvatting: De voorzieningenrechter wees het verzoek om een proceskostenveroordeling toe. Verzoekster had een verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken nadat het college had besloten haar alsnog een bijstandsuitkering toe te kennen. Het college was daarmee aan verzoekster tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb. Het uitgangspunt is dat het enkele feit dat het bestuursorgaan tegemoetkomt reden is om het verzoek om proceskostenveroordeling toe te wijzen.
Kernpunt: Tegemoetkoming door toekenning bijstand waarna vovo wordt ingetrokken leidt tot proceskostenveroordeling.
Rechtbank Den Haag 5 maart 2026 (datum publicatie: 19 maart 2026) (ECLI:NL:RBDHA:2026:4762)
Samenvatting: De rechtbank oordeelde dat eiser geen procesbelang meer had bij het beroep tegen de buitenbehandelingstelling van zijn bijstandsaanvraag en verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk. Het beroep tegen de toekenning van bijstand in de vorm van een geldlening was ongegrond. Het college had op goede gronden geconcludeerd dat sprake was van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Eiser had in negen maanden een vermogen van € 58.069,75 besteed, waaronder een donatie van € 20.000,-, terwijl redelijkerwijs voorzienbaar was dat hij een beroep op bijstand zou moeten doen.
Kernpunt: Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid door donatie van € 20.000,- rechtvaardigt bijstand als geldlening.
Rechtbank Den Haag 18 februari 2026 (datum publicatie: 5 maart 2026) (ECLI:NL:RBDHA:2026:3230)
Samenvatting: De rechtbank oordeelde dat het college de door eiser bewoonde boogkas had moeten aanmerken als woning in de zin van de PW. De boogkas beschikte over een eigen toegang, keuken, badkamer, woonvertrekken en eigen voorzieningen voor water, stroom en verwarming. Dat het gebruik als woning niet was toegestaan onder het bestemmingsplan, deed daaraan niet af. Het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen had buiten de vermogensvaststelling moeten blijven.
Kernpunt: Boogkas is woning in de zin van de PW
Rechtbank Den Haag 19 februari 2026 (datum publicatie: 5 maart 2026) (ECLI:NL:RBDHA:2026:3041)
Samenvatting: De rechtbank oordeelde dat het college terecht een maatregel van 50% gedurende één maand had opgelegd wegens ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Eiser had verwijtbaar algemeen geaccepteerde arbeid verloren. Hij had na eerdere waarschuwingen van zijn werkgever niet gereageerd op een bericht en zich niet ingezet om zijn baan te behouden. Dat eiser over het ontslag had geprocedeerd en geschikt, had hij niet onderbouwd. Van dringende redenen om de maatregel te matigen was niet gebleken.
Kernpunt: Maatregel van 50% terecht opgelegd wegens verwijtbaar verlies van algemeen geaccepteerde arbeid.
Rechtbank Noord-Nederland 21 januari 2026 (datum publicatie: 9 maart 2026) (ECLI:NL:RBNNE:2026:676)
Samenvatting: De rechtbank oordeelde dat de aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van beschermingsbewind terecht was afgewezen. Er waren geen gewijzigde omstandigheden ten opzichte van de eerdere afwijzing. Het college had beleidsvrijheid om de jonggehandicaptenkorting niet toe te passen en had deze op juiste gronden niet meegenomen in de draagkrachtberekening. De kosten van de apotheek en de eigen bijdrage waren geen verplichte inhoudingen op het inkomen als bedoeld in artikel 31, derde lid, aanhef en onder d, van de PW.
Kernpunt: jonggehandicaptenkorting niet toepassen is discretionaire bevoegdheid van het college.
Rechtbank Limburg 12 maart 2026 (datum publicatie: 17 maart 2026) (ECLI:NL:RBLIM:2026:2379)
Samenvatting: De voorzieningenrechter oordeelde dat eiser weliswaar was vrijgesteld van de arbeidsverplichtingen op grond van artikel 9, eerste lid, onder a en c, van de PW, maar dat de verplichting om mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling op grond van artikel 9, eerste lid, onder b, van de PW van rechtswege aan de uitkering verbonden bleef. De eerder door een andere gemeente verleende tijdelijke vrijstelling belette niet dat het dagelijks bestuur opnieuw kon kijken naar de mogelijkheden voor arbeidsdeelname.
Kernpunt: Verplichting tot meewerken aan onderzoek arbeidsinschakeling geldt van rechtswege bij bijstandsuitkering.
Rechtbank Amsterdam 6 maart 2026 (datum publicatie: 24 maart 2026) (ECLI:NL:RBAMS:2026:2326)
Samenvatting: De rechtbank oordeelde dat het college ten onrechte de dagvaardingskosten niet noodzakelijk had geacht. Het college had te indringend getoetst, terwijl het gelet op het in artikel 6 van het EVRM neergelegde recht op toegang tot de rechter juist terughoudend had moeten toetsen. Het college had zich moeten beperken tot de beoordeling of de procedure op voorhand kansloos was. Dat was niet gebleken. De verklaring van de deurwaarder was daarvoor onvoldoende. Het beroep was gegrond wegens strijd met het motiveringsbeginsel.
Kernpunt: Te indringende toetsing noodzaak dagvaardingskosten in strijd met recht op toegang tot de rechter.
Rechtbank Amsterdam 5 maart 2026 (datum publicatie: 31 maart 2026) (ECLI:NL:RBAMS:2026:2549)
Samenvatting: De rechtbank oordeelde dat verweerder de bijstand over de periode van 31 december 2018 tot en met 10 april 2024 terecht had ingetrokken en teruggevorderd. Verweerder mocht gebruik maken van zijn onderzoeksbevoegdheden en de bevindingen van de toezichthouders die de politie hadden vergezeld bij de binnentreding. Het extreem hoge energieverbruik vanaf december 2018 rechtvaardigde de conclusie dat eiser gedurende de gehele periode een hennepkwekerij in zijn woning had. Eiser had de inlichtingenverplichting geschonden.
Kernpunt: Hoog energieverbruik rechtvaardigt conclusie hennepkwekerij; inlichtingenverplichting geschonden over gehele periode.
Rechtbank Noord-Nederland 18 maart 2026 (datum publicatie: 31 maart 2026) (ECLI:NL:RBNNE:2026:1029)
Samenvatting: De rechtbank oordeelde dat het college niet bevoegd was de kosten van algemene en bijzondere bijstand mede van eiser terug te vorderen op grond van artikel 59, tweede lid, van de PW. In de samenhangende zaak had de rechtbank geoordeeld dat de onderzoeksresultaten onvoldoende feitelijke grondslag boden voor het standpunt dat eiser vanaf 1 januari 2018 zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Het bestreden besluit werd vernietigd.
Kernpunt: Onvoldoende feitelijke grondslag voor hoofdverblijf; medeterugvordering niet bevoegd vastgesteld.
Rechtbank Oost-Brabant 16 maart 2026 (datum publicatie: 19 maart 2026) (ECLI:NL:RBOBR:2026:1664)
Samenvatting: De rechtbank oordeelde dat het college terecht het recht op bijstand had herzien en een bedrag van € 6.286,46 bruto had teruggevorderd. Het college had aannemelijk gemaakt dat eiser in de periode van 6 februari 2023 tot en met 27 november 2023 niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Het college mocht uitgaan van de juistheid van de op ambtseed opgemaakte en door eiser ondertekende verklaring. Het lage gas-, water- en lichtverbruik sloot aan bij deze verklaring. De kostendelersnorm was op goede gronden toegepast.
Kernpunt: Op ambtseed opgemaakte verklaring en laag energieverbruik bevestigen dat eiser niet op uitkeringsadres woonde.
Rechtbank Rotterdam 12 maart 2026 (datum publicatie: 19 maart 2026) (ECLI:NL:RBROT:2026:2392)
Samenvatting: De rechtbank oordeelde dat het college de duur van de ontheffing van de arbeidsverplichtingen in redelijkheid had kunnen vaststellen op twee jaar. Eiser had met een enkele verwijzing naar zijn klachten en eerder afgegeven ontheffingen geen begin van bewijs geleverd dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was als bedoeld in artikel 4 van de Wet WIA. Hij had geen medische stukken overgelegd die zijn standpunt ondersteunen. Het beleid om bij niet-duurzame arbeidsongeschiktheid een ontheffing voor maximaal twee jaar te verlenen was niet onredelijk.
Kernpunt: Geen begin van bewijs van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid; ontheffing van twee jaar niet onredelijk.
Rechtbank Overijssel 27 februari 2026 (datum publicatie: 4 maart 2026) (ECLI:NL:RBOVE:2026:1097)
Samenvatting: De rechtbank oordeelde dat eiseres voor het merendeel van de bijschrijvingen van haar moeder in de periode van 28 juni 2021 tot en met 29 september 2022 de inlichtingenplicht niet had geschonden. Gelet op de hoogte van de bedragen en het feit dat het geld was gebruikt voor de gezamenlijke huishouding, de verzorging van de katten en de aanschaf van huishoudelijke artikelen, hoefde eiseres deze bijschrijvingen niet te melden. Voor twee bedragen van € 900,- en € 1.000,- had eiseres de inlichtingenplicht wel geschonden. De herziening, terugvordering en boete konden niet in stand blijven. Het beroep was gegrond.
Kernpunt: Bijschrijvingen moeder voor gezamenlijke huishoudkosten hoefden grotendeels niet te worden gemeld.
Rechtbank Rotterdam 4 maart 2026 (datum publicatie: 11 maart 2026) (ECLI:NL:RBROT:2026:2114)
Samenvatting: De rechtbank oordeelde dat het college de bijstandsuitkering terecht in de vorm van een lening had toegekend. Eiser beschikte over een lijfrentepolis die als middel (vermogen) voor de bijstand werd aangemerkt. De polis voldeed niet aan de voorwaarden van artikel 15, tweede lid, onder b, van de PW, omdat de ingangsdatum vóór de pensioengerechtigde leeftijd viel. Dat de polis bij het afsluiten wel aan de voorwaarden voldeed, kon niet aan het college worden tegengeworpen. Het beroep was ongegrond.
Kernpunt: Lijfrentepolis terecht als vermogen aangemerkt en bijstand terecht in de vorm van een lening verstrekt.
Rechtbank Rotterdam 6 februari 2026 (datum publicatie: 17 maart 2026) (ECLI:NL:RBROT:2026:2066)
Samenvatting: De rechtbank oordeelde dat er geen bijzondere omstandigheden waren die rechtvaardigden dat de bijstandsuitkering op een eerdere datum dan de aanvraagdatum van 29 november 2024 moest worden toegekend. Dat eiseres niet wist wanneer zij de aanvraag kon indienen, was geen bijzondere omstandigheid. Bijstandbehoevende omstandigheden op zichzelf rechtvaardigen geen afwijking van de hoofdregel. Een gebrek aan voorlichting van de zijde van het college evenmin. Het nieuwe artikel 44, vijfde lid, van de PW was ten tijde van het bestreden besluit nog geen geldend recht.
Kernpunt: Geen bijzondere omstandigheden voor toekenning van bijstand vóór de aanvraagdatum.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25 maart 2026 (datum publicatie: 31 maart 2026) (ECLI:NL:RBZWB:2026:2194)
Samenvatting: De rechtbank verklaarde het beroep wegens niet tijdig beslissen kennelijk gegrond. Het college had niet binnen de redelijke beslistermijn van acht weken beslist op de aanvraag om bijzondere bijstand van 11 augustus 2025. Dat het college de gemachtigde van eiser eerder had geweigerd op grond van artikel 2:2 van de Awb, bleek niet uit het eerdere besluit. De gemachtigde kon met een nieuwe volmacht een nieuwe aanvraag indienen. De rechtbank stelde de bestuurlijke dwangsom vast op het maximale bedrag van € 1.442,- en legde een nadere dwangsom op van € 100,- per dag.
Kernpunt: Niet tijdig beslist op aanvraag bijzondere bijstand en maximale bestuurlijke dwangsom vastgesteld.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11 februari 2026 (datum publicatie: 5 maart 2026) (ECLI:NL:RBZWB:2026:867)
Samenvatting: In deze tussenuitspraak oordeelde de rechtbank dat het college onvoldoende onderzoek had verricht naar de meerkosten van het medisch noodzakelijke dieet van eiser. De verzekeringsarts van de ingeschakelde stichting had de meerkosten niet kunnen specificeren. Het college had vervolgens aanvullend onderzoek moeten verrichten en kon niet volstaan met de conclusie dat de meerkosten niet waren aangetoond. Bovendien diende het college te beoordelen of betaling van de kosten van eiser gevergd kon worden, gelet op de overige medische kosten die hij uit de algemene bijstandsnorm moet betalen. Het college kreeg de gelegenheid het gebrek te herstellen.
Kernpunt: Onvoldoende onderzoek naar meerkosten dieet, het college had niet mogen volstaan met constatering dat meerkosten niet zijn aangetoond.
Rechtbank Rotterdam 4 maart 2026 (datum publicatie: 19 maart 2026) (ECLI:NL:RBROT:2026:2881)
Samenvatting: De rechtbank oordeelde dat het college de bijstandsaanvraag van eiseres terecht had afgewezen. De toezegging in de procedure over het briefadres dat eiseres gedurende drie maanden geen reactie hoefde te geven op vragen over haar verblijfplaats, betekende niet dat zij in het kader van haar bijstandsaanvraag geen duidelijkheid hoefde te geven over haar feitelijke verblijfplaats. Eiseres had het verblijfsformulier niet ingevuld. Pintransacties en overige informatie duidden erop dat het zwaartepunt van haar leven niet in Ridderkerk lag.
Kernpunt: Toezegging in briefadresprocedure ontslaat niet van verplichting duidelijkheid te geven over verblijfplaats bij bijstandsaanvraag.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27 februari 2026 (datum publicatie: 12 maart 2026) (ECLI:NL:RBZWB:2026:1284)
Samenvatting: De rechtbank oordeelde dat Baanbrekers terecht had geweigerd aan eiser een individuele inkomenstoeslag toe te kennen. Eisers inkomen over 2024 bedroeg meer dan 105% van de voor hem als alleenstaande geldende bijstandsnorm. Dat eiser een Wajong-uitkering ontving met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100% maakte dat niet anders. De door eiser genoemde omstandigheden vormden geen bijzonder geval in de zin van de hardheidsclausule. Van een onevenwichtige belangenafweging was geen sprake.
Kernpunt: Inkomen boven 105% van de bijstandsnorm; individuele inkomenstoeslag terecht geweigerd.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19 maart 2026 (datum publicatie: 27 maart 2026) (ECLI:NL:RBZWB:2026:1994)
Samenvatting: In deze tussenuitspraak oordeelde de rechtbank dat Orionis de bijstandsuitkering van eiseres op goede gronden had beëindigd en ingetrokken wegens schending van de inlichtingenplicht over haar hoofdverblijf, verblijf in het buitenland en ontvangen geldbedragen. Ten aanzien van de terugvordering had Orionis echter onvoldoende rekening gehouden met de ernstige psychische gevolgen voor eiseres. Uit medische informatie bleek dat de besluiten hadden geleid tot psychische decompensatie. Orionis kreeg via een bestuurlijke lus de gelegenheid een nieuwe belangenafweging te maken.
Kernpunt: Beëindiging en intrekking terecht maar bij terugvordering onvoldoende rekening gehouden met psychische gevolgen.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11 maart 2026 (datum publicatie: 18 maart 2026) (ECLI:NL:RBZWB:2026:1619)
Samenvatting: De rechtbank oordeelde dat het college de bijstandsaanvraag op goede gronden had afgewezen. Eisers hadden onvoldoende duidelijkheid verschaft over mogelijk vermogen in Irak. Op het Facebook-account van eiser was onroerend goed te koop aangeboden. De overgelegde verklaringen van familieleden en koopovereenkomsten waren onvoldoende verifieerbaar. Eisers hadden geen kadastrale uittreksels overgelegd en inconsistente verklaringen afgelegd. Het beroep tegen de toekenning op grond van artikel 16 van de PW was niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang.
Kernpunt: Onvoldoende duidelijkheid over vermogen in Irak en recht op bijstand niet vast te stellen.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19 februari 2026 (datum publicatie: 5 maart 2026) (ECLI:NL:RBZWB:2026:1127)
Samenvatting: De rechtbank oordeelde dat het beroep gegrond was. Het college had het verzoek om kwijtschelding van een openstaande schuld afgewezen op grond van beleid dat kwijtschelding bij fraudevorderingen geheel uitsluit. De rechtbank oordeelde dat een beleidsregel die toepassing van een bij wet geregelde begunstigende bevoegdheid volledig uitsluit, de toets van een redelijke beleidsbepaling niet kan doorstaan. Het bestreden besluit werd vernietigd wegens een motiveringsgebrek. Het college werd opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.
Kernpunt: Beleid dat kwijtschelding bij fraudevorderingen volledig uitsluit, kan de redelijkheidstoets niet doorstaan.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11 maart 2026 (datum publicatie: 20 maart 2026) (ECLI:NL:RBZWB:2026:1836)
Samenvatting: De voorzieningenrechter oordeelde dat het college terecht had vastgesteld dat verzoekers geen hoofdverblijf meer hadden in de gemeente Tilburg. Verzoekers woonden al ruim een half jaar niet meer in Tilburg en hadden geen concreet zicht op terugkeer. De intrekking met terugwerkende kracht per 1 november 2025 was echter onvoldoende gemotiveerd. De afwijzing van de bijzondere bijstand berustte op een onjuiste grond. Het college kreeg via een bestuurlijke lus de gelegenheid de gebreken te herstellen.
Kernpunt: Geen hoofdverblijf meer in gemeente maar intrekking met terugwerkende kracht onvoldoende gemotiveerd.
Rechtbank Rotterdam 19 februari 2026 (datum publicatie: 23 maart 2026) (ECLI:NL:RBROT:2026:2993)
Samenvatting: De voorzieningenrechter wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Het college had de aanvraag om ontheffing van de arbeidsverplichtingen en tegenprestatie terecht afgewezen. Verzoekster stelde dat zij vanwege mantelzorg voor haar chronisch zieke partner niet kon werken. De voorzieningenrechter oordeelde dat mantelzorg volgens vaste rechtspraak geen dringende reden vormt voor ontheffing. Verzoekster had niet onderbouwd dat de zorg zo intensief was dat zij niet kon participeren, noch dat uitbesteding van zorgtaken via een pgb of zorg in natura niet mogelijk was.
Kernpunt: Mantelzorg is volgens vaste rechtspraak geen dringende reden voor ontheffing van de arbeidsverplichtingen.