Participatiewet: strategische lessen uit de jurisprudentie van juni 2026

9 juli 2026

Deze blog biedt een overzicht van de belangrijkste uitspraken en lessen uit de jurisprudentie van de maand juni op het gebied van de Participatiewet. Voor iedere zaak vindt u een korte samenvatting en het belangrijkste kernpunt. Dit overzicht wordt maandelijks bijgewerkt met de update van nieuwe maand.

Ralph Tak
Ralph Tak
Advocaat - Senior
Laura Rat
Laura Rat
Advocaat
In dit artikel
In het kort

Motiveringsgebreken en belangenafweging bij terugvordering: in meerdere uitspraken werd het bestreden besluit vernietigd wegens het ontbreken van een deugdelijke motivering of een kenbare belangenafweging. Het college moet bij terugvordering alle relevante omstandigheden meewegen, waaronder het aandeel van de betrokkene in de ontstane situatie.

Reserveringsmogelijkheid bij bijzondere bijstand: afwijzingen voor bijzondere bijstand voor onder meer een wasmachine, koelkast en baby-uitzet bleven in stand omdat niet aannemelijk was gemaakt dat reserveren niet mogelijk was. Het enkele hebben van een daklozenuitkering of psychische problematiek volstond niet ter onderbouwing van reserveringsonmogelijkheid.

Proportionaliteit van onderzoeksbevoegdheden: in enkele zaken werd het bestreden besluit geschorst wegens een disproportionele uitoefening van onderzoeksbevoegdheden. Zo oordeelde de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam dat het opvragen van bankafschriften over een periode van 15 maanden niet in een redelijke verhouding stond tot het daarmee te dienen doel.

Vaststelling van het hoofdverblijf: diverse uitspraken betroffen de vraag of de betrokkene zijn of haar hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. Extreem laag waterverbruik vormde daarbij een belangrijke aanwijzing. De reden voor verblijf elders, zoals mantelzorg of verzorging van zieke kinderen, was voor de vaststelling van het hoofdverblijf niet relevant. 

Participatiewet: uitspraken juni

Rechtbank Noord-Nederland 20 mei 2026 (datum publicatie: 1 juni 2026) (ECLI:NL:RBNNE:2026:2017)

De voorzieningenrechter oordeelde dat het college de bijstandsaanvraag terecht buiten behandeling had gesteld. Verzoeker had geen bewijsstukken overgelegd van bankrekeningen bij een Litouwse bank die op zijn naam stonden. Hoewel verzoeker stelde dat zijn bewindvoerder contact had gehad met de bank, ontbrak elk bewijs dat adequate juridische stappen waren ondernomen om de bankafschriften te verkrijgen. Dat verzoeker inmiddels via een applicatie toegang had tot de rekeningen, maakte niet dat hij de benodigde gegevens had verstrekt. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen.

Kernpunt: De buitenbehandelingstelling was terecht wegens het ontbreken van bankgegevens van buitenlandse rekeningen.

Centrale Raad van Beroep 26 mei 2026 (datum publicatie: 2 juni 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:696)

De Raad oordeelde dat het college de aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van een wasmachine terecht had afgewezen. Appellant had niet aannemelijk gemaakt dat hij niet had kunnen reserveren. Hij beschikte sinds 2014 over de te vervangen wasmachine en had sindsdien structureel inkomen op ten minste minimumniveau. Daarnaast ontving hij zorgtoeslag, huurtoeslag en eenmalige energietoeslagen. De schulden aan het college en de belastingdienst waren pas in 2022 respectievelijk later ontstaan en konden hoogstens een minimale impact hebben gehad op de reserveringsmogelijkheid. Het hoger beroep slaagde niet.

Kernpunt: Structureel inkomen en late schulden maken reserveren voor wasmachine mogelijk.

Centrale Raad van Beroep 26 mei 2026 (datum publicatie: 12 juni 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:726)

De Raad oordeelde dat het college de aanvraag om bijzondere bijstand voor naturalisatiekosten terecht had afgewezen. Appellante wenste met de Nederlandse nationaliteit sneller haar zieke dochter in het Verenigd Koninkrijk te kunnen bezoeken. De Raad oordeelde dat de naturalisatiekosten niet noodzakelijk waren in de zin van artikel 35, eerste lid, van de PW.

Kernpunt: De naturalisatiekosten waren niet noodzakelijk, omdat ook met de Nederlandse nationaliteit soortgelijke reisobstakels bestaan.

Centrale Raad van Beroep 26 mei 2026 (datum publicatie: 12 juni 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:724)

De Raad oordeelde dat het college het bezwaar tegen de brief van 14 december 2023 terecht niet-ontvankelijk had verklaard. De brief was een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 van de Awb. Op grond van artikel 8:4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb kan geen beroep worden ingesteld tegen een aanmaning. Gelet op artikel 7:1 van de Awb was ook geen bezwaar mogelijk. Het hoger beroep slaagde niet.

Kernpunt: De brief is een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 Awb, waartegen geen bezwaar of beroep mogelijk is.

Rechtbank Den Haag 30 april 2026 (datum publicatie: 12 juni 2026) (ECLI:NL:RBDHA:2026:14618)

De voorzieningenrechter oordeelde dat het college de aanvraag om een bijstandsuitkering voor daklozen terecht had afgewezen. Eiser had onvoldoende duidelijk gemaakt waar hij in de te beoordelen periode had verbleven. Het opgegeven adres bestond niet en het hoofdverblijf van een aanvrager die stelt in een camper te verblijven, is niet controleerbaar. De politie had verklaard dat langdurig parkeren van een camper in Den Haag nagenoeg onmogelijk is. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel stuitte af op het gebonden karakter van de bevoegdheid. Het beroep was ongegrond.

Kernpunt: Hoofdverblijf in camper is niet controleerbaar.

Rechtbank Midden-Nederland 26 mei 2026 (datum publicatie: 15 juni 2026) (ECLI:NL:RBMNE:2026:2866)

De rechtbank oordeelde dat het college de aanvragen om bijstand inhoudelijk terecht had afgewezen. Na eerdere intrekking wegens niet-gemelde handelsactiviteiten en inkomsten hadden eisers niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van gewijzigde omstandigheden. De overgelegde bankafschriften toonden slechts twee saldi en gaven onvoldoende inzicht in de financiële situatie. Eisers hadden hun ontkenning van voortgezette schoenenhandel niet onderbouwd.

Kernpunt: Na de eerdere intrekking is niet aannemelijk gemaakt dat de handelsactiviteiten zijn beëindigd.

Rechtbank Midden-Nederland 22 mei 2026 (datum publicatie: 17 juni 2026) (ECLI:NL:RBMNE:2026:3070)

De rechtbank oordeelde dat het college de aanvraag om bijzondere bijstand voor acupunctuurkosten terecht had afgewezen. De Zvw was een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de PW. Dat eerder buitenwettelijk begunstigend beleid was gevoerd, maakte dit niet anders. Het college had dit beleid mogen wijzigen. Van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW was geen sprake. Uit de medische rapportage van Argonaut bleek niet dat zich een acute noodsituatie voordeed. Het beroep was ongegrond.

Kernpunt: Zvw is voorliggende voorziening voor acupunctuur.

Centrale Raad van Beroep 9 juni 2026 (datum publicatie: 19 juni 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:767)

De Raad oordeelde dat de intrekking en terugvordering van bijstand wegens te lang verblijf in het buitenland in stand bleven. Appellante had niet aannemelijk gemaakt dat zij in een acute noodsituatie verkeerde. Dat zij met het oog op mogelijke besmetting van medepassagiers met covid-19 later naar Nederland was teruggekeerd, was daarvoor onvoldoende. Appellante had evenmin aannemelijk gemaakt dat zij op Bonaire in een behoeftige omstandigheid verkeerde die alleen door bijstandverlening ongedaan kon worden gemaakt. Van zeer dringende redenen was geen sprake.

Kernpunt: Covid-besmettingsrisico medepassagiers levert geen zeer dringende redenen op.

Centrale Raad van Beroep 9 juni 2026 (datum publicatie: 19 juni 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:770)

De Raad oordeelde dat het college de bijstand terecht had ingetrokken omdat appellant zijn hoofdverblijf buiten de gemeente had. Uit waarnemingen en de verklaring van appellant bleek dat hij vanaf 16 september 2020 vrijwel permanent bij zijn vrouw en kinderen in diverse AZC's verbleef. De reden hiervoor, namelijk de verzorging van zijn aan het Spata-5-syndroom lijdende kinderen, was voor de vraag waar appellant zijn hoofdverblijf had niet relevant. Artikel 40 van de PW is dwingendrechtelijk en kent geen uitzonderingsmogelijkheid. Het hoger beroep slaagde niet.

Kernpunt: Reden voor verblijf elders is niet relevant voor vaststelling hoofdverblijf.

Centrale Raad van Beroep 26 mei 2026 (datum publicatie: 2 juni 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:685)

De Raad oordeelde dat de herziening van de bijstand naar de kostendelersnorm in stand bleef. De artikelen 22a en 19a van de PW zijn dwingendrechtelijk van aard en bieden, buiten de in artikel 19a, eerste lid, onder a tot en met d vermelde situaties, geen ruimte om af te wijken van de kostendelersnorm. Met de enkele stelling dat appellante een inkomen had onder de bijstandsnorm en haar zoon niet kon bijdragen in de kosten van levensonderhoud, had appellante niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van een zeer bijzondere situatie voor toepassing van artikel 18, eerste lid, van de PW. Het college hoefde niet te anticiperen op de wijziging van de leeftijdsgrens per 1 januari 2023. Het hoger beroep slaagde niet.

Kernpunt: De kostendelersnorm is dwingendrechtelijk van aard en het college hoefde niet te anticiperen op de wetswijziging van de leeftijdsgrens.

Rechtbank Amsterdam 28 april 2026 (datum publicatie: 5 juni 2026) (ECLI:NL:RBAMS:2026:4735)

De rechtbank oordeelde dat het bezwaar tegen het intrekkingsbesluit ten onrechte niet-ontvankelijk was verklaard wegens termijnoverschrijding. Het bestreden besluit was in strijd met het motiveringsbeginsel, nu in het geheel niet was gemotiveerd waarom de door eiser genoemde redenen geen verschoonbaarheid opleverden. De terugvordering kon evenmin in stand blijven, omdat deze was gebaseerd op schending van de inlichtingenplicht terwijl aan de intrekking schending van de medewerkingsplicht ten grondslag lag. De rechtbank voorzag zelf in de zaak door het terugvorderingsbedrag op nihil vast te stellen. Beide beroepen waren gegrond.

Kernpunt: De niet-ontvankelijkverklaring was ongemotiveerd en de terugvordering was op een onjuiste grondslag gebaseerd, waarna deze op nihil werd vastgesteld.

Rechtbank Amsterdam 28 april 2026 (datum publicatie: 5 juni 2026) (ECLI:NL:RBAMS:2026:4736)

De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit over de terugvordering van bijstand een motiveringsgebrek bevatte. Het college had geen kenbare, evenwichtige belangenafweging gemaakt als bedoeld in de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 10 december 2024. Het college had onvoldoende de bijzondere omstandigheden en het aandeel van eiser in de ontstane situatie betrokken. Uit het rapport van bevindingen bleek dat eiser wel aan het informatieverzoek probeerde te voldoen. Het college moest een nieuw besluit nemen met inachtneming van de uitspraak. Het beroep was gegrond.

Kernpunt: De belangenafweging bij de terugvordering ontbreekt en het college moet alle relevante omstandigheden meewegen.

Rechtbank Gelderland 28 mei 2026 (datum publicatie: 10 juni 2026) (ECLI:NL:RBGEL:2026:4183)

De rechtbank oordeelde dat het college aannemelijk had gemaakt dat eiser gedurende de gehele periode in geding op geld waardeerbare activiteiten in de oud ijzerhandel had verricht zonder dit te melden. Uit waarnemingen, verklaringen van derden, gegevens van de Kamer van Koophandel en bankafschriften bleek dat eiser feitelijk de werkzaamheden verrichtte voor een op naam van zijn minderjarige dochter staande onderneming. Eiser had geen administratie bijgehouden, zodat het recht op bijstand niet, ook niet schattenderwijs, kon worden vastgesteld. Het beroep was ongegrond.

Kernpunt: Wegens niet-gemelde op geld waardeerbare activiteiten in de oud ijzerhandel kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

Rechtbank Den Haag 30 maart 2026 (datum publicatie: 11 juni 2026) (ECLI:NL:RBDHA:2026:14210)

De voorzieningenrechter oordeelde dat geen spoedeisend belang bestond bij het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de afwijzing van bijzondere bijstand voor hotelovernachtingen. Alle hotelovernachtingen in de in geding zijnde periode waren reeds door verzoekster betaald. Voor zover verzoekster meende dat haar uitkering niet toereikend was, kon zij het college verzoeken de uitkering af te stemmen op haar omstandigheden. Vooralsnog was niet aannemelijk dat verzoekster geen gebruik kon maken van de opvang voor daklozen in de gemeente. Het verzoek werd afgewezen.

Kernpunt: Er bestond geen spoedeisend belang bij reeds betaalde hotelovernachtingen en de daklozenopvang was beschikbaar.

Centrale Raad van Beroep 2 juni 2026 (datum publicatie: 12 juni 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:719)

De Raad oordeelde dat de intrekking van bijstand na opschorting wegens schending van de medewerkingsverplichting in stand bleef. Appellant was niet verschenen op twee gesprekken en stelde dat hij als mantelzorger voor zijn ernstig zieke vader niet in staat was te verschijnen. Appellant had echter niet aannemelijk gemaakt dat de zorg voor zijn vader hem verhinderde. Het overgelegde overzicht van ingrepen gaf geen inzicht in de mate van verzorging die de vader nodig had. Appellant had tijdig om uitstel kunnen verzoeken of een derde kunnen vragen. Het hoger beroep slaagde niet.

Kernpunt: Mantelzorg voor zieke vader onvoldoende onderbouwd als reden voor niet-verschijnen op gesprekken.

Centrale Raad van Beroep 2 juni 2026 (datum publicatie: 12 juni 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:736)

De Raad oordeelde dat het college de bijstand terecht had ingetrokken en teruggevorderd wegens niet-gemelde op geld waardeerbare werkzaamheden in de taxibranche. Appellant had zijn derde taxichauffeurskaart aangevraagd en beschikte over een lijnbaanontheffing in Amsterdam. Aan het verkrijgen en verlengen daarvan waren aanzienlijke kosten verbonden die niet uit de bijstandsnorm konden worden voldaan. Uit bankafschriften bleek dat appellant voor grote bedragen had getankt en geparkeerd in Amsterdam. Het standpunt dat appellant om gezondheidsredenen niet kon werken, was niet onderbouwd. Het hoger beroep slaagde niet.

Kernpunt: Taxichauffeurskaart, lijnbaanontheffing en hoge tankkosten maken werkzaamheden in taxibranche aannemelijk.

Rechtbank Den Haag 2 april 2026 (datum publicatie: 12 juni 2026) (ECLI:NL:RBDHA:2026:14476)

De voorzieningenrechter wees het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de afwijzing van bijzondere bijstand voor huurkosten tijdens detentie af. Op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW heeft een gedetineerde geen recht op bijstand. Het college hanteerde buitenwettelijk beleid voor detentieperiodes korter dan zes maanden. Verzoeker had de gevraagde stukken, waaronder bankafschriften en het huurcontract, niet overgelegd ondanks herhaalde verzoeken. Zonder deze stukken kon niet worden vastgesteld of verzoeker voor bijzondere bijstand in aanmerking kwam. Het verzoek werd afgewezen.

Kernpunt: De gevraagde stukken waren niet overgelegd, waardoor het recht op bijzondere bijstand tijdens detentie niet kon worden vastgesteld.

Centrale Raad van Beroep 9 juni 2026 (datum publicatie: 19 juni 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:768)

De Raad oordeelde dat het college de aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van een koelkast terecht had afgewezen. Appellante had niet aannemelijk gemaakt dat zij als gevolg van haar psychische problematiek niet had kunnen reserveren voor de kosten van vervanging. De in artikel 35, eerste lid, van de PW bedoelde bijzondere omstandigheden deden zich niet voor. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagde evenmin, nu appellante haar stelling dat zij niet in staat was te reserveren niet had onderbouwd. Het hoger beroep slaagde niet.

Kernpunt: De psychische problematiek is niet aannemelijk gemaakt als reden voor het niet kunnen reserveren voor een koelkast.

Centrale Raad van Beroep 2 juni 2026 (datum publicatie: 19 juni 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:764)

De Raad oordeelde dat het college de aanvraag om bijzondere bijstand voor een baby-uitzet en babypakket terecht had afgewezen. De kosten hadden betrekking op het derde kind van appellante en waren voorzienbaar. Appellante had haar standpunt dat zij wegens aflossing van schulden niet had kunnen reserveren niet onderbouwd met controleerbare en verifieerbare gegevens. Zij was noch in beroep noch in hoger beroep ter zitting verschenen om haar standpunt toe te lichten. Het hoger beroep slaagde niet.

Kernpunt: Het is niet onderbouwd dat wegens schulden niet kon worden gereserveerd voor babyspullen voor het derde kind.

Centrale Raad van Beroep 20 januari 2026 (datum publicatie: 23 juni 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:812)

De Raad oordeelde dat de afwijzing van de eerste bijstandsaanvraag niet in stand kon blijven. Uit het rapport dat aan de latere toekenning ten grondslag lag, bleek dat het college al duidelijkheid had over de wijze waarop appellant in zijn levensonderhoud had voorzien. De afstemming van de bijstand met € 196,50 per maand wegens een substantiële besparing bleef wel in stand. De moeder van appellant betaalde de wegenbelasting en verzekering van zijn auto rechtstreeks aan de Belastingdienst en de verzekeringsmaatschappij. Appellant kon niet vrij over deze bedragen beschikken, zodat geen sprake was van een vrij te laten gift. Appellant ontving € 1.500,- schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Kernpunt: De rechtstreekse betaling van autokosten door de moeder is een substantiële besparing en geen vrij te laten gift.

Rechtbank Gelderland 22 juni 2026 (datum publicatie: 26 juni 2026) (ECLI:NL:RBGEL:2026:4905)

De voorzieningenrechter oordeelde dat het college de bijstandsuitkering niet zonder meer had mogen intrekken wegens verblijf buiten de gemeente. Het college had ter zitting erkend dat al jaren bekend was dat verzoekster het merendeel van haar tijd buiten de gemeente verbleef en dat deze situatie oogluikend was toegestaan. Na jarenlang gedogen was een abrupte intrekking zonder voorafgaand gesprek of schriftelijke waarschuwing niet zorgvuldig. Het bestreden besluit werd geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Het verzoek werd toegewezen.

Kernpunt: Abrupte intrekking na jarenlang gedogen van verblijf buiten gemeente is onzorgvuldig.

Centrale Raad van Beroep 16 juni 2026 (datum publicatie: 29 juni 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:788)

De Raad oordeelde dat de intrekking en terugvordering van bijstand in stand bleven. Appellant had zijn inlichtingenverplichting geschonden door geen melding te maken van de verkoop van zijn onderneming, de verkoop van zangvogels, een in zijn woning aangetroffen geldbedrag van € 38.846,64 en kasstortingen. Appellant had geen tegenbewijs geleverd dat het aangetroffen geld aan familieleden toebehoorde. De stelling dat het geld bestemd was voor begrafenissen was niet onderbouwd. Van dringende redenen om verder af te zien van de tot € 30.000,- gematigde terugvordering was niet gebleken. Het hoger beroep slaagde niet.

Kernpunt: Er is geen tegenbewijs geleverd voor het in de woning aangetroffen geldbedrag en van dringende redenen voor verdere matiging is niet gebleken.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12 mei 2026 (datum publicatie: 2 juni 2026) (ECLI:NL:RBZWB:2026:4044)

De rechtbank oordeelde dat het dagelijks bestuur de aanvraag om bijzondere bijstand voor de maandelijkse bankkosten van de beheerrekening in verband met beschermingsbewind ten onrechte had afgewezen. De kosten werden maandelijks van de beheerrekening van de onderbewindgestelde afgeschreven en deden zich dus voor. Het dagelijks bestuur had een onjuiste wettelijke grondslag gehanteerd door te oordelen dat de kosten niet bestonden. Het standpunt dat de kosten werden gedekt door het honorarium en de tijdelijke richtlijn van het Kwaliteitsbureau CBM was onvoldoende onderbouwd. De achtergrond van de richtlijn was niet meer te achterhalen, hetgeen voor rekening en risico van het dagelijks bestuur kwam. Het beroep was gegrond.

Kernpunt: De bankkosten van de beheerrekening doen zich voor en het dagelijks bestuur heeft een onjuiste grondslag gehanteerd met onvoldoende onderbouwing van de voorliggende voorziening.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20 mei 2026 (datum publicatie: 2 juni 2026) (ECLI:NL:RBZWB:2026:4321)

De rechtbank oordeelde dat het voorlopig budget voor de gebundelde uitkering voor het jaar 2025 in stand bleef. Het college van Vlissingen had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het verdeelmodel tekortkomingen bevatte die de gemeente onevenredig troffen. Het verdeelmodel was voldoende inzichtelijk en er was geen sprake van een black box. De kenmerken beschikbaarheid van werk, aandeel echtscheidingen en jeugdproblematiek waren in de doorontwikkeling van het verdeelmodel onderzocht en op goede gronden niet opgenomen. Het verkennend onderzoek van SEO bood onvoldoende grondslag voor de gestelde causale relatie. Het beroep was ongegrond.

Kernpunt: Het verdeelmodel is voldoende inzichtelijk en de gemeente heeft de onevenredige benadeling niet aannemelijk gemaakt.

Rechtbank Rotterdam 2 juni 2026 (datum publicatie: 9 juni 2026) (ECLI:NL:RBROT:2026:6184)

De rechtbank oordeelde dat het college terecht een maatregel van 30% verlaging van de bijstandsuitkering gedurende één maand had opgelegd. Eiser was zonder bericht van verhindering niet verschenen op een gesprek over arbeidsmogelijkheden. De wijziging van de grondslag in bezwaar was toelaatbaar. Dat eiser onvoldoende informatie vooraf had ontvangen, rechtvaardigde niet dat hij niet verscheen. Het college had de maatregel reeds gematigd ten opzichte van de verordening. Van disproportionaliteit of strijd met het evenredigheidsbeginsel was geen sprake. Het beroep was ongegrond.

Kernpunt: De maatregel van 30% was terecht opgelegd bij niet-verschijnen op het gesprek over arbeidsmogelijkheden en was reeds gematigd.

Rechtbank Oost-Brabant 4 juni 2026 (datum publicatie: 9 juni 2026) (ECLI:NL:RBOBR:2026:3925)

De rechtbank oordeelde dat het college de aanvraag om bijzondere bijstand voor bewindvoerderskosten en mentorschapskosten tijdens een Tbs-opname terecht had afgewezen. Op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW had eiseres geen recht op bijstand. De rechtbank achtte het voorstelbaar dat in de toekomst een succesvol beroep op artikel 16 van de PW zou kunnen worden gedaan, maar in de te beoordelen periode was geen sprake van een acute noodsituatie. De mentor had de werkzaamheden uit coulance gratis verricht en er stond voldoende saldo op de bankrekening. Voor een contra-legemtoepassing van het evenredigheidsbeginsel bestond evenmin ruimte. Het beroep was ongegrond.

Kernpunt: Geen acute noodsituatie nu mentor gratis werkzaamheden verrichtte en voldoende saldo aanwezig was.

Rechtbank Gelderland 5 juni 2026 (datum publicatie: 11 juni 2026) (ECLI:NL:RBGEL:2026:4463)

De rechtbank oordeelde dat het college de wijze van beslaglegging op de bijstand van eiseres juist uitvoerde. Op grond van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet bedroeg de beslagvrije voet 95% van het netto-inkomen inclusief vakantiebijslag. Het college kon zelf bepalen of het maandelijks 5% aan de beslaglegger afdroeg of de vakantiereservering daarvoor gebruikte. De uitvoeringssystematiek bood geen ruimte om naast de inhouding ten behoeve van de beslaglegger ook 5% te reserveren voor vakantiegeld. Maatwerk was niet mogelijk. Het beroep was ongegrond.

Kernpunt: Er is geen ruimte voor vakantiegeldreservering naast beslaglegging, omdat de uitvoeringssystematiek maatwerk niet toelaat.

Rechtbank Overijssel 9 juni 2026 (datum publicatie: 11 juni 2026) (ECLI:NL:RBOVE:2026:3282)

De rechtbank oordeelde dat het college de bijstandsuitkering en bijzondere bijstand terecht had ingetrokken en teruggevorderd. Eiser had zijn hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres gehad en verbleef bij zijn ex-partner in een andere gemeente. Uit het onderzoeksrapport bleek dat eiser in feite nog een gezamenlijke huishouding voerde. Eiser had niet aannemelijk gemaakt dat hij de verbouwing en zijn verblijf elders bij het college had gemeld. Van dringende redenen om van terugvordering af te zien was niet gebleken. Het beroep was ongegrond.

Kernpunt: Er was geen hoofdverblijf op het uitkeringsadres en het niet-gemelde verblijf bij de ex-partner leverde een schending van de inlichtingenverplichting op.

Rechtbank Den Haag 21 mei 2026 (datum publicatie: 12 juni 2026) (ECLI:NL:RBDHA:2026:14683)

De voorzieningenrechter wees het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de intrekking van de bijstandsuitkering wegens het niet meewerken aan een huisbezoek af. Er bestond een redelijke grond voor het huisbezoek, gelet op de anonieme melding, het waterverbruik dat overeenkwam met een huishouden van twee à drie personen, de wisselende verklaringen van verzoekster over haar verblijf in Suriname en de omstandigheid dat zij na terugkomst nog niet in haar woning was geweest. Het huisbezoek voldeed aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Het verzoek werd afgewezen.

Kernpunt: Er bestond een redelijke grond voor het huisbezoek en het niet-meewerken rechtvaardigde de intrekking van de bijstand.

Centrale Raad van Beroep 2 juni 2026 (datum publicatie: 12 juni 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:721)

De voorzieningenrechter van de Raad wees het verzoek om een voorlopige voorziening af wegens het ontbreken van een spoedeisend belang. Verzoeker had niet aannemelijk gemaakt dat hij de door hem genoemde verhuiskosten niet uit zijn aanwezige vermogen van € 88.503,39 kon dragen. De gestelde gevolgen van regelmatige verhuizingen voor zijn gezondheid waren evenmin aannemelijk gemaakt. Uit de medische stukken bleek niet van een dreigende medische noodsituatie. Het verzoek was kennelijk ongegrond.

Kernpunt: De kosten kunnen uit het aanwezige vermogen worden gedragen en een dreigende medische noodsituatie is niet aannemelijk gemaakt.

Rechtbank Den Haag 1 mei 2026 (datum publicatie: 12 juni 2026) (ECLI:NL:RBDHA:2026:14624)

De rechtbank oordeelde dat het college de bijstandsuitkering terecht had herzien en teruggevorderd wegens niet-gemelde inkomsten uit schoonmaakwerkzaamheden. Het college mocht de omvang van de werkzaamheden baseren op de verklaringen van eiseres zoals opgenomen in het gespreksverslag. Dat het gespreksverslag niet was ondertekend door de handhavingsspecialisten had tot gevolg dat daaraan minder bewijskracht toekwam, maar er waren geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de weergave. De latere, achteraf opgestelde verklaring van eiseres was niet met objectieve en verifieerbare stukken onderbouwd. Van dringende redenen om van terugvordering af te zien was niet gebleken. Het beroep was ongegrond.

Kernpunt: De intrekking van de verklaring doet niet af aan de eerder afgelegde verklaring en het achteraf opgestelde overzicht is onvoldoende onderbouwd.

Rechtbank Rotterdam 23 april 2026 (datum publicatie: 17 juni 2026) (ECLI:NL:RBROT:2026:6900)

De voorzieningenrechter wees het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de verlaging van de bijstandsuitkering met 100% gedurende drie maanden toe. Het college had geen op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd, geen verweerschrift ingediend en was zonder bericht niet ter zitting verschenen. Zonder onderliggende stukken kon niet worden vastgesteld of verzoekster daadwerkelijk voor de afspraken was uitgenodigd en of zij zonder goede reden niet was verschenen. Het standpunt van het college was niet van enige onderbouwing voorzien. Het bestreden besluit werd geschorst.

Kernpunt: Maatregel niet onderbouwd nu college geen stukken overlegde en niet ter zitting verscheen.

Rechtbank Overijssel 12 juni 2026 (datum publicatie: 19 juni 2026) (ECLI:NL:RBOVE:2026:3311)

De rechtbank oordeelde dat het college de aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van vliegtickets naar Sri Lanka terecht had afgewezen. Het territorialiteitsbeginsel van artikel 11 van de PW stond aan bijstandverlening voor reiskosten naar het buitenland in de weg. Van zeer dringende redenen was geen sprake, nu eiseres de kosten met geleend geld had voldaan. De aanvraag was bovendien ingediend nadat de kosten waren gemaakt. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel en artikel 3 van het IVRK slaagde evenmin. Het beroep was ongegrond, maar het college werd veroordeeld in de proceskosten wegens een bevoegdheidsgebrek.

Kernpunt: Territorialiteitsbeginsel en te late aanvraag staan aan bijzondere bijstand voor vliegtickets in de weg.

Rechtbank Rotterdam 4 mei 2026 (datum publicatie: 22 juni 2026) (ECLI:NL:RBROT:2026:6415)

De rechtbank oordeelde dat het dagelijks bestuur terecht geen aanleiding had gezien voor afstemming van de bijstandsuitkering op grond van artikel 18, eerste lid, van de PW. Eiseres had niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van een zeer bijzondere situatie. Dat haar niet-rechthebbende partner niet mocht werken en dat eiseres medische klachten had, waren op zichzelf onvoldoende redenen voor afstemming. Het lag niet op de weg van het dagelijks bestuur om zelf nader onderzoek te doen. Eiseres ontving een schadevergoeding van € 1.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het beroep was ongegrond.

Kernpunt: Een niet-rechthebbende partner en medische klachten zijn onvoldoende voor afstemming, omdat geen sprake is van een zeer bijzondere situatie.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 25 september 2025 (datum publicatie: 22 juni 2026) (ECLI:NL:GHSHE:2025:2622)

Het hof oordeelde in een bijstandsverhaalsprocedure dat de man voldoende draagkracht had om de verhaalsbijdrage te voldoen. De ingangsdatum werd vastgesteld op 8 augustus 2023, de datum waarop de verhaalsbeschikking de man had bereikt. De man had onvoldoende onderbouwd dat de behoefte van zijn oudste kinderen lager was dan die van zijn jongere kinderen. De aanbeveling van de Expertgroep Alimentatierichtlijnen om de behoefte te berekenen op basis van het gestegen inkomen was terecht gevolgd. Bij een verzorgende ouder met een bijstandsuitkering werd terecht geen draagkracht aangenomen. Het principaal hoger beroep faalde; het incidenteel hoger beroep slaagde deels.

Kernpunt: De behoefte is berekend op basis van het gestegen inkomen en bij de verzorgende ouder met een bijstandsuitkering is geen draagkracht aangenomen.

Centrale Raad van Beroep 9 juni 2026 (datum publicatie: 29 juni 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:798)

De Raad oordeelde dat de intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet-gemeld onroerend goed in Bosnië en Herzegovina in stand bleven. Appellanten hadden de inlichtingenverplichting geschonden door geen melding te maken van op hun naam geregistreerde onroerende zaken. De door appellanten overgelegde tegentaxaties waren onvoldoende betrouwbaar. De Raad ging uit van een lineaire waardestijging tussen de aankoopsom en de door het IBF vastgestelde eindwaarde. Ook bij die benadering bleef het vermogen gedurende de gehele te beoordelen periode boven de vermogensgrens. Van dringende redenen om van terugvordering af te zien was niet gebleken. Het hoger beroep slaagde niet.

Kernpunt: Op basis van een lineaire waardestijging tussen de aankoopsom en de eindwaarde bleef het vermogen gedurende de gehele periode boven de vermogensgrens.

Rechtbank Oost-Brabant 22 mei 2026 (datum publicatie: 2 juni 2026) (ECLI:NL:RBOBR:2026:3500)

De rechtbank oordeelde dat het bestuur de bijstandsuitkering met een verlaging van 10% vanwege lagere woonlasten terecht ongewijzigd had voortgezet. Eiser woonde in een eigen stacaravan op een camping en was enige woonlasten verschuldigd voor zijn standplaats, maar deze lagen lager dan de basishuur. De wettelijke grondslag voor de verlaging was artikel 18, eerste lid, van de PW en niet artikel 27 van de PW. Het begrip woning in de beleidsregels omvatte elke woonsituatie waarin lagere kosten van bestaan volgen, waaronder een stacaravan. Het herzieningsverzoek was eveneens terecht afgewezen nu de oorspronkelijke besluiten niet onmiskenbaar onjuist waren. De beroepen waren ongegrond.

Kernpunt: De verlaging van de bijstand wegens lagere woonlasten van de stacaravan was terecht en artikel 18, eerste lid, van de PW is de juiste grondslag.

Rechtbank Gelderland 5 juni 2026 (datum publicatie: 11 juni 2026) (ECLI:NL:RBGEL:2026:4447)

De rechtbank oordeelde dat het college het recht op bijstand terecht had laten ingaan vanaf 5 augustus 2024. Eiseres had na haar melding op 23 juli 2024 een lening van € 7.500,- aan haar grootouders terugbetaald zonder dat daartoe een opeisbare verplichting bestond. De leenovereenkomst bevatte geen concrete aflossingsafspraken. Eiseres had samen met haar begeleider uitgezocht hoeveel vermogen zij mocht hebben en had vervolgens bewust de lening terugbetaald om onder de vermogensgrens te komen. Het college had terecht een maatregel van 100% gedurende twee maanden opgelegd wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Het beroep op het ontbreken van verwijtbaarheid wegens autisme slaagde niet. Het beroep was ongegrond.

Kernpunt: Onverplichte terugbetaling lening na melding bijstandsaanvraag levert tekortschietend besef van verantwoordelijkheid op.

Rechtbank Den Haag 16 april 2026 (datum publicatie: 12 juni 2026) (ECLI:NL:RBDHA:2026:14631)

De voorzieningenrechter wees het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de beëindiging van de bijstandsuitkering toe. Het college had de uitkering beëindigd wegens schending van de medewerkingsverplichting, omdat verzoekster niet had meegewerkt aan een huisbezoek. Er bestond weliswaar een redelijke grond voor het huisbezoek, gelet op het extreem lage waterverbruik en verklaringen van omwonenden. In bezwaar had verzoekster echter een periodeafrekening overgelegd waaruit bleek dat het waterverbruik niet 0 m³ maar 103 m³ bedroeg. Het bezwaar had daarom een redelijke kans van slagen. Het bestreden besluit werd geschorst.

Kernpunt: Het gecorrigeerde waterverbruik dat in bezwaar is overgelegd geeft een redelijke kans van slagen, waardoor de beëindiging van de bijstand is geschorst.

Rechtbank Den Haag 30 april 2026 (datum publicatie: 12 juni 2026) (ECLI:NL:RBDHA:2026:14620)

De voorzieningenrechter oordeelde dat het college de bijstandsuitkering terecht had ingetrokken en teruggevorderd. Het waterverbruik op het uitkeringsadres bedroeg 1 m³ over ruim een jaar, hetgeen extreem laag was. Eiser had niet aannemelijk gemaakt dat hij ondanks dit verbruik zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. Dat hij als mantelzorger veel bij zijn moeder verbleef, verklaarde het extreem lage waterverbruik onvoldoende. Daarnaast had eiser onvoldoende medewerking verleend aan een huisbezoek aansluitend op het gesprek. Een zwaarwegend belang dat de weigering rechtvaardigde, was niet gebleken. Het beroep was ongegrond.

Kernpunt: Extreem laag waterverbruik en weigering huisbezoek rechtvaardigen intrekking en terugvordering bijstand.

Rechtbank Limburg 12 juni 2026 (datum publicatie: 16 juni 2026) (ECLI:NL:RBLIM:2026:5623)

De voorzieningenrechter wees het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de afwijzing van een bijstandsaanvraag af. Verzoeker kon niet worden aangemerkt als een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling. Anders dan verzoeker had gesteld, had hij geen aanvraag ingediend voor voortgezette toelating, maar betrof het nieuwe aanvragen met een ander verblijfsdoel. Het feit dat nog niet was beslist op de nieuwe aanvragen kon niet leiden tot gelijkstelling met een Nederlander. Bijzondere omstandigheden konden evenmin tot bijstandverlening leiden, gelet op artikel 16, tweede lid, van de PW. Het verzoek werd afgewezen.

Kernpunt: Nieuwe verblijfsaanvragen met ander verblijfsdoel leiden niet tot gelijkstelling met een Nederlander.

Rechtbank Gelderland 10 juni 2026 (datum publicatie: 16 juni 2026) (ECLI:NL:RBGEL:2026:4525)

De rechtbank oordeelde in een tussenuitspraak dat het college onvoldoende had gemotiveerd dat eisers de inlichtingenverplichting hadden geschonden in meerdere maanden van 2015, 2016, 2017 en augustus 2019. In die maanden waren geen advertenties op Marktplaats geplaatst en bleek uit de overzichten niet dat inkomsten uit verkoop waren ontvangen. Daarnaast had het college de eerder door eiser overgelegde bankafschriften in het kader van heronderzoeken en aanvragen kwijtschelding niet betrokken bij de beoordeling van het beroep op rechtsverwerking en het vertrouwensbeginsel. Het college kreeg de gelegenheid de motiverings- en zorgvuldigheidsgebreken te herstellen.

Kernpunt: Er is een motiveringsgebrek bij de intrekking wegens Marktplaatsverkopen en de eerder overgelegde bankafschriften zijn niet betrokken bij de beoordeling.

Rechtbank Rotterdam 30 april 2026 (datum publicatie: 16 juni 2026) (ECLI:NL:RBROT:2026:5796)

De voorzieningenrechter wees het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de intrekking van de bijstandsuitkering toe. Het college had bankafschriften over een periode van 15 maanden opgevraagd. De voorzieningenrechter oordeelde dat onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aanwezig waren om het opvragen over een dergelijk lange periode te rechtvaardigen. Dat verzoekster was getrouwd, op zichzelf was gaan wonen en zwanger was geworden, was daarvoor onvoldoende. De inbreuk op het privéleven stond niet in een redelijke verhouding tot het daarmee te dienen doel. Na een belangenafweging werd het bestreden besluit geschorst.

Kernpunt: Het opvragen van bankafschriften over een periode van 15 maanden was disproportioneel zonder voldoende concrete feiten en omstandigheden.

Rechtbank Rotterdam 17 april 2026 (datum publicatie: 17 juni 2026) (ECLI:NL:RBROT:2026:6889)

De voorzieningenrechter oordeelde dat het college de aanvraag om aanvullende bijstand terecht had afgewezen. Eiseres en haar ex-partner hadden hun hoofdverblijf in dezelfde woning en waren in de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag voor de verlening van bijstand als gehuwden aangemerkt. Op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de PW was sprake van een onweerlegbaar rechtsvermoeden van een gezamenlijke huishouding. Of al dan niet sprake was van wederzijdse zorg was daarbij niet relevant. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel stuitte af op het dwingend geformuleerde karakter van de bepaling. Het beroep was ongegrond.

Kernpunt: Het onweerlegbaar rechtsvermoeden van een gezamenlijke huishouding was van toepassing en wederzijdse zorg was niet relevant bij de dwingend geformuleerde bepaling.

Rechtbank Gelderland 22 juni 2026 (datum publicatie: 26 juni 2026) (ECLI:NL:RBGEL:2026:4882)

De rechtbank oordeelde dat het college het verzoek om kwijtschelding van een openstaande vordering uit leenbijstand terecht had afgewezen, maar de motivering pas ter zitting voldoende had onderbouwd. Het gebrek werd gepasseerd op grond van artikel 6:22 van de Awb. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagde niet. Het college had zich ten onrechte onbevoegd verklaard ten aanzien van het herzieningsverzoek en had dit moeten doorzenden naar de juiste afdeling. Het standpunt over het voortduren van het loonbeslag was een mededeling van feitelijke aard waartegen geen bezwaar openstond. Het beroep was gegrond.

Kernpunt: De kwijtschelding van de leenbijstand is terecht afgewezen, maar het college had het herzieningsverzoek moeten doorzenden naar de juiste afdeling.

Centrale Raad van Beroep 9 juni 2026 (datum publicatie: 29 juni 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:781)

De Raad oordeelde dat de intrekking van bijstand wegens op geld waardeerbare werkzaamheden in een restaurant niet in stand kon blijven voor de periode van 20 augustus 2020 tot en met 30 december 2020. De facebookberichten in die periode boden onvoldoende grondslag voor de conclusie dat appellant werkzaamheden had verricht. Vanaf 31 december 2020 had appellant met enige regelmaat berichten geplaatst waarin hij termen als "wij" en "ons" gebruikte en aangaf daar te werken. In combinatie met zijn verklaring was daarmee aannemelijk gemaakt dat sprake was van op geld waardeerbare werkzaamheden. De boete werd ambtshalve gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Kernpunt: Facebookberichten met termen als "wij" en "ons" maken in samenhang met verklaring werkzaamheden aannemelijk.

Centrale Raad van Beroep 16 juni 2026 (datum publicatie: 29 juni 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:784)

De Raad oordeelde dat het college de bijzondere bijstand voor de eerste maand huur en voor inrichtingskosten in de vorm van een geldlening mocht verlenen. Appellante had niet aannemelijk gemaakt dat zij niet had kunnen reserveren voor de kosten van de eerste maand huur. Dat zij moest rondkomen van een daklozenuitkering rechtvaardigde op zichzelf niet de conclusie dat reserveren onmogelijk was. Appellante had bovendien een auto gekocht en gespaard voor gebruiksgoederen. Het college mocht op grond van artikel 51, eerste lid, van de PW en zijn beleidsregels de bijzondere bijstand voor inrichtingskosten als geldlening verstrekken. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel was niet onderbouwd. Het hoger beroep slaagde niet.

Kernpunt: Een daklozenuitkering rechtvaardigt op zichzelf niet de conclusie dat niet kon worden gereserveerd voor de eerste maand huur.

Gerelateerd

jurisprudentie jeugdwet

Jeugdwet: strategische lessen uit de jurisprudentie van juni 2026

Deze blog biedt een overzicht van de belangrijkste uitspraken en lessen uit de jurisprudentie van de maand juni op het gebied van de Jeugdwet. Voor iedere zaak...
jurisprudentie Wmo 2015

Wmo 2015: strategische lessen uit de jurisprudentie van juni 2026

Bekijk een overzicht van belangrijke juridische uitspraken binnen het sociaal domein die voor de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) in juni 2026...
Wmo, Jeugdwet en Participatiewet 2025

Jeugdwet, Wmo 2015 en Participatiewet: belangrijkste jurisprudentie van december 2025

Bekijk een overzicht van belangrijke juridische uitspraken binnen het sociaal domein die voor de Jeudgwet, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) en...

Rechtbank fluit Zilveren Kruis terug over vergoedingsvoorwaarde voor geneesmiddelen

De rechtbank Den Haag publiceerde onlangs haar vonnis van 21 mei 2025, waarin zij een streep zet door het beleid van Zilveren Kruis (ende aan haar gelieerde...

Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg | Blog 6: Centrale toezichthoudende rol NZa

Naar aanleiding van geconstateerde structurele knelpunten in de jeugdhulp en jeugdzorg is de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg ingediend en 7 oktober...

Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg | Blog 5: Eisen aan bedrijfsvoering en jaarverantwoording jeugdhulpaanbieders

Naar aanleiding van geconstateerde structurele knelpunten in de jeugdzorg - waaronder jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering vallen - is...
No posts found