Participatiewet: uitspraken februari
Rechtbank Den Haag 11 september 2025 (datum publicatie: 3 februari 2026) (ECLI:NL:RBDHA:2025:24194)
Samenvatting: eiser diende tweemaal een aanvraag om bijzondere bijstand in voor de eigen bijdrage voor rechtsbijstand. Beide zijn ingediend tijdens zijn detentie. Het college heeft beide aanvragen afgewezen, omdat eiser op grond van artikel 13, eerste lid, onder a, van de Pw uitgesloten is van het recht op bijstand. Van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Pw is geen sprake. Het ontbreken van inkomen en de onmogelijkheid de advocaat te betalen vormen geen acute noodsituatie. De beroepen zijn ongegrond.
Kernpunt: aanvragen terecht afgewezen wegens de uitsluitingsgrond van detentie en het niet kunnen betalen van rechtsbijstand levert geen zeer dringende redenen op.
Centrale Raad van Beroep 11 november 2025 (datum publicatie: 12 februari 2026) (ECLI:NL:CRVB:2025:1910)
Samenvatting: appellant bestreed de herziening, intrekking en terugvordering van bijstand wegens een niet-gemelde caravan, de afwijzing en buitenbehandelingstelling van bijstandsaanvragen en de afstemming van nadien toegekende bijstand. De Raad laat de herziening, intrekking, terugvordering, afwijzing en buitenbehandelingstelling in stand. Het hoger beroep slaagt wel voor zover het college de bijstand heeft afgestemd wegens huurbetalingen door de broer en maandelijkse bedragen van € 200,- voor levensonderhoud op de bijstand in mindering heeft gebracht. Appellant heeft aannemelijk gemaakt dat sprake is van leningen, zodat geen substantiële besparing is opgetreden.
Kernpunt: huurbetalingen door derden en bedragen voor levensonderhoud zijn ten onrechte op de bijstand in mindering gebracht, nu sprake is van leningen.
Rechtbank Amsterdam 2 december 2025 (datum publicatie: 2 februari 2026) (ECLI:NL:RBAMS:2025:9603)
Samenvatting: beroep tegen herziening en terugvordering van bijstand. Eiser had negentien autokentekens op zijn naam staan zonder dit te melden. De rechtbank oordeelt dat de inlichtingenplicht is geschonden. Omdat eiser geen administratie bijhield van de in- en verkoop, kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Indien een persoon betrokken is bij twee wijzigingen van de tenaamstelling van hetzelfde voertuig in een betrekkelijk korte periode, is het uitgangspunt dat er sprake is van een handelstransactie. Verder slaagt een verweer over een beperkte beheersing van de Nederlandse taal niet, omdat eiser eerder verklaarde de regels te begrijpen.
Kernpunt: niet-gemelde autohandel zonder administratie schendt de inlichtingenplicht waardoor het recht op bijstand vervalt.
Rechtbank Amsterdam 4 december 2025 (datum publicatie: 3 februari 2026) (ECLI:NL:RBAMS:2025:9955)
Samenvatting: eiser kwam op tegen de afwijzing van bijzondere bijstand voor griffierecht, een stadspas, laptopvergoeding, reiskostenvergoeding en een tegemoetkoming meerkosten. De bijzondere bijstand is afgewezen wegens voldoende draagkracht op basis van Suwinet-gegevens. Niet-definitief vastgestelde inkomensgegevens van de Belastingdienst hoefden niet te worden gevolgd. De stadspas, laptop en reiskostenvergoeding zijn afgewezen omdat eisers dochter niet op zijn adres staat ingeschreven en hij geen kinderbijslag ontvangt. De aanvraag om tegemoetkoming meerkosten is terecht als afgehandeld beschouwd nadat eiser zelf aangaf deze niet door te zetten. Alle beroepen zijn ongegrond.
Kernpunt: afwijzingen terecht wegens voldoende draagkracht, niet-vervulde voorwaarden en door eiser zelf ingetrokken aanvraag.
Rechtbank Noord-Holland 10 december 2025 (datum publicatie: 13 februari 2026) (ECLI:NL:RBNHO:2025:14500)
Samenvatting: beroep tegen afwijzing van de eenmalige energietoeslag 2023. De aanvraag is afgewezen omdat het gemiddelde inkomen in de referteperiode hoger was dan 120% van de bijstandsnorm. Het college mocht hierbij uitgaan van de inkomensgegevens uit Suwinet. Op de aanvrager rust de last om aannemelijk te maken dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. Eiser is er niet in geslaagd aan te tonen dat de gegevens in Suwinet onjuist zijn.
Kernpunt: bij de beoordeling van recht op energietoeslag mag het college uitgaan van Suwinet-gegevens, tegenbewijs is mogelijk.
Rechtbank Amsterdam 16 december 2025 (datum publicatie: 2 februari 2026) (ECLI:NL:RBAMS:2025:9921)
Samenvatting: beroep tegen de afwijzing van bijzondere bijstand voor verhuiskosten. De rechtbank stelt vast dat er geen acute noodzaak was om te verhuizen. Hoewel eiseres zich onveilig voelde, waren de dreigingen niet op haar gericht. Hier komt bij dat eiseres via leningen van de Kredietbank en haar ouders reeds heeft voorzien in de kosten. Een lening wordt als voldoende passend beschouwd om de kosten te overbruggen, waardoor bijstand niet noodzakelijk is.
Kernpunt: een lening wordt bij een niet noodzakelijke verhuizing gezien als voldoende passend en toereikend om in kosten van verhuizing te voorzien.
Rechtbank Amsterdam 18 december 2025 (datum publicatie: 5 februari 2026) (ECLI:NL:RBAMS:2025:10114)
Samenvatting: eiser, een vreemdeling uit Libië, ontving bijstand op grond van een tijdelijke verblijfsvergunning. Na ongegrondverklaring van zijn bezwaar in de verblijfsrechtelijke procedure kreeg eiser verblijfscode 98, waarna het college de bijstand introk. De rechtbank oordeelt dat eiser terecht niet langer met een Nederlander wordt gelijkgesteld. Hangende beroep bestaat alleen recht op bijstand indien de voorzieningenrechter opschortende werking aan het beroep heeft toegekend, hetgeen hier niet het geval is. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet, nu informatie van het Juridisch Loket en eerdere doorbetaling geen toezeggingen van het college vormen. Ook het evenredigheidsbeginsel staat niet aan intrekking in de weg, gelet op het dwingendrechtelijke koppelingsbeginsel.
Kernpunt: na verkrijging van verblijfscode 98 is intrekking van bijstand verplicht op grond van het koppelingsbeginsel.
Rechtbank Amsterdam 22 december 2025 (datum publicatie: 9 februari 2026) (ECLI:NL:RBAMS:2025:10326)
Samenvatting: beroep tegen de verlaging van de bijstand naar de inrichtingsnorm tijdens verblijf in een Schotse verslavingskliniek. De rechtbank oordeelt dat deze kliniek kwalificeert als een inrichting in de zin van de Participatiewet. Omdat de kliniek zich richt op verpleging en verzorging van hulpbehoevenden, is artikel 23 van de Participatiewet van toepassing. Dit is een dwingende bepaling, waardoor het college verplicht was de bijstandsuitkering te verlagen naar de inrichtingsnorm. Er was geen ruimte voor individuele afstemming, mede omdat het college al maatwerk leverde door de vliegtickets naar de kliniek via bijzondere bijstand te vergoeden.
Kernpunt: verblijf in een verslavingskliniek dwingt tot toepassing van de lagere bijstandsnorm voor inrichtingen.
Centrale Raad van Beroep 13 januari 2026 (datum publicatie: 4 februari 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:69)
Samenvatting: appellante vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van brillenglazen. Het college wees dit verzoek af omdat de Zorgverzekeringswet (Zvw) als een passende voorliggende voorziening wordt beschouwd. De Raad oordeelt dat bij medische zorg buiten de Zvw-vergoeding in beginsel mag worden aangenomen dat de wetgever een bewuste keuze heeft gemaakt deze kosten niet te vergoeden. Het was aan appellante om te bewijzen dat dit niet louter om budgettaire redenen gebeurde, wat zij niet heeft gedaan. De afwijzing blijft in stand.
Kernpunt: de Zorgverzekeringswet fungeert als een passende voorliggende voorziening voor de kosten van brillenglazen.
Centrale Raad van Beroep 13 januari 2026 (datum publicatie: 12 februari 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:98)
Samenvatting: de bijstand van appellanten werd ingetrokken omdat zij niet duurzaam gescheiden leefden. Onderzoek door de sociale recherche toonde aan dat de echtgenoten, ondanks inschrijving op verschillende adressen, feitelijk samenwoonden. De Raad oordeelt dat het onderzoek zorgvuldig was en de afgelegde verklaringen een toereikende feitelijke grondslag boden voor de conclusie dat zij geen zelfstandig recht op bijstand hadden. Dat er geen buurtonderzoek was gedaan bij de tweede woning deed niet af aan de kwaliteit van het onderzoek. Er waren geen dringende redenen om van terugvordering af te zien.
Kernpunt: de intrekking is rechtmatig omdat onderzoek uitwees dat appellanten feitelijk niet duurzaam gescheiden leefden.
Rechtbank Noord-Nederland 23 december 2025 (datum publicatie: 24 februari 2026) (ECLI:NL:RBNNE:2025:5828)
Samenvatting: verzoekster maakte bezwaar tegen de intrekking van haar bijstandsuitkering wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met haar ex-partner. De voorzieningenrechter oordeelt dat het college onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de ex-partner zijn hoofdverblijf in de woning van verzoekster had. Enkele persoonlijke bezittingen en incidenteel verblijf ten behoeve van hun kind vormen onvoldoende bewijs voor een gezamenlijk hoofdverblijf. Omdat de bewijslast op het college rust en de feiten onvoldoende feitelijk zijn onderbouwd, wordt het besluit geschorst gedurende de bezwaarprocedure.
Kernpunt: de voorlopige voorziening is toegewezen omdat het hoofdverblijf van de ex-partner onvoldoende was onderbouwd door het college.
Rechtbank Overijssel 6 januari 2026 (datum publicatie: 6 februari 2026) (ECLI:NL:RBOVE:2026:6)
Samenvatting: eiser verkocht zijn woning aan zijn ex-schoonouders voor € 175.000,-, terwijl de WOZ-waarde € 241.000,- bedroeg. Het college verleende de bijstand op grond van artikel 48, tweede lid, onder b, van de Pw als geldlening wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. De rechtbank oordeelt dat het college terecht uitging van de WOZ-waarde als waarde bij vrije oplevering en niet van de lagere verkoopprijs. Dat eiser door verslavingsproblematiek in deze situatie terechtkwam, maakt de verkoop niet minder verwijtbaar. Het beroep op het vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel slaagt evenmin.
Kernpunt: bijstandsverlening als geldlening is terecht nu eiser zijn woning ver onder de WOZ-waarde heeft verkocht.
Centrale Raad van Beroep 20 januari 2026 (datum publicatie: 12 februari 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:132)
Samenvatting: het college trok de bijstand van betrokkenen in nadat betrokkene een immateriële letselschadevergoeding van € 65.000,- ontving wegens een medische fout en paste daarbij zijn vaste gedragslijn toe om 1/3 deel vrij te laten en 2/3 deel als vermogen aan te merken. De Raad oordeelt dat deze gedragslijn niet als uitgangspunt mag dienen zonder individuele belangenafweging. Uitgaande van de statistische eindleeftijd van 86,3 jaar komt de vergoeding neer op € 125,- per maand. Gelet op dit beperkte bedrag, de aard en bestemming van de vergoeding, had het college het gehele bedrag moeten vrijlaten.
Kernpunt: een vaste gedragslijn voor vrijlating van immateriële schadevergoeding volstaat niet zonder individuele belangenafweging.
Centrale Raad van Beroep 20 januari 2026 (datum publicatie: 17 februari 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:136)
Samenvatting: de Raad oordeelt dat de eerste bijstandsaanvraag ten onrechte is afgewezen. Uit het eigen rapport van het college bleek reeds dat appellant met leningen van familieleden in zijn levensonderhoud voorzag en dat zijn vermogen onder de vrijlatingsgrens lag. Het besluit berust niet op een deugdelijke motivering. De afstemming van de bijstand bij de tweede aanvraag is wel terecht. De moeder van appellant betaalde rechtstreeks de wegenbelasting en autoverzekering aan de Belastingdienst en verzekeringsmaatschappij, wat een substantiële besparing opleverde. Omdat appellant niet vrij over deze bedragen kon beschikken, is geen sprake van een vrij te laten gift als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder m, van de PW.
Kernpunt: afwijzing eerste aanvraag onterecht wegens substantiële gebrekkige motivering; afstemming bijstand wegens besparing op autokosten terecht, geen vrij te laten gift.
Centrale Raad van Beroep 20 januari 2026 (datum publicatie: 17 februari 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:135)
Samenvatting: de Raad bevestigt de herziening en terugvordering van bijstand wegens niet-gemelde rentebetalingen uit notariële schulderkenningen. De jaarlijkse rente die appellant van zijn moeder ontving is gekoppeld aan een niet-opeisbare vordering en kwalificeert als inkomsten uit vermogen in de zin van artikel 32, eerste lid, van de PW, niet als vrij te laten gift. Door deze inkomsten niet te melden heeft appellant de inlichtingenverplichting geschonden. Het beroep op soepeler terugvorderingsbeleid slaagt niet, nu dit slechts een kabinetsvoornemen betreft en geen geldend recht.
Kernpunt: rente uit schulderkenningen kwalificeert als inkomsten uit vermogen
Centrale Raad van Beroep 27 januari 2026 (datum publicatie: 12 februari 2026) (ECLI:NL:CRVB:2026:124)
Samenvatting: het college trok de bijstand van appellante in en vorderde deze terug wegens weigering mee te werken aan een huisbezoek. De Raad oordeelt dat geen redelijke grond voor het huisbezoek bestond. De melding van de gemeente Den Haag dat de dochter van appellante vermoedelijk bij haar verbleef, berustte niet op meer dan vermoedens. Het college had zich drieënhalve maand na het gesprek met appellante rekenschap moeten geven van de actuele situatie en nader onderzoek moeten doen. De intrekking, terugvordering en afwijzing van een nieuwe aanvraag zijn daarom herroepen.
Kernpunt: de intrekking is onterecht omdat er geen redelijke grond voor het huisbezoek aanwezig was.
Rechtbank Overijssel 23 januari 2026 (datum publicatie: 18 februari 2026) (ECLI:NL:RBOVE:2026:296)
Samenvatting: eiser stelde het college via WhatsApp op de hoogte van zijn dakloosheid. Het college zond het opschortingsbesluit naar het oude woonadres, hoewel het bekend was dat eiser daar niet meer verbleef en het over zijn e-mailadres beschikte. Na het ongebruikt verstrijken van de hersteltermijn werd de bijstand ingetrokken. De rechtbank oordeelt dat het opschortingsbesluit niet op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, zodat de intrekking evenmin in stand kan blijven.
Kernpunt: opschorting en intrekking onrechtmatig wegens onjuiste bekendmaking van het primaire besluit.
Rechtbank Gelderland 27 januari 2026 (datum publicatie: 10 februari 2026) (ECLI:NL:RBGEL:2026:583)
Samenvatting: de bijstand van eiser is ingetrokken en teruggevorderd omdat hij verzuimde onroerend goed in Turkije, verkregen uit een erfenis, te melden bij het college. Eiser stelde dat de gemeente al op de hoogte was en dat hij niet over het vermogen kon beschikken. De rechtbank oordeelt dat eiser een actieve inlichtingenplicht heeft en niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet over het aandeel in de erfenis kon beschikken. De waarde overschreed de vermogensgrens, waardoor de besluiten in stand bleven.
Kernpunt: eiser schond inlichtingenplicht door buitenlands vermogen uit een erfenis niet te melden.
Rechtbank Gelderland 27 januari 2026 (datum publicatie: 9 februari 2026) (ECLI:NL:RBGEL:2026:862)
Samenvatting: de gemeente heeft de bijstand van eiseres ingetrokken en teruggevorderd vanwege het vermoeden van een gezamenlijke huishouding met haar ex-partner. De rechtbank oordeelt dat de onderzoeksbevindingen, zoals waarnemingen van een geparkeerde auto en verklaringen over klussen en mee-eten, onvoldoende grondslag bieden voor de conclusie dat de ex-partner zijn hoofdverblijf bij eiseres had. De gemeente heeft niet aan de bewijslast voldaan en de besluiten zijn gebrekkig gemotiveerd. Hierdoor ontbreekt de grondslag voor de opgelegde maatregelen.
Kernpunt: beroep gegrond, omdat er onvoldoende bewijs was dat sprake is van een gezamenlijke huishouding en hoofdverblijf.
Rechtbank Midden-Nederland 29 januari 2026 (datum publicatie: 16 februari 2026) (ECLI:NL:RBMNE:2026:175)
Samenvatting: eiseres verzocht om een permanente ontheffing van haar arbeids- en re-integratieverplichtingen omdat zij meent volledig en duurzaam arbeidsongeschikt te zijn. De rechtbank oordeelt dat de medische rapportages geen aanleiding geven voor het oordeel dat de situatie duurzaam is. Er zijn mogelijkheden voor verbetering door sociale activering en daginvulling. Daarnaast ondervindt eiseres wel beperkingen ten gevolge van ziekte, maar zij is wel belastbaar. Verweerder heeft eiseres daarom terecht niet aangemerkt als volledig en duurzaam arbeidsongeschikt in de zin van de Participatiewet.
Kernpunt: beroep is ongegrond, omdat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is nu er medische kans op verbetering bestaat.
Rechtbank Noord-Holland 2 februari 2026 (datum publicatie: 10 februari 2026) (ECLI:NL:RBNHO:2026:1116)
Samenvatting: verzoekster verzocht om een voorlopige voorziening nadat haar bijstandsaanvraag werd afgewezen vanwege onduidelijkheid over onroerend goed in Marokko. De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekster haar financiële situatie nog onvoldoende heeft onderbouwd, maar dat er sprake is van een acute financiële noodsituatie door dreigende huisuitzetting en afsluiting van energie. Vanwege het belang van de drie inwonende kinderen wordt het verzoek als ordemaatregel toegewezen. De gemeente moet voorschotten verstrekken tot zes weken na de beslissing op het bezwaar.
Kernpunt: verzoek toegewezen, wegens acute financiële nood moeten voorschotten worden verstrekt ondanks onduidelijk vermogen.
Rechtbank Oost-Brabant 2 februari 2026 (datum publicatie: 18 februari 2026) (ECLI:NL:RBOBR:2026:650)
Samenvatting: eiser ontving een afwijzing voor de individuele inkomenstoeslag omdat zijn inkomen door de afbouw van de dubbele loonheffingskorting boven de grens van 103% van de bijstandsnorm uitkwam. De rechtbank oordeelt dat het college het begunstigend beleid consistent heeft toegepast. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel en de hardheidsclausule slaagt niet, aangezien de wetgever de inkomenseffecten heeft voorzien en er sprake is van een bewuste beleidskeuze om enkel aanvragers onder de inkomensgrens toe te laten.
Kernpunt: overschrijding inkomensgrens door landelijke fiscale wijzigingen rechtvaardigt afwijzing van de individuele inkomenstoeslag.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11 februari 2026 (datum publicatie: 26 februari 2026) (ECLI:NL:RBZWB:2026:866)
Samenvatting: eiser verzocht om bijzondere bijstand voor griffierecht in een tuchtzaak over een huisarts. Bij gebrek aan een toevoeging voor rechtsbijstand moet het college de noodzaak van de procedure zelfstandig en terughoudend toetsen. Eiser weigerde informatie te verstrekken over het benutten van alternatieve klachtmogelijkheden. De rechtbank oordeelt dat het college hierdoor de noodzakelijkheid niet kon vaststellen en de aanvraag terecht afwees. Er is geen sprake van strijd met artikel 6 EVRM of een ongeoorloofde inperking van de toegang tot de rechter.
Kernpunt: beroep is ongegrond, nu door het weigeren van informatie over klachtalternatieven de noodzaak niet is aangetoond.
Rechtbank Gelderland 13 februari 2026 (datum publicatie: 19 februari 2026) (ECLI:NL:RBGEL:2026:1022)
Samenvatting: Fijnder vordert bijstandskosten mede van eiser terug wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding. De rechtbank oordeelt dat het besluit een gebrekkige motivering heeft. Fijnder verwees uitsluitend naar de beslissing op bezwaar van de ex-partner, maar die beslissing was reeds door de rechtbank vernietigd wegens een motiveringsgebrek. Daarnaast ging Fijnder in het geheel niet in op de door eiser specifiek aangevoerde argumenten en bewijsstukken. Hierdoor ontbreekt een deugdelijke onderbouwing voor de medeterugvordering, wat leidt tot vernietiging van het besluit.
Kernpunt: beroep gegrond wegens gebrekkige motivering door verwijzing naar een reeds vernietigd besluit.
Rechtbank Gelderland 11 februari 2026 (datum publicatie: 17 februari 2026) (ECLI:NL:RBGEL:2026:943)
Samenvatting: eiser vecht de intrekking van de bijstand van zijn partner aan. De rechtbank stelt vast dat dit besluit uitsluitend de rechtspositie van de partner betreft en niet die van eiser. Dat de bijstand mede bij eiser wordt teruggevorderd, geeft hem geen rechtstreeks belang bij de intrekking zelf. Eiser kan tegen de medeterugvordering een aparte procedure starten, wat hij ook heeft gedaan. De rechtbank oordeelt dat eiser geen belanghebbende is en verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk.
Kernpunt: beroep niet-ontvankelijk omdat eiser geen rechtstreeks belanghebbende is bij intrekking partners bijstand.
Rechtbank Limburg 16 februari 2026 (datum publicatie: 19 februari 2026) (ECLI:NL:RBLIM:2026:1580)
Samenvatting: verzoekster vraagt een voorlopige voorziening na afwijzing van haar bijstandsaanvraag wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met haar buurman. De voorzieningenrechter oordeelt dat de afwijzing terecht is, nu de woon- en leefsituatie niet controleerbaar is gewijzigd ten opzichte van de eerdere intrekkingsperiode. Gelet op zeer bijzondere omstandigheden — de woningen zijn ongeschikt om samen te wonen en er wordt gewerkt aan een structurele oplossing via de woningbouwvereniging — treft de voorzieningenrechter niettemin een voorziening. Het college moet bij wijze van voorschot maandelijks een bedrag ter hoogte van de netto woonlasten verstrekken.
Kernpunt: voorziening toegewezen op grond van zeer bijzondere omstandigheden, ondanks juridisch terechte afwijzing van de bijstandsaanvraag.