Zoeken
  1. Klachtplicht (art. 6:89 BW): 3 jaar wachten te lang

Klachtplicht (art. 6:89 BW): 3 jaar wachten te lang

Artikel 6:89 BW: steeds vaker gebruikt, harde consequentiesArt. 6:89 BW regelt dat een schuldeiser op een gebrek in de prestatie van een contractuele wederpartij geen beroep meer kan doen, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken, bij die wederpartij (de schuldenaar) ter zake heeft geprotesteerd.Net als met verjaring is met artikel 6:89 BW beoogd de rechtszekerheid te dienen. Echter, anders dan bij verjaring is voor de aanv...
Auteur artikelDirkzwager
Gepubliceerd30 november 2011
Laatst gewijzigd30 november 2011
Leestijd 
Artikel 6:89 BW: steeds vaker gebruikt, harde consequenties

Art. 6:89 BW regelt dat een schuldeiser op een gebrek in de prestatie van een contractuele wederpartij geen beroep meer kan doen, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken, bij die wederpartij (de schuldenaar) ter zake heeft geprotesteerd.

Net als met verjaring is met artikel 6:89 BW beoogd de rechtszekerheid te dienen. Echter, anders dan bij verjaring is voor de aanvang van de termijn waarbinnen actie moet worden ondernomen niet van belang op welk moment een schuldeiser bekend was met de (gestelde) schade. Het gaat erom op welk moment hij bekend was of redelijkerwijs kon zijn met het vermeende gebrek in de prestatie. Dat moment kan dus veel vroeger gelegen zijn dan het moment waarop bekendheid met schade ontstaat.

Een vaste termijn waarbinnen moet worden geklaagd, of die als uitgangspunt te gelden heeft, is er niet.

In 2010 heeft de Hoge Raad reeds beslist dat voor het antwoord op de vraag of op de voet van art. 6:89 BW tijdig is geprotesteerd, acht moet worden geslagen op alle relevante omstandigheden, waaronder het nadeel als gevolg van het verstrijken van de tijd totdat tegen de afwijking is geprotesteerd, en in elk geval ook op de waarneembaarheid van de afwijking, de deskundigheid van partijen, de onderlinge verhouding van partijen, de aanwezige juridische kennis en de behoefte aan voorafgaand deskundig advies.

In de praktijk blijkt met name eerstgenoemde omstandigheid (nadeel voor de schuldenaar) zwaar te wegen bij de beoordeling van een verweer op grond van art. 6:89 BW. Voorts zijn in de rechtspraak veelvuldig discussies te vinden omtrent de aanvang van de klachttermijn.

Een succesvol beroep op art. 6:89 BW heeft vergaande gevolgen. Het recht is dan immers verwerkt de schuldenaar aan te spreken. Anders dan bij verjaring gaat, behalve het vorderingsrecht, daarbij ook de verbintenis teniet. Er kan bijvoorbeeld dus ook geen beroep op verrekening worden gedaan, zoals bij verjaring wel het geval is.

Hof Amsterdam d.d. 23 augustus 2011: 3 jaar wachten is sowieso te laat

In een zaak die diende bij het hof Amsterdam ging het om de aansprakelijkheid van een bank jegens een klant, die – op basis van advisering door de bank – in aandelen had belegd en in opties had gehandeld. De klant sprak de bank aan omdat hij grote verliezen had geleden.

Geoordeeld werd dat de klachttermijn was gaan lopen in de herfst van 2002, terwijl vast kwam te staan dat eind 2005 voor het eerst was geklaagd. De klachttermijn bedroeg hier dus 3 jaar.

Ter onderbouwing van de stelling dat wel degelijk binnen bekwame termijn was geprotesteerd stelde de klant met name dat de bank niet in haar belangen was geschaad (het hiervoor genoemde criterium: nadeel voor de schuldenaar).

Nadat het hof had herhaald dat voor het antwoord op de vraag of tijdig op de voet van art. 6:89 BW is geprotesteerd acht moet worden geslagen op alle relevante omstandigheden, overwoog het hof dat er – met 3 jaar – sprake was van een fors tijdsverloop tussen de aanvang van de termijn en het melden, een tijdsverloop dat naar het oordeel van het hof slechts onder bijzondere omstandigheden niet leidt tot verval van het recht om een beroep te doen op een gebrek in de prestatie. De omstandigheid dat geen nadeel zou zijn ondervonden wordt niet als zo’n omstandigheid aangemerkt, aldus het hof.

Het hof motiveert zijn oordeel door te overwegen dat het feit dat een zekere terughoudendheid om een beroep op art. 6:89 BW te honoreren op zijn plaats is, niet meebrengt dat het pas na ongeveer 3 jaar protesteren zonder dat daar een duidelijke reden voor is, nog zou moeten worden gesauveerd. Indien dit wel zou gebeuren zou elke betekenis aan het woord “tijdig” (als bedoeld in art. 6:89 BW) komen te ontvallen.

Hoewel het hof de deur dus niet volledig dicht gooit voor zeer late klachten, lijkt een termijn van 3 jaar in beginsel dus te lang en is dan het recht verwerkt de wederpartij aan te spreken. De mogelijkheid dat geen sprake is van nadeel voor de schuldenaar als gevolg van de late klacht doet daar niet aan af.