Zoeken
  1. Minimum realisatienorm windenergie niet noodzakelijk

Minimum realisatienorm windenergie niet noodzakelijk

Een minimum realisatienorm windenergie is niet noodzakelijk voor de provincie om gemeenten te dwingen tot medewerking aan een windturbinepark. In zijn oordeel van 4 april 2018 over windpark Bijvanck te Angerlo, Zevenaar, deed de Raad van State een belangwekkende uitspraak over de provinciale bevoegdheden.
Auteur artikelMaarten Baneke (uit dienst)
Gepubliceerd09 april 2018
Laatst gewijzigd09 april 2018
Leestijd 

Het bedrijf Raedthuys Windenergie, één van de grootste Nederlandse ontwikkelaars van windturbineparken op land, had aan de raad van de gemeente Zevenaar medewerking gevraagd voor de bouw van vier windturbines, ten zuiden van de kern Angerlo, nabij de grens met de gemeente Montferland. De raad van Zevenaar had die medewerking afgewezen. Daarna vroeg de initiatiefnemer hulp aan de provincie. Die heeft daarvoor vergaande instrumenten. Volgens art. 9 e, 1e lid Elektriciteitswet zijn Provinciale Staten bevoegd om voor de aanleg of uitbreiding van een productie-installatie voor opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie, als het gaat om een capaciteit tussen 5 MW en 100 MW, gronden aan te wijzen en daarvoor een inpassingsplan als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening vast te stellen. Als PS dat doen, dan wordt de gemeenteraad voor tien jaar buiten spel gezet; de raad kan dan gedurende tien jaar voor die gronden geen bestemmingsplan meer vaststellen.

PS hadden van die bevoegdheid, (kennelijk, dat blijkt impliciet uit de uitspraak (ECLI:NL:RVS:2018:1146)) op verzoek van Raedthuys, gebruik gemaakt en hadden dus een inpassingsplan vastgesteld. Daarnaast hadden zij met behulp van de coördinatieregeling een omgevingsvergunning verleend, maatwerkvoorschriften vastgesteld, en tenslotte ook een ontheffing als bedoeld in de Wet natuurbescherming verleend voor het eventueel doden van vogels en vleermuizen.

Een aantal partijen, waaronder burgemeester en wethouders van Montferland, stelden beroep in bij de Raad van State. B&W van Montferland voerden aan dat PS alleen een inpassingsplan mogen vaststellen als er sprake is van provinciale belangen (art. 3.26, 1e lid Wet ruimtelijke ordening). Die speelden hier volgens B&W niet. De  Raad van State wees echter op art. 9 e, 1e lid Elektriciteitswet. Daarin staan uitdrukkelijk de omstandigheden wanneer PS bevoegd zijn om voor een windturbinepark een inpassingsplan vast te stellen. Eigenlijk is de enige voorwaarde, dat het moet gaan om een windturbinepark met een capaciteit van tenminste 5 MW maar niet meer dan 100 MW. Dan zijn PS bevoegd en komt de vraag naar specifiek provinciale belangen niet meer aan de orde, aldus de Raad van State. Art. 9 e van de Elektriciteitswet vormt een bijzondere bepaling ten opzichte van art. 3.26 1e lid Wro en gaat dus vóór dat artikel. Bij een windturbinepark van deze capaciteit zijn PS dus bevoegd, ongeacht of er specifiek provinciale belangen aan de orde zijn.

Daarnaast ontstond er een discussie over de betekenis van een minimum realisatienorm windenergie in de provincie. Art. 9 e 2e lid Elektriciteitswet bepaalt namelijk dat Provinciale Staten verplicht zijn om gronden aan te wijzen en een inpassingsplan vast te stellen, als er een verzoek komt van een initiatiefnemer tot medewerking aan een windturbinepark (met de genoemde capaciteit), en de raad van de betreffende gemeente medewerking daaraan heeft afgewezen. Dat was hier aan de orde; de raad had medewerking immers geweigerd. Raedthuys Windenergie had zo’n verzoek gedaan. Enkele appellanten voerden aan dat PS niet verplicht waren om aan dat verzoek gevolg te geven, omdat binnen de provincie Gelderland geen minimum realisatienorm voor windenergie is vastgesteld.
 Art. 9 e, 6e lid Elektriciteitswet bepaalt dat de minister per provincie een minimum realisatienorm voor windenergie kan vaststellen. Dat moet gebeuren bij Algemene maatregel van Bestuur.
De Elektriciteitswet bepaalt verder, dat de verplichting van PS om gevolg te geven aan een verzoek tot aanwijzing van een locatie niet geldt, als de minimum realisatienorm is behaald.  Voor Gelderland is er überhaupt geen norm vastgesteld, althans niet bij AmvB.
De vraag rees daarom, of PS verplicht waren geweest om gevolg te geven aan het verzoek (uit de uitspraak blijkt overigens niet, of PS louter op grond van dat verzoek tot aanwijzing waren overgegaan, of dat zij het misschien zelf ook wel een goed idee vonden). Volgens de appellanten gold er geen verplichting, zolang die minimum realisatienorm nog niet was vastgesteld. De Raad van State geeft een andere uitleg aan het wetsartikel. Als er een minimum realisatienorm is vastgesteld en die is bereikt, dan geldt de verplichting niet. Maar als er geen minimum realisatienorm is vastgesteld, blijft de verplichting gewoon gelden. Dan is de beperking “er is een minimumrealisatienorm vastgesteld en die is bereikt” immers niet aan de orde. De conclusie is, dat zolang er geen minimum realisatienormen zijn vastgesteld (officieel per AMvB) provincies verplicht zijn om medewerking te verlenen aan verzoeken van initiatiefnemers.

Dat neemt overigens niet weg, dat Provinciale Staten verplicht zijn om het verzoek te toetsen aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening. Met een verwijzing naar de wetsgeschiedenis stelt de Raad van State dat dit vereiste nog steeds geldt. Mochten PS tot de conclusie komen dat de gronden waarvoor de initiatiefnemer medewerking vraagt, en waarvoor de raad dat heeft afgewezen, niet geschikt zijn voor de toepassing van windenergie, dan moeten zij op een alternatieve locatie voor het initiatief aanwijzen en daarvoor een inpassingsplan vaststellen, aldus de Raad van State.

Vanzelfsprekend kan dat voor de initiatiefnemer bezwaarlijk zijn; het is maar net de vraag of die over de benodigde gronden beschikt etc. Maar als de beoogde locatie nu eenmaal niet voldoet aan de eisen van goede ruimtelijke ordening, dan kan de initiatiefnemer in ieder geval nog aanspraak maken op verdere medewerking van de provincie.

Conclusie
De Elektriciteitswet kent een krachtig instrument voor provincies en initiatiefnemers om windturbineparken te ontwikkelen, en bezwaren van gemeenten terzijde te schuiven. Dit instrument gaat niet zover, dat de eis van een goede ruimtelijke ordening kan worden genegeerd. Daaraan moet – ik zou zeggen:  gelukkig – nog wel worden getoetst. Een initiatiefnemer kan aanspraak maken op medewerking van de provincie. Ook als er nog geen minimum realisatienorm windenergie is vastgesteld. Die medewerking van de provincie kan onder omstandigheden meebrengen, dat de provincie een alternatieve locatie moet aanwijzen, die voldoet aan de eisen van goede ruimtelijke ordening. Obstakels die zich bij de uitvoering van het plan dan voor de initiatiefnemer voordoen, zal de initiatiefnemer zelf moeten zien te overwinnen.

Wilt u meer weten over windenergie? Neem dan contact op met Maarten Baneke.