Nadeelcompensatie bij bomenkap?

28 augustus 2026

Op 24 juli 2026 heeft de rechtbank Rotterdam een opvallende uitspraak gedaan over de toekenning van nadeelcompensatie aan een grondeigenaar ter vergoeding van schade als gevolg van het kappen van bomen door het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard.

Hanna Zeilmaker
Hanna Zeilmaker
Advocaat - Partner
In dit artikel

In dit artikel bespreken wij met een kritische blik de overwegingen van de rechtbank over de vergoedbaarheid van de door de grondeigenaar geleden schade over de band van nadeelcompensatie ex artikel 7.14 Waterwet.

Wat speelde in deze zaak?

Het college van dijkgraaf en heemraden van Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard heeft een omgevingsvergunning voor het kappen van bomen aangevraagd en verleend gekregen van het college van burgemeester en wethouders van Gouda. Een aantal van deze bomen staat op een huisperceel en een bosperceel, in eigendom van een grondeigenaar. De eigenaar ziet hierin aanleiding om ter zake van de door burgemeester en wethouders verleende omgevingsvergunning een verzoek om nadeelcompensatie in te dienen bij dijkgraaf en heemraden. De eigenaar stelt dat hij schade heeft geleden door de kap van de bomen op zowel het huisperceel als op het bosperceel.

Voor het beslissen op het verzoek om nadeelcompensatie laten dijkgraaf en heemraden zich adviseren door een door hen ingestelde Adviescommissie. De Adviescommissie adviseert om een bedrag van € 20.200,- aan nadeelcompensatie toe te kennen en om geen deskundigenkosten te vergoeden.

In afwijking van het advies besluiten dijkgraaf en heemraden om een bedrag aan nadeelcompensatie toe te kennen van € 19.001,80. Dijkgraaf en heemraden motiveren in het besluit dat zij de op € 1.480,37 begrote opbrengst van vrijkomend hout dat aan de eigenaar ter beschikking is gesteld, in mindering brengen op het toe te kennen bedrag aan nadeelcompensatie. Volgens dijkgraaf en heemraden is de vergoeding van schade met de terbeschikkingstelling van het hout aan de eigenaar in zoverre verzekerd (art. 7.14 lid 1 Waterwet). In afwijking van het advies van de Adviescommissie besluiten dijkgraaf en heemraden verder om aan de eigenaar een vergoeding van deskundigenkosten toe te kennen van € 1.089,-.

Het tegen het primaire besluit ingestelde bezwaar van de eigenaar wordt door dijkgraaf en heemraden ongegrond verklaard, conform het advies van de bezwaarschriftencommissie. De eigenaar (en na diens overlijden zijn weduwe) gaat hiertegen in beroep in bij de rechtbank Rotterdam.

Uitspraak van de rechtbank

 

 

Toetsingskader

De rechtbank overweegt dat op grond van het overgangsrecht van art. 4.21 Invoeringswet Omgevingswet art. 7.14 van de Waterwet van toepassing is op het door de eigenaar ingediende verzoek om nadeelcompensatie (r.o. 7).

Schadeomvang houtkap huisperceel

Tussen de eigenaar en dijkgraaf en heemraden bestaat een erfgrensdiscussie over welke gekapte bomen zich wel/niet bevonden op het perceel van de eigenaar. De rechtbank oordeelt hierover dat de eigenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bomen met nummers 115, 121, 122, 124, 126, 127, 128, 129, 130 en 131 op het huisperceel door natrekking zijn eigendom zijn geworden. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat het kappen van deze bomen niet tot vergoeding van schade aan de eigenaar kan leiden (r.o. 11.1).

De rechtbank stelt vervolgens vast dat bomen met nummers 121, 122 en 124 gekapt zijn, terwijl dat niet de bedoeling was. De rechtbank oordeelt dat dijkgraaf en heemraden deze drie bomen daarom wél had moeten meenemen bij de vaststelling van de schade (r.o. 12).

Schadeomvang houtkap bosperceel


Ten aanzien van acht bomen met nummers 62, 67, 68, 70, 78, 81, 85 en 89 is de rechtbank van oordeel dat dijkgraaf en heemraden niet voldoende hebben aangetoond dat deze bomen zijn meegenomen in de schadebegroting. De rechtbank geeft de eigenaar daarom het voordeel van de twijfel en gaat mee in diens betoog dat dijkgraaf en heemraden de schade niet zorgvuldig hebben begroot (r.o. 13).

Houtopbrengsten

Over het bedrag van € 1.480,37 aan houtopbrengsten dat dijkgraaf en heemraden in mindering hebben gebracht op de schadevergoeding oordeelt de rechtbank dat dijkgraaf en heemraden onvoldoende hebben onderbouwd dan wel aannemelijk hebben gemaakt dat de eigenaar dit bedrag aan baten van het vrijgekomen hout heeft gehad. De rechtbank kent daarbij betekenis toe aan het gebrek aan voldoende (foto)bewijs, alsmede aan de betwisting door de eigenaar dat van het bosperceel hout aan hem ter beschikking zou zijn gesteld (r.o. 14.1).

Overige beroepsgronden

De eigenaar voert nog een aantal andere beroepsgronden aan over de gehanteerde schadeberekeningsmethode, de door hem gestelde waardevermindering van zijn onroerende zaak, gederfd woongenot en schade door verlies aan baten en milieuschade. Deze beroepsgronden slagen niet en blijven in dit artikel verder onbesproken.

Wat besliste de rechtbank?

De rechtbank verklaart het beroep van de eigenaar gedeeltelijk gegrond en vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin geen schadevergoeding is toegekend voor de bomen 121, 122, 124 (huiskavel) en 62, 67, 68, 70, 78, 81, 85 en 89 (boskavel).

De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, door voor deze elf bomen een schadevergoeding toe te kennen van € 144,18 per boom. De rechtbank baseert dit bedrag op de door de Adviescommissie gehanteerde kosten voor reconstructie van € 8.506,77, gedeeld door het aantal bomen (57) dat vergoed moet worden (r.o. 19).

Commentaar

De uitspraak van de rechtbank roept bij ons een aantal vragen op. Op basis van het feitencomplex zoals dat blijkt uit de uitspraak is het ons niet duidelijk waarom deze kwestie is beslecht over de band van een bestuursrechtelijke nadeelcompensatieprocedure, in plaats van over de band van een civielrechtelijke procedure uit hoofde van onrechtmatige daad. Nadeelcompensatie is namelijk alleen aan de orde wanneer schade wordt geleden als gevolg van rechtmatig overheidsoptreden.

Uit de uitspraak blijkt dat het hoogheemraadschap bomen heeft gekapt, waarvan er zich een aantal bevonden op het perceel van de eigenaar. Deze bomen waren daarom eigendom van de grondeigenaar (art. 5:20 lid 1 BW). Het kappen van bomen op andermans grond is in beginsel onrechtmatig, ook wanneer daarvoor een omgevingsvergunning is verleend. Het kappen van bomen op andermans grond is wél rechtmatig, indien de eigenaar daarvoor toestemming heeft gegeven, of indien daarvoor aan de grondeigenaar een gedoogplicht is opgelegd (art. 5.24 Waterwet, vgl. Rechtbank Gelderland 27 mei 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:4143).

Uit de uitspraak blijkt niet dat aan de eigenaar een gedoogplicht is opgelegd. Evenmin blijkt uit de uitspraak dat de eigenaar toestemming heeft gegeven voor het kappen van de bomen. Op basis van de feitelijke gang van zaken zoals omschreven in de uitspraak ligt het ook niet zonder meer voor de hand dat de kap plaatsvond op basis van een door de grondeigenaar verleende toestemming. In zo’n situatie is het namelijk gebruikelijk dat er aan de voorkant afspraken worden gemaakt over de schadevergoeding. Uit de uitspraak blijkt echter dat de kap plaatsvond in maart-april 2014, en dat de eigenaar pas in december 2020 een verzoek om nadeelcompensatie heeft ingediend. Naast de vraag of sprake is van verjaring (een vraag die in de uitspraak onbesproken blijft) rijst daarmee ook de vraag waarom in het geval van toestemming zou zijn gekozen voor deze wijze van geschilbeslechting. Ook de discussie over de vraag welke bomen zich wel/niet op het perceel van de eigenaar bevonden valt moeilijk te rijmen met een door de eigenaar verleende toestemming voor het kappen van de bomen.

Uit de uitspraak blijkt verder dat dijkgraaf en heemraden het standpunt hebben ingenomen dat de bomen van de eigenaar ten tijde van het afzagen op 3 maart 2014 niet rechtmatig aanwezig waren, omdat bomen op de kade op grond van de Keur van het hoogheemraadschap niet zijn toegestaan. Dijkgraaf en heemraden hebben dit echter niet aan de eigenaar tegengeworpen (r.o. 17.3). Indien dijkgraaf en heemraden de bomen zouden hebben gekapt krachtens een aan de eigenaar opgelegde last onder bestuursdwang, dan zou de bomenkap rechtmatig hebben kunnen plaatsvinden. Dat bestuursdwang zou zijn toegepast blijkt echter niet uit de uitspraak, en is ook niet door de eigenaar gesteld als schadeoorzaak. Bovendien zou een verzoek om nadeelcompensatie in verband met een rechtmatig bestuursdwangbesluit nagenoeg kansloos zijn geweest (vgl. ABRvS 4 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3708, r.o. 14.4).

Een andere bijzonderheid is dat de eigenaar zijn verzoek om nadeelcompensatie kennelijk heeft gebaseerd op de door burgemeester en wethouders van Gouda verleende omgevingsvergunning voor het vellen van bomen (r.o. 2 uitspraak). Dat roept de vraag op of het verzoek om nadeelcompensatie niet had moeten worden ingediend bij burgemeester en wethouders, in plaats van bij dijkgraaf en heemraden.

Wat ons verder opvalt is dat de rechtbank zichzelf lijkt tegen te spreken ten aanzien van de vergoeding van schade met betrekking tot de bomen met nummers 121, 122 en 124. De rechtbank oordeelt namelijk eerst dat de eigenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat onder meer deze bomen door natrekking zijn eigendom zijn geworden. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat het kappen van deze bomen niet tot vergoeding van schade aan de eigenaar kan leiden (r.o. 11.1). Vervolgens oordeelt de rechtbank dat, aangezien het niet de bedoeling was dat bomen met nummers 121, 122 en 124 gekapt zouden worden, deze bomen hadden moeten worden meegenomen bij de vaststelling van de schade (r.o. 12). Indien bomen met nummers 121, 122 en 124 geen eigendom waren van de grondeigenaar, dan is het ons niet duidelijk waarom de grondeigenaar desalniettemin een vergoeding zou moeten krijgen voor de kosten voor het reconstrueren van deze bomen ad € 144,18 per boom.

Ook blijkt uit de uitspraak niet wat ermee wordt bedoeld dat “het niet de bedoeling was” dat bomen 121, 122 en 124 gekapt zouden worden. Mogelijk wordt hiermee gedoeld op niet nader benoemde afspraken tussen het hoogheemraadschap en de grondeigenaar en/of dat de verleende omgevingsvergunning geen betrekking had op deze bomen. In beide gevallen lijkt geen sprake te zijn van rechtmatig overheidsoptreden, wat vereist is voor het toekennen van nadeelcompensatie. Het kappen van bomen in strijd met gemaakte afspraken en/of zonder de vereiste omgevingsvergunning kan bezwaarlijk worden aangemerkt als rechtmatig overheidshandelen.

Heeft u vragen over dit artikel of over nadeelcompensatie in het algemeen? Neem dan gerust contact op.

Gerelateerd

Hotelappartementen in Amsterdam Oud-West na twaalf jaar toegestaan

Een verlaten hoek in Amsterdam Oud-West, al sinds 2010 braakliggend. Buurtbewoners die al meer dan tien jaar vechten voor woningen op die plek. Een...

Wetsvoorstel Wijzigingswet Omgevingswet: onteigening en nadeelcompensatie

Het wetsvoorstel voor de Wijzigingswet Omgevingswet stelselaspecten voorziet in wetswijzigingen die het stelsel van de Omgevingswet raken. Het doel is de...

Tweede bekrachtigingsuitspraak Raad van State: onteigening onder de Omgevingswet verder ingevuld

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 8 juli 2026 een tweede bekrachtigingsuitspraak gedaan over de onteigening voor het project...

Maatregelenpakket stikstof: wat betekent dit voor uw project?

Afgelopen vrijdag, op 26 juni 2026, presenteerde het kabinet het langverwachte Maatregelenpakket stikstof. Dit pakket beoogt de al jaren vastgelopen...

Bekrachtigingsuitspraak Palace Wyck: onteigeningsbelang en algemene beginselen van behoorlijk bestuur

Bij uitspraak van 24 maart 2026 heeft de Rechtbank Limburg de onteigeningsbeschikking van de raad van Maastricht bekrachtigd voor de onteigening van een woning...

Onrechtmatige handhaving op verontreinigde grond: overheid aansprakelijk voor geleden schade?

Bij handhaving op het gebruik van verontreinigde grond kunnen besluiten van gemeente en provincie verstrekkende (financiële) gevolgen hebben voor betrokken...
No posts found