Zoeken
  1. Procesrecht : Kan je via de Nederlandse rechter een beslag laten opheffen dat met toestemming van een buitenlandse rechter is gelegd?

Procesrecht : Kan je via de Nederlandse rechter een beslag laten opheffen dat met toestemming van een buitenlandse rechter is gelegd?

Op onze kennispagina is al veel geschreven over conservatoir beslag. Conservatoir beslag houdt in dat er zogenaamd ‘bewarend’ beslag kan worden gelegd om bepaalde vermogensbestanddelen veilig te stellen voor verhaal.Om een vordering te kunnen verhalen op goederen van je debiteur moet je namelijk eerst beschikken over een executoriale titel. Deze titel heeft de deurwaarder nodig voordat hij goederen of gelden in beslag kan nemen waarvan jouw vordering kan worden betaald. Deze titel krijg je ec...
Artikel | 04 januari 2018 | Cindy Snelders-van de Kamp
Op onze kennispagina is al veel geschreven over conservatoir beslag. Conservatoir beslag houdt in dat er zogenaamd ‘bewarend’ beslag kan worden gelegd om bepaalde vermogensbestanddelen veilig te stellen voor verhaal.Om een vordering te kunnen verhalen op goederen van je debiteur moet je namelijk eerst beschikken over een executoriale titel. Deze titel heeft de deurwaarder nodig voordat hij goederen of gelden in beslag kan nemen waarvan jouw vordering kan worden betaald. Deze titel krijg je echter maar op twee manieren: door een notaris een akte te laten opstellen waaruit de vordering blijkt, of door te procederen en een gerechtelijk vonnis te behalen waaruit de vordering blijkt. Aan het eerste scenario dient een debiteur mee te werken. Dit zal niet snel het geval zijn en al helemaal niet wanneer er verschil van mening bestaat over het bestaan of de hoogte van de vordering. Procederen is dus vaak nodig. Een procedure kost echter veel tijd en geld. Het zou dus een flinke tegenvaller zijn wanneer na 1,5 a 2 jaar procederen blijkt dat de debiteur helemaal geen verhaal biedt. Om dat te voorkomen kan voordat de procedure gestart wordt, aan de voorzieningenrechter worden gevraagd of hij verlof verleent tot het leggen van conservatoir beslag. In Nederland  wordt dit verlof vrij gemakkelijk -zonder dat er wederhoor plaatsvindt- verkregen. De deurwaarder kan alsdan met dit verlof in de hand bewarende maatregelen nemen. Dit houdt in dat goederen en gelden niet direct mogen worden verkocht dan wel mogen worden geïncasseerd, maar dat ze moeten worden ‘bevroren’ zolang de procedure loopt. De debiteur mag dan dus niet aan zijn geld komen, geen debiteuren incasseren of geen goederen verkopen (afhankelijk van het gelegde beslag).

Van deze conservatoire maatregel kan een beslagen debiteur erg veel last hebben. Zo kan het volledige saldo van zijn bankrekening bevroren worden, kan het een (grote) klant van de debiteur verboden worden aan de debiteur te betalen en kan voorkomen worden dat onroerend goed wordt verkocht.

Het Nederlandse procesrecht bepaalt in artikel 705 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (“RV”) dat aan de voorzieningenrechter die het verlof tot het leggen van beslag heeft afgegeven via een kort geding kan worden verzocht dit beslag weer op te heffen. Dit kan onder meer wanneer de vordering waarvoor beslag is gelegd summierlijk ondeugdelijk blijkt te zijn, wanneer er bepaalde procedurele regels niet in acht zijn genomen of wanneer de beslagdebiteur een andere vorm van zekerheid stelt voor de nakoming van de claim van de beslaglegger.

In andere landen dan Nederland kunnen andere procedures gelden waarmee een soortgelijk ‘bewarend’ effect kan worden bereikt. In dat geval zal een buitenlandse rechter de beslissing nemen (toe te staan) dat een dergelijke bewarende maatregel door de beslaglegger wordt genomen. De vraag die in dit artikel centraal staat is of en onder welke omstandigheden een Nederlandse kort geding rechter dit beslag, dat door een buitenlandse rechter is toegestaan, kan opheffen, dan wel of de Nederlandse kort geding rechter de beslaglegger kan veroordelen om het beslag te doen opheffen.

Als praktijkvoorbeeld wordt een  recente uitspraak behandeld van de kort geding rechter van de Rechtbank Rotterdam.

Het inhoudelijke geschil betreft een erfrechtskwestie waar ik verder niet juridisch inhoudelijk op in zal gaan, maar mij zal beperken tot een korte schets van het feitencomplex. In Suriname hebben acht kinderen van een overleden man beslag gelegd op onroerend goed dat door vererving in eigendom toebehoorde aan de weduwe van de man. De kinderen hebben op grond van het erfrecht en het testament van de man een geldvordering op de weduwe die pas opeisbaar wordt op het moment dat zij hertrouwt of komt te overlijden. De weduwe heeft het onroerend goed verkocht aan een stichting waar de weduwe (indirecte) betrokkenheid bij zou hebben. Volgens de kinderen is deze verkoop paulianeus omdat deze is geschied tegen een veel te lage prijs en met het doel om onroerend goed aan het (toekomstige) verhaal van de kinderen te onttrekken.

De kinderen hebben de voorzieningenrechter in Paramaribo verzocht om conservatoir beslag te mogen leggen op het onroerend goed. Dit verlof is toegewezen en het beslag is gelegd. Omdat zowel de weduwe, als 7 van de 8 kinderen, woonachtig zijn in Nederland, de overleden vader woonachtig was in Nederland en omdat procedures in Suriname erg lang duren, heeft de weduwe ervoor gekozen om aan de Nederlandse kort geding rechter te vragen om de kinderen te veroordelen het beslag op te heffen.

De kinderen hebben vervolgens het verweer gevoerd dat niet de Nederlandse, maar de Surinaamse rechter (internationaal) bevoegd is om te oordelen over een vordering tot opheffing van het Surinaamse beslag. De Nederlandse kort geding rechter gaat hier niet in mee en overweegt als volgt:

Naar Nederlands internationaal privaatrecht geldt als regel dat slechts het gerecht van het land van tenuitvoerlegging bevoegd is om kennis te nemen van een geschil over de tenuitvoerlegging van een gerechtelijke beslissing (zijnde hier: de tenuitvoerlegging van het verlof tot beslaglegging). Dit is een exclusieve bevoegdheid, die voor wat betreft de EU is vastgelegd in artikel 24 lid 5 van de Herschikte EEX-Verordening (Verordening (EU) Nr. 1215/2012). Naar voorlopige oordeel geldt deze regel ook in de verhouding tot Suriname, als regel van ongeschreven Nederlands internationaal privaatrecht.

De vordering van eisers is echter niet: opheffing door de rechter van het conservatoire beslag. De vordering van eisers is: veroordeling van gedaagden om de opheffing van het conservatoire derdenbeslag te bewerkstelligen, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Te dien aanzien is de Nederlandse rechter (wel) bevoegd om kennis te nemen van de vordering, nu alle gedaagden in Nederland wonen (vgl. Pres rechtbank Arnhem 24-8-1984, NJ 1986/86). Er kan derhalve kennis worden genomen van de vordering.”

De Nederlandse kort geding rechter acht zich aldus bevoegd. Met dien verstande, dat de rechter zelf het beslag niet als opgeheven zal verklaren, maar dat hij in de mogelijkheid is om de kinderen te veroordelen het beslag te doen opheffen.

Deze gedachte van de voorzieningenrechter in Rotterdam is in lijn met een oordeel van 1 juli 2008 van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Zwolle-Lelystad , waar de voorzieningenrechter diende te oordelen over zijn bevoegdheid ten aanzien van een in België verleend verlof tot het leggen van beslag. De voorzieningenrechter ging in dit geval nader in op de vraag waarom de vordering tot veroordelen van de beslagleggers tot opheffing van het gelegde beslag niet moet worden gezien als een oordeel over de tenuitvoerlegging van een vonnis, waarvan de EEX-verordening bepaalt dat deze bevoegdheid exclusief toekomt aan de rechter die het vonnis heeft gewezen.

Art. 22, aanhef en onder lid 5 EEX-Vo ziet op geschillen over de tenuitvoerlegging van een beslissing. Onder deze executiegeschillen vallen niet alleen geschillen over executoriale beslagen, maar ook geschillen over conservatoire beslagen. Geschillen over de opheffing van gelegde beslagen vallen daardoor eveneens onder de werking van dit artikel.
(…) Ten aanzien van vorderingen tot opheffing van een beslag dient echter wel een nuancering aangebracht te worden in dier voege dat er sprake kan zijn van een beslag dat rechtstreeks door het vonnis opgeheven wordt en een beslag dat eerst van de baan is wanneer de gedaagde uitvoering geeft aan de daartoe gegeven veroordeling en tot opheffing van het beslag overgaat. Vonnissen waarin een beslag door de rechter (als executierechter) wordt opgeheven behoren namelijk wel tot het door art. 22, aanhef en onder lid 5 EEX-Vo bestreken toepassingsgebied doch vonnissen die een bevel tot opheffing bevatten niet en behoren daardoor ook niet tot de exclusieve bevoegdheid van de rechter van het land waar het beslag gelegd is.
(…) Nu [de beslagenen –CS] een veroordeling van [de beslaglegger – CS]  tot opheffing van het beslag hebben gevorderd, is de Belgische rechter niet exclusief bevoegd om over deze vordering te oordelen.”

In het Surinaamse voorbeeld is de weduwe dus ook bij de Nederlandse kort geding rechter aan het goede adres. Er kleeft één maar aan. De bevoegdheid van de Nederlandse rechter wordt nu gebaseerd op het feit dat de gedaagden (de beslag leggende kinderen) woonachtig zijn in Nederland. Dit geldt voor een van de acht beslagleggers niet. De Nederlandse rechter is dus niet bevoegd om deze beslaglegger te veroordelen het beslag op te heffen. Dit vormde voor de andere 7 kinderen een argument om te zeggen dat het dus ook niet zinvol zou zijn om hen te veroordelen het beslag op te heffen. Het beslag zou immers toch wel blijven liggen ten gunste van het niet in Nederland woonachtige kind. De voorzieningenrechter ging hier niet in mee. De weduwe zou er namelijk wel belang bij kunnen hebben in die zin, dat zij dan nog maar ten behoeve van één kind (in plaats van 8) vervangende zekerheid hoefde te stellen teneinde het beslag er af te krijgen. De rechter meende dus dat hij wel diende te oordelen over de vordering ten aanzien van de andere 7 kinderen. De rechter oordeelde uiteindelijk overigens met een beroep op artikel 705 Rv dat de vordering van de kinderen, waarvoor beslag werd gelegd, niet summierlijk ondeugdelijk is gebleken. Het verzoek tot opheffing is derhalve afgewezen.

Kort en goed: als aan de Nederlandse voorzieningenrechter rechtsmacht toekomt doordat bijvoorbeeld de gedaagden in Nederland woonachtig zijn, kunnen de exclusieve bevoegdheidsregels van artikel 22 aanhef en onder lid 5  (herschikte) EEX-Vo aan deze rechtsmacht niet in de weg staan. Met dien verstande dat de vordering zo moet zijn ingesteld dat de beslagleggers worden veroordeeld op het beslag zelf te doen opheffen. De Nederlandse rechter heeft geen bevoegdheid dit zelf (in het vonnis) te doen.