RVU-regeling 2026: wat betekent de nieuwe drempelvrijstelling voor cao’s?

16 januari 2026

De Regeling voor Vervroegd Uittreden (RVU) vormt al jaren een spanningsveld tussen het ontmoedigen van vervroegd uittreden en het bieden van maatwerk voor werknemers die niet gezond kunnen doorwerken tot de AOW-leeftijd. Sinds 2021 bestaat er tijdelijk ruimte om onder voorwaarden een RVU-uitkering toe te kennen zonder dat daar een zware fiscale eindheffing tegenover staat.

Per 1 januari 2026 wordt deze tijdelijke regeling voortgezet in een structurele, maar andere, vorm. De nieuwe RVU-regeling is nadrukkelijk gericht op werknemers met zwaar werk. Dat roept vragen op over hoe scherp de doelgroep moet worden afgebakend en hoeveel ruimte cao-partijen en werkgevers daarbij nog hebben om tot werkbare afspraken te komen.

In dit artikel staan wij stil bij de nieuwe RVU-regeling die vanaf 2026 in werking is getreden. Daarbij schetsen wij eerst kort het bestaande kader, waarna wij ingaan op de wijzigingen per 1 januari 2026 en de betekenis daarvan voor cao-partijen.

Frédérique Hoppers
Frédérique Hoppers
Advocaat - Partner
Rüya Ertuğrul
Rüya Ertuğrul
Juridisch medewerker
Jochem van den Berg
Jochem van den Berg
Fiscalist - Associate Partner
In dit artikel

De Regeling voor Vervroegd Uittreden (RVU) vormt al jaren een spanningsveld tussen het ontmoedigen van vervroegd uittreden en het bieden van maatwerk voor werknemers die niet gezond kunnen doorwerken tot de AOW-leeftijd. Sinds 2021 bestaat er tijdelijk ruimte om onder voorwaarden een RVU-uitkering toe te kennen zonder dat daar een zware fiscale eindheffing tegenover staat.

Per 1 januari 2026 wordt deze tijdelijke regeling voortgezet in een structurele, maar andere, vorm. De nieuwe RVU-regeling is nadrukkelijk gericht op werknemers met zwaar werk. Dat roept vragen op over hoe scherp de doelgroep moet worden afgebakend en hoeveel ruimte cao-partijen en werkgevers daarbij nog hebben om tot werkbare afspraken te komen.

In dit artikel staan wij stil bij de nieuwe RVU-regeling die vanaf 2026 in werking is getreden. Daarbij schetsen wij eerst kort het bestaande kader, waarna wij ingaan op de wijzigingen per 1 januari 2026 en de betekenis daarvan voor cao-partijen.

Hoe zat het ook alweer? De oude RVU-regeling

Met de invoering van de Wet aanpassing fiscale behandeling in 2006 heeft de wetgever een einde gemaakt aan de fiscale facilitering van regelingen die tot doel hadden werknemers vervroegd met pensioen te laten gaan. Werkgevers die toch een overbruggingsuitkering tot de pensioendatum wilden aanbieden, werden geconfronteerd met een zware pseudo-eindheffing. De pseudo-eindheffing betreft een door de werkgever verschuldigde aanvullende loonheffing die van toepassing is op regelingen die zijn gericht op vervroegd uittreden, naast de reguliere loonheffingen over de uitkering(en).

Hierop is in 2021 een tijdelijke uitzondering geïntroduceerd. Werkgevers konden voortaan onder voorwaarden werknemers die maximaal 36 maanden van hun AOW-leeftijd waren verwijderd, een RVU-uitkering toekennen zonder dat RVU-heffing verschuldigd was. De hoogte van die uitkering was gemaximeerd op het niveau van de AOW-uitkering. Deze zogenoemde drempelvrijstelling bedroeg in 2025 €2.273,- bruto per maand. 

Deze tijdelijke regeling liep tot en met 31 december 2025 en bood in de praktijk ruimte voor relatief breed toegankelijke RVU-regelingen, vaak vastgelegd in cao’s of arbeidsvoorwaardenregelingen.

Wat zijn de belangrijkste wijzigingen in de RVU-regeling per 2026?

Per 1 januari 2026 wordt de RVU-drempelvrijstelling voortgezet in een nieuwe structurele regeling. Werkgevers kunnen ook na die datum werknemers die maximaal drie jaar van hun AOW-leeftijd zijn verwijderd, een RVU-uitkering toekennen zonder RVU-eindheffing tot het bedrag van de drempelvrijstelling. Het per 1 januari 2026 van RVU-heffing vrijgestelde bedrag bedraagt €2.357,- bruto per maand. In zogenoemde knellende situaties kan dit bedrag worden verhoogd tot €2.657,- bruto per maand. Het vrijgestelde bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd. Wordt meer uitgekeerd dan de toepasselijke drempelvrijstelling, dan is over het meerdere RVU-eindheffing verschuldigd. 

Tegelijkertijd wordt de regeling inhoudelijk aangescherpt. De structurele RVU-regeling laat, anders dan de tijdelijke regeling, geen ruimte meer voor generieke of leeftijdsgebonden toepassing, maar is voorbehouden aan werknemers met zwaar werk die aantoonbaar niet gezond kunnen doorwerken tot de AOW-leeftijd. De regeling komt voort uit het Gezond naar pensioen onderhandelaarsakkoord van 18 oktober 2024, waarin de sociale partners en het kabinet afspraken hebben gemaakt over een gerichtere inzet van vervroegd uittreden. 

Ook het percentage van de pseudo-eindheffing gaat op de schop. Vanaf 1 januari 2026 wordt de pseudo-eindheffing op een RVU verhoogd naar 57,7% (tegenover 52% in 2025). Het tarief stijgt vervolgens stapsgewijs naar 65% in 2028. Voor een nadere uiteenzetting van de fiscale aspecten verwijzen wij graag naar ons eerder gepubliceerde artikel RVU-eindheffing stijgt van 52% naar 65% – wat betekent dit voor u als werkgever?

Wat betekent de nieuwe RVU-regeling voor cao-partijen en werkgevers?

De nieuwe RVU-regeling heeft vooral gevolgen voor cao-partijen. Onder de tijdelijke regeling werd in cao’s regelmatig gewerkt met relatief generieke RVU-afspraken, bijvoorbeeld door deelname open te stellen voor alle werknemers boven een bepaalde leeftijd of met een bepaald aantal dienstjaren. De structurele regeling vanaf 2026 laat die benadering niet langer toe. Cao-partijen moeten onder de structurele regeling de RVU-doelgroep afbakenen op basis van objectieve criteria, zoals fysieke, psychosociale en cognitieve belasting, omgevingsbelasting en onregelmatige werktijden. Daarnaast moeten RVU-afspraken worden gekoppeld aan maatregelen op het gebied van duurzame inzetbaarheid. Van werkgevers wordt verwacht dat zij investeren in maatregelen die erop zijn gericht werknemers met zwaar werk zo lang mogelijk gezond te laten doorwerken tot aan de AOW-leeftijd. Daarmee kunnen RVU-afspraken niet los worden gezien van bredere keuzes op het gebied van arbeidsomstandigheden en personeelsbeleid.

Hoe deze aangescherpte uitgangspunten concreet vorm kunnen krijgen in cao-afspraken, blijkt onder meer uit de cao VVT en de cao Gemeenten. Daarbij valt op dat cao-partijen verschillend omgaan met de uitwerking van de nieuwe RVU-regeling. Sommige cao’s bevatten al een nadere concretisering, terwijl andere cao’s zich nog in een overgangsfase bevinden.

Cao VVT

In de huidige cao (2022–2024) hadden werknemers die 45 jaar of langer in de zorg werkzaam waren en daarbij ten minste 20 jaar een zwaar beroep hadden uitgeoefend, onder voorwaarden een afdwingbaar recht op deelname aan de RVU-regeling. Met de nieuwe cao wijzigt dit uitgangspunt ingrijpend. 

In artikel 7.3.8 van de cao VVT (Regeling vervroegd uittreden) is bepaald dat deelname aan de RVU-regeling vanaf 1 januari 2026 niet langer een automatisch recht is, maar afhankelijk wordt gesteld van wederzijdse instemming van werknemer en werkgever. Bovendien wordt deelname nadrukkelijk gekoppeld aan aantoonbare inspanningen op het gebied van duurzame inzetbaarheid en aan een concreet afgebakende doelgroep. Zo geldt onder meer dat de werknemer binnen drie jaar de AOW-leeftijd moet bereiken, gedurende langere tijd in de zorg werkzaam moet zijn geweest, werkzaam moet zijn in een zwaar beroep én moet vallen binnen de salarisschalen FWG 15 tot en met 65 of de salarisschaal hulp bij het huishouden. 

Cao Gemeenten en SGO

Ook in de cao Gemeenten en SGO wordt zichtbaar dat de nieuwe RVU-regeling per 2026 strikter wordt vormgegeven. De relevante bepalingen zijn vastgelegd in artikel 2.11 van de cao Gemeenten/SGO (RVU zware beroepen), dat geldt met ingang van 1 januari 2026. 

Hoewel de RVU-drempelvrijstelling op grond van fiscale regelgeving uitgaat van een maximale duur van drie jaar voorafgaand aan de AOW-leeftijd, hanteert de cao Gemeenten strengere voorwaarden. Deelname aan de RVU-regeling is beperkt tot maximaal twee jaar en kan niet eerder ingaan dan twee jaar vóór de AOW-gerechtigde leeftijd. 

De regeling is bovendien nog niet direct per 1 januari 2026 operationeel. Omdat de validatie van referentiefuncties door TNO meer tijd vergt, wordt de regeling naar verwachting pas per 1 april 2026 opengesteld. Tot dat moment kunnen geen RVU-afspraken onder deze nieuwe regeling worden gemaakt. 

De doelgroep is in artikel 2.11b scherp afgebakend. Deelname staat uitsluitend open voor medewerkers die binnen twee jaar de AOW-gerechtigde leeftijd bereiken, minimaal twintig jaar in dienst zijn geweest bij een bij het ABP aangesloten werkgever (waarvan de laatste tien jaar in de sector gemeenten) en in de voorafgaande tien jaar werkzaamheden hebben verricht die kwalificeren als zwaar beroep. Daarnaast geldt dat de arbeidsovereenkomst bij aanvang van de RVU wordt beëindigd en dat deelname uiterlijk op 31 december 2028 moet zijn vastgelegd. 

Opvallend is verder dat per 2026 geen ruimte meer bestaat voor lokaal maatwerk. De afbakening van zware beroepen wordt centraal vastgesteld. Voor medewerkers die buiten deze afbakening vallen, kan geen RVU-regeling worden aangeboden, tenzij een andere regeling wordt getroffen die niet kwalificeert als een RVU. 

Nieuw is ook de rol van het expertisecentrum zwaar werk van TNO. Cao-partijen moeten hun onderbouwde afbakening van de RVU-doelgroep ter goedkeuring voorleggen aan TNO. Daarnaast vindt jaarlijkse monitoring plaats door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en is voorzien in een driejaarlijks ijkmoment, waarbij kabinet en sociale partners gezamenlijk bezien hoe de gemaakte afspraken zich in de praktijk ontwikkelen. 

RVU-regeling 2026: aandachtspunten voor cao-onderhandelingen

De RVU-regeling blijft ook na 2025 bestaan, maar krijgt per 1 januari 2026 een andere betekenis. Voortaan is de regeling niet langer generiek van aard, maar gaat de structurele voortzetting gepaard met strengere voorwaarden, een expliciete focus op zwaar werk en een sterkere inbedding in duurzaam-inzetbaarheidsbeleid. 

Voor cao-partijen betekent dit dat de ruimte voor generieke vertrekregelingen verder wordt beperkt. De nieuwe RVU-regeling vraagt om zorgvuldige afbakening, onderbouwing en periodieke controles. Het is de vraag of deze aanpak in de praktijk voldoende ruimte laat om tot wenselijke afspraken te komen, of dat zij juist leidt tot nieuwe knelpunten aan de cao-tafel. 

Heeft u vragen over de RVU-regeling per 2026 of over de gevolgen daarvan voor uw organisatie? Neem dan gerust contact met ons op via het contactformulier

Gerelateerd