Valse handtekening en valse akte: wie moet wat bewijzen?

6 mei 2019
De Hoge Raad wees onlangs twee interessante arresten over een vermeend valselijk opgemaakte akte en een vermeend valse handtekening. Als gesteld wordt dat een onderhandse akte valselijk is opgemaakt, dan dient degene die dat stelt dit in beginsel te bewijzen. Niettemin heeft de rechter een grote vrijheid bij de waardering van het bewijs. Als stellig ontkend wordt dat het gaat om een authentieke handtekening, dan dient de andere partij het tegendeel te bewijzen. Op hem rust de bewijslast van de echtheid van de handtekening.
Joost Bindels
Joost Bindels
Advocaat - Partner
In dit artikel

Valsheid akte

Op 19 april 2019 wees de Hoge Raad een arrest in een zaak waarin gesteld werd dat een geldleningsovereenkomst valselijk was opgemaakt. Weliswaar zou onder de twee pagina’s tellende geldleningsovereenkomst de echte handtekening van de (vermeende) lener staan, maar hij stelt dat het geschrift later boven zijn naam en handtekening is geplaatst en het dus vals is.

De Hoge Raad legt uit dat een akte in de zin van art. 156 lid 1 Rv een ondertekend geschrift is die bestemd is om tot bewijs te dienen. Voor onderhandse akten gelden geen andere wettelijke vereisten dan uit de tekst van deze bepaling voortvloeien, te weten dat het moet gaan om een geschrift dat is ondertekend en dat is bestemd om tot bewijs te dienen. Art. 156 lid 1 Rv ziet ook op een meer bladzijden tellend stuk dat uitsluitend aan het slot daarvan is ondertekend. Een dergelijk stuk levert dus een onderhandse akte op als ook voor het overige aan de zojuist genoemde eisen van art. 156 lid 1 Rv is voldaan.

Nu vaststaat dat de handtekening van de lener op de tweede bladzijde van het door de uitlener overgelegde geschrift staat, en dat de tekst van dat geschrift dient tot bewijs, is sprake van een akte in de zin van art. 156 lid 1 Rv.

Als de echtheid van een onderhandse akte wordt betwist, dat wil zeggen als wordt betwist dat het stuk dat als akte wordt gepresenteerd, overeenkomt met het stuk dat is ondertekend, volgt uit art. 150 Rv dat degene die zich op deze valsheid beroept, als hoofdregel de bewijslast ter zake heeft (HR 15 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0827, NJ 1993/179). In dit geval rust de bewijslast van de valsheid van de akte dus in beginsel op de geldlener.

Wel voegt de Hoge Raad hier nog aan toe dat, zoals in het arrest van 15 januari 1993 onder meer is beslist, de rechter op grond van vaststaande feiten, zoals onverklaard gebleven onregelmatigheden in de tekst van de onderhandse akte, of op grond van de onwaarschijnlijkheid van de stellingen van degene die de akte inroept, met betrekking tot de totstandkoming van de tekst tot het oordeel kan komen dat, behoudens tegenbewijs, moet worden aangenomen dat die tekst geheel of ten dele later boven de handtekening is geplaatst. In HR 14 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4278, is hieraan toegevoegd dat de rechter daarbij alle omstandigheden mag betrekken die hij in dit verband van belang acht. Hij is daarbij dus niet beperkt tot omstandigheden of stellingen die de totstandkoming van de tekst betreffen. Naar de bedoeling van de wetgever heeft de rechter, ook als het gaat om de beoordeling van de echtheid van een onderhandse akte, een grote vrijheid bij de waardering van het bewijs (zie rov. 3.4 van het hiervoor genoemde arrest van 14 januari 2000).

Kortom: als gesteld wordt dat een onderhandse akte valselijk is opgemaakt, dan dient degene die dat stelt dit in beginsel te bewijzen. Niettemin heeft de rechter een grote vrijheid bij de waardering van het bewijs.

Valse handtekening

Op 12 april 2019 wees de Hoge Raad een arrest in een zaak waarin gesteld werd dat een handtekening onder een overeenkomst vals was.

Een echtpaar gaf een aannemer opdracht tot het verrichten van werkzaamheden aan hun woning, maar zij stellen dat de handtekening onder een meerwerkoverzicht van de aannemer niet van de man is, althans dat hij hem daaronder niet heeft geplaatst. Forensisch onderzoek wijst echter uit dat het gaat om een handtekening met balpeninkt en een originele schrijfproductie.

De Hoge Raad oordeelt het bij dit geschilpunt gaat over de vraag of een onderhands stuk, dat als akte wordt tegengeworpen aan een persoon wiens handtekening volgens degene die zich op dat stuk beroept, daarop is gesteld, als akte bewijskracht heeft tegenover die persoon. Daarvoor is ingevolge art. 156 lid 1 Rv vereist dat het stuk is bestemd om tot bewijs te dienen en is ondertekend door de partij tegen wie het wordt gebruikt. Art. 159 lid 1 Rv kent een authentieke akte uitwendige bewijskracht toe. Uit art. 159 lid 2 Rv blijkt dat de onderhandse akte die bewijskracht mist. Deze laatste bepaling brengt mee dat, indien de persoon aan wie een stuk als onderhandse akte wordt tegengeworpen, stellig ontkent dat de onder het stuk aanwezige handtekening van hem afkomstig is, aan het stuk geen enkele bewijskracht toekomt, zolang niet bewezen is van wie de handtekening afkomstig is. De bewijslast van de echtheid van de handtekening rust op degene die zich op het stuk beroept. Voor toepasselijkheid van art. 159 lid 2 Rv worden, naast een ‘stellige ontkenning’ geen verdere eisen gesteld. De ontkenner behoeft geen onderbouwing van zijn ontkenning te geven.

Kortom: als stellig ontkend wordt dat het gaat om een authentieke handtekening, dan dient de andere partij het tegendeel te bewijzen. Op hem rust de bewijslast van de echtheid van de handtekening.

Conclusie

De Hoge Raad wees onlangs twee interessante arresten over een vermeend valselijk opgemaakte akte en een vermeend valse handtekening. Als gesteld wordt dat een onderhandse akte valselijk is opgemaakt, dan dient degene die dat stelt dit in beginsel te bewijzen. Niettemin heeft de rechter een grote vrijheid bij de waardering van het bewijs. Als stellig ontkend wordt dat het gaat om een authentieke handtekening, dan dient de andere partij het tegendeel te bewijzen. Op hem rust de bewijslast van de echtheid van de handtekening.
Om dit soort bewijsproblemen te voorkomen, kunnen partijen er goed aan doen een authentieke akte (dus een akte die is opgesteld en gewaarmerkt door een notaris) op te laten stellen.

Gerelateerd

Events

Aankomende online en live events

We delen diepgaande kennis en pragmatische inzichten over actuele onderwerpen in het vakgebied en de maatschappelijke thema's waar we dichtbij staan.

19
mei
2026
Seminar
Zorg & Sociaal domein
Flexibele personeelsinzet in de zorg: van strategie tot werkbare oplossingen

Hoe organiseert u als zorginstelling flexibele personeelsinzet die juridisch en fiscaal klopt? De druk op capaciteit en continuïteit groeit, terwijl de regels rond collegiale uitleen, het contracteren met uitzendbureaus, toelatingsvergunningen en btw meer aandacht vragen. Steeds meer zorginstellingen zoeken duurzame vormen van flexibiliteit, zoals regionale samenwerking, inzet van (buitenlandse) bemiddelings- en uitzendbureaus, vernieuwd werkgeverschap of het vergroten van interne mobiliteit. Tijdens deze kennissessie krijgt u inzicht in de belangrijkste strategische keuzes voor flexibele personeelsinzet, aangevuld met praktijkervaring uit onze multidisciplinaire begeleiding van samenwerkingen in de zorg. 

Arnhem
10:00 - 13:00
21
mei
2026
Seminar
Arbeid & Pensioen
Gelijke beloning onder de loep: bent u er klaar voor?

Nieuwe Europese wetgeving over loontransparantie verplicht werkgevers om beloningsverschillen tussen mannen en vrouwen inzichtelijk te maken, te verklaren én waar nodig aan te pakken. Richtlijn (EU) 2023/970 stelt minimumvereisten ter versterking van de toepassing van het beginsel van gelijke beloning. Lidstaten moeten uiterlijk 7 juni 2026 aan de richtlijn voldoen; Nederland heeft te kennen gegeven te streven naar implementatie per 1 januari 2027. Middels dit seminar delen wij de kennis en handvatten die voor u van belang zijn.

Arnhem
14:00 - 17:00
Liever een inhouse training op maat?

Wij organiseren ook events op maat. Van kleine tot grote groepen, we zorgen voor een inspirerende sessie afgestemd op uw wensen. Informeer naar de mogelijkheden.

Contact opnemen