Zoeken
  1. Verpanding van toekomstige vorderingen (1): pandrecht op onderhanden werk (1)

Verpanding van toekomstige vorderingen (1): pandrecht op onderhanden werk

Deze bijdrage vormt het eerste deel van een serie bijdragen over de verpanding van toekomstige vorderingen. In dit artikel zal eerst de mogelijkheid om op toekomstige vorderingen een pandrecht te vestigen in algemene zin worden behandeld, waarna vervolgens de nodige aandacht aan een recent arrest van het Gerechtshof Amsterdam zal worden besteed. Dit arrest betreft de vraag of vorderingen ter zake ‘onderhanden werk’ van een gefailleerde zorgverlener op een zorgverzekeraar ten tijde van het fai...
Artikel | 04 april 2016 | Steven Effting
Deze bijdrage vormt het eerste deel van een serie bijdragen over de verpanding van toekomstige vorderingen. In dit artikel zal eerst de mogelijkheid om op toekomstige vorderingen een pandrecht te vestigen in algemene zin worden behandeld, waarna vervolgens de nodige aandacht aan een recent arrest van het Gerechtshof Amsterdam zal worden besteed. Dit arrest betreft de vraag of vorderingen ter zake ‘onderhanden werk’ van een gefailleerde zorgverlener op een zorgverzekeraar ten tijde van het faillissement van de zorgverlener zijn verpand.

Verpanding bij voorbaat

Het Burgerlijk Wetboek biedt, naast de mogelijkheid om een pandrecht op bestaande vorderingen te vestigen, ook de mogelijkheid om toekomstige vorderingen met een pandrecht te bezwaren. Voor meer informatie over het pandrecht in algemene zin verwijs ik naar eerdere bijdragen op deze pagina. In deze bijdrage beperk ik mij tot het vestigen van een pandrecht op toekomstige vorderingen.
Toekomstige vorderingen zijn vorderingen die op het moment van het overeenkomen van een verpanding nog niet bestaan. Een dergelijke verpanding geschiedt door een verpanding bij voorbaat.
Een verpanding bij voorbaat heeft tot gevolg dat op het moment dat de vordering ontstaat, en aan de overige algemene eisen van overdracht is voldaan, de vordering per direct bezwaard wordt met een pandrecht. Een enkele wilswijziging van de pandgever bij voorbaat kan de totstandkoming van een pandrecht niet meer verhinderen. Een vestiging bij voorbaat heeft dus niet tot gevolg dat op het moment van het sluiten van de kredietovereenkomst een pandrecht ontstaat, dat gebeurt pas op het moment dat de vordering in het vermogen van de pandgever is ontstaan en aan de overige vereisten van overdracht is voldaan.

Tussentijds faillissement

De Faillissementswet bepaalt dat een vestiging bij voorbaat geen effect sorteert op het moment dat de vordering waarop het pandrecht gevestigd zou worden, ontstaat op of na aanvang van de dag van faillietverklaring. Een faillissement van de pandgever staat de daadwerkelijke totstandkoming van een pandrecht in dat geval dus in de weg.
Voor het daadwerkelijk ontstaan van een pandrecht op een bij voorbaat verpande vordering is dus relevant of de betreffende vordering op het moment van faillietverklaring reeds in het vermogen van de failliet is ontstaan. Indien dit niet het geval is, kan de financier zich niet buiten het faillissement om op de vorderingen verhalen en valt de opbrengst van de betreffende vorderingen in de faillissementsboedel.

Ontstaan vordering

Bij het ontstaan van vorderingen dient een onderscheid gemaakt te worden tussen vorderingen die op grond van een specifieke wettelijke bepaling ontstaan en vorderingen die op grond van een overeenkomst ontstaan.

Vordering uit de wet

Ten aanzien van vorderingen uit de wet geldt dat deze pas ontstaan indien aan alle door de wet genoemde vereisten daarvoor is voldaan. Voorbeelden van vorderingen uit de wet zijn vorderingen tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad of wanprestatie en de wettelijke regresvordering van de borg. Een vordering tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad ontstaat op het moment dat alle elementen van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek zich hebben verwezenlijkt: er moet een ‘daad’ worden gepleegd die onrechtmatig is, de daad moet aan de dader kunnen worden toegerekend, er moet schade zijn en er moet sprake zijn van een causaal verband tussen de schade en de daad. Op het moment dat aan al deze wettelijke vereisten is voldaan, ontstaat de vordering. Door het nalopen van de elementen van een wetsbepaling kan worden beoordeeld wanneer de betreffende (wettelijke) vordering ontstaat.

Vordering uit overeenkomst

Bij vorderingen uit overeenkomst is het bepalen van het ontstaansmoment gecompliceerder. Dit komt omdat bij het ontstaan van vorderingen uit overeenkomst de beginselen van contractsvrijheid en partijautonomie een nadrukkelijke rol spelen. Deze beginselen behelzen de gedachte dat het partijen vrij staat een overeenkomst al dan niet aan te gaan en deze overeenkomst naar eigen inzicht vorm te geven. Partijen kunnen in een overeenkomst in beginsel zelf bepalen wanneer de uit de overeenkomst voortvloeiende vorderingen ontstaan. Het gevolg hiervan is dat in het vermogensrecht geen uniform uitgangspunt bestaat voor het ontstaansmoment van een vordering uit overeenkomst. Er bestaat geen ‘normaal type’ vordering. Het ontstaansmoment van vorderingen uit overeenkomst is hierdoor regelmatig voer voor discussie.

Onderhanden werk zorgverlener

De aanleiding

In een recent arrest van het Gerechtshof Amsterdam is ook over het ontstaansmoment van een vordering gediscussieerd. Het betrof het ontstaan van een vordering van een zorgverlener op een zorgverzekeraar. In het arrest stond de vraag centraal of een factormaatschappij (Fa-Med BV) een pandrecht op het onderhanden werk van een gefailleerde zorgverlener (Better Life BV) had gevestigd.
Op de dag van faillietverklaring had Better Life namelijk een bedrag van 1,3 miljoen euro aan onderhanden werk nog niet in rekening gebracht. Fa-Med BV was de mening toegedaan dat deze vorderingen vóór faillissementsdatum waren ontstaan, waardoor zij een pandrecht op de betreffende vorderingen zou hebben. De curator was daarentegen van mening dat de betreffende vorderingen pas na faillissementsdatum waren ontstaan en derhalve (onverpand) in de boedel vielen.
Voor deze discussie is van belang dat zorgaanbieders de door hen verleende zorg veelal op basis van zogenaamde diagnosebehandelcombinaties (DBC’s) bij zorgverzekeraars declareren. DBC’s behelzen het totale traject van de diagnose tot en met de (eventuele) behandeling die daaruit volgt. Zorgverleners declareren hun werkzaamheden pas na afronding van de behandeling of na verloop van een maximale looptijd, wat resulteert in een grote post aan onderhanden werk. Voor meer informatie over het DBC-systeem verwijs ik naar eerdere bijdragen van mijn collega’s van de sectie gezondheidszorg.

De beoordeling

De rechtbank

In eerste aanleg oordeelde de rechtbank dat de vorderingen betreffende het onderhanden werk onder het pandrecht van Fa-Med vielen. De vorderingen zouden zijn ontstaan vóór datum faillissement, en wel door het sluiten van de geneeskundige behandelovereenkomst tussen de zorgaanbieder en de patiënt, althans steeds wanneer ter uitvoerig van die behandelingsovereenkomst een medische behandeling was verricht.

Het Hof

In hoger beroep oordeelde het Hof dat uit de wet niet volgt wanneer uit een civielrechtelijke overeenkomst vorderingen ontstaan. Partijen hebben in beginsel de contractuele vrijheid om dat zelf te bepalen. Het moment waarop een vordering van Better Life op een zorgverzekeraar ontstaat, wordt bepaald door wat deze partijen zijn overeengekomen of wat uit hun rechtsverhouding voortvloeit. Het hof voegt daar aan toe dat, hoewel het DBC-systeem geen zelfstandig recht tot betaling in het leven roept, het systeem wel in belangrijke mate de inhoud van de afspraken tussen een zorgaanbieder en een zorgverzekeraar bepaalt.
Anders dan de rechtbank oordeelt het Hof dat de vorderingen niet ontstaan op het moment van het sluiten van de overeenkomst, maar dat van belang is wat over het ontstaan van de vorderingen in de overeenkomst is afgesproken. Nu Fa-Med BV onvoldoende concreet aan de hand van de inhoud en strekking van de geneeskundige behandelingsovereenkomsten duidelijk heeft gemaakt dat Better Life ter zake van het onderhanden werk op de faillissementsdatum reeds iets te vorderen had van de zorgverzekeraars, is geen aanleiding om aan te nemen dat de vorderingen eerder zijn ontstaan dan uit het DBC-systeem zou volgen.

Conclusie

Ik vind de redenering van het hof verdedigbaar. Om het ontstaansmoment van vorderingen te kunnen beoordelen is telkens van belang wat partijen daarover hebben afgesproken, en in het geval partijen daar niets over hebben bepaald dient de rechter te kijken naar wat uit de rechtsverhouding van partijen voortvloeit. Wel leidt dit tot onzekerheid bij partijen die een pandrecht bij voorbaat op vorderingen willen vestigen. Zij hebben op het moment van de vestiging bij voorbaat immers geen zicht op de inhoud van de overeenkomsten waar de vorderingen uit zouden moeten ontstaan. Het laatste woord is hierover dan ook nog niet gezegd: bovenstaande casus is, alleen al in het belang van rechtszekerheid, bij uitstek geschikt voor cassatie. Ik verwacht derhalve dat de Hoge Raad zich in de toekomst over deze kwestie uit zal laten.