Zoeken
  1. Vrijwillig ingestelde OR: melding bij Bedrijfscommissie (nog) vereist?

Vrijwillig ingestelde OR: melding bij Bedrijfscommissie (nog) vereist?

Constitutieve vereisten voor een vrijwillig ingestelde OR.
Artikel | 15 november 2018 | Mart van Braak

Een ondernemingsraad houdt in beginsel van rechtswege op te bestaan wanneer aan het einde van de zittingstermijn in de regel minder dan vijftig personen binnen de onderneming werkzaam zijn (art. 2 lid 2 WOR). Een ondernemer kan echter besluiten de ondernemingsraad (“OR”) vrijwillig in stand te laten (art. 5a lid 2 WOR). De vrijwillig ingestelde OR kan door de ondernemer aan het einde van de zittingsperiode worden opgeheven op grond van een belangrijke wijziging van omstandigheden.

De kantonrechter Maastricht heeft op 24 oktober 2018 een uitspraak gedaan over een kwestie waarin de OR van oordeel was dat hij vrijwillig in stand was gelaten conform art. 5a lid 2 WOR en de kantonrechter verzocht de OR in stand te houden, omdat er geen sprake was van een belangrijke wijziging van omstandigheden.

Wat was de situatie?

Het management van stichting European Institute for Public Administration (EIPA) deed in september 2016 bericht aan de OR dat het aantal werknemers werkzaam in de vestiging Maastricht vanaf eind september 2016 structureel onder de vijftig zou blijven. EIPA was van oordeel dat zij niet langer verplicht een ​​ondernemingsraad in stand zou moeten houden. De geplande verkiezingen op 23 oktober 2016 zouden volgens EIPA dan ook niet hoeven door te gaan.

De OR vond echter dat op de peildatum nog was voldaan aan het kritieke aantal van vijftig personen. Die peildatum volgde volgens de OR uit het OR-regelement. Daarin was bepaald dat de kies- en kandidatenlijst uiterlijk zeven weken voor de verkiezing zou worden opgesteld. Op 20 juli 2016 was die lijst medegedeeld aan het personeel, met als peildatum 31 augustus 2016. Op die peildatum waren er nog vijftig personen werkzaam binnen de onderneming. Daarnaast was de OR van mening dat ook de komende periode in de regel minimaal vijftig personen werkzaam zouden zijn. De OR refereerde daarbij onder meer aan openstaande vacatures bij EIPA.

Het management van EIPA was uiteindelijk bereid om een nieuwe zittingstermijn van de OR te accepteren. EIPA verwachtte wel dat het aantal werknemers de komende twee jaar onder de vijftig zou blijven, waardoor de OR zou ophouden te bestaan aan het einde van de volgende zittingsperiode.

Het geschil

De OR is van oordeel dat EIPA in oktober 2016 de OR vrijwillig heeft ingesteld op grond van art. 5a lid 2 WOR. Dat EIPA de OR wil opheffen omdat het einde van zittingstermijn in zicht komt, is volgens de OR niet mogelijk, omdat zich geen belangrijke wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan. Met het laten voortbestaan in oktober 2016 is volgens de OR een precedent geschapen door EIPA.

Kantonrechter Maastricht gaat niet mee in het betoog van de OR. Allereerst wijst de kantonrechter op het constitutief vereiste voor toepasselijkheid van de WOR: het doen van een schriftelijke mededeling aan de bedrijfscommissie bij een vrijwillige instelling van de OR. Een dergelijke mededeling is hier niet gedaan. De kantonrechter gaat niet mee in de redenering van de OR dat die meldingsplicht in de praktijk niet meer zou worden nageleefd en daarmee slechts een lege huls is. Naast dat formele gebrek heeft de OR volgens de kantonrechter moeten begrijpen dat in oktober 2016 de OR vrijwillig is voortgezet voor de duur van een zittingstermijn. In 2016 heeft EIPA expliciet gecommuniceerd geen toepassing te willen geven aan art. 5a lid 2 WOR en benadrukt dat de OR eind oktober 2018 zou ophouden te bestaan. Ook de OR zelf heeft in zijn jaarverslag gezinspeeld op een einde van zijn eigen bestaan en de prioriteit verlegd naar het verkrijgen van zoveel mogelijk bevoegdheden voor de Personeelsvertegenwoordiging. De kantonrechter oordeelt dan ook dat de OR is opgehouden te bestaan op 31 oktober 2018.

Rol Bedrijfscommissie niet uitgespeeld

De uitspraak van de kantonrechter brengt mee dat nog steeds gewicht wordt toegekend aan de rol van de Bedrijfscommissie en dat schriftelijke melding van een vrijwillig ingestelde OR op grond van art. 5a lid 2 WOR als constitutief vereiste heeft te gelden. Het is in mijn optiek opmerkelijk dat de kantonrechter het niet heeft afgedaan op grond van dat formele gebrek. Door vervolgens nog te toetsen of de OR inhoudelijk had kunnen begrijpen dat er geen vrijwillige instelling heeft plaatsgevonden, impliceert de kantonrechter dat een formele meldingsplicht toch omzeild zou kunnen worden. Of dat ook daadwerkelijk mogelijk is, laat de kantonrechter in het midden.

Heeft u zelf vragen over het (vrijwillig) instellen van een OR? Wij helpen u graag verder.