De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Wetsvoorstel vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht (2): de rol van de rechter bij waarheidsvinding (1)

Wetsvoorstel vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht (2): de rol van de rechter bij waarheidsvinding

In deze blogreeks bespreek ik een aantal in het oog springende onderdelen van het Wetsvoorstel vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht, dat onlangs is ingediend bij de Tweede Kamer.
Auteur artikelMargo Hengeveld
Gepubliceerd02 augustus 2020
Laatst gewijzigd14 augustus 2020
Leestijd 

In de eerste blog heb ik de voorgestelde verplichtingen in het kader van het verzamelen en aandragen van bewijs behandeld. Vandaag staat centraal de rol die de minister voor de rechter ziet weggelegd bij de waarheidsvinding.

De actieve rol van de rechter

De procesrechtelijke uitgangspunten van partijautonomie en rechterlijke lijdelijkheid hebben de afgelopen jaren aan absolutisme ingeleverd, in die zin dat voor de rechter in toenemende mate een actieve rol is weggelegd bij het bewaken van de procedure en het onderzoeken van de feiten. Deze ‘regierol’ van de rechter is in het nieuwe procesrecht – waarbij meer nadruk is komen te liggen op de mondelinge behandeling – verder toegenomen.

Het voorliggende wetsvoorstel beoogt de rechter nog wat (verdere) sturing te geven in zijn rol bij de waarheidsvinding, door de voorgestelde toevoeging bij artikel 24 Rv: ‘De rechter kan binnen de grenzen van de rechtsstrijd ambtshalve met partijen de grondslag van hun vordering, verzoek of verweer bespreken’. De tekst van het voorstel wijkt af van de consultatieversie, waarin de formulering luidde dat de rechter partijen ambtshalve mocht wijzen ‘op mogelijkheden om de grondslag van hun vordering, verzoek of verweer aan te vullen’. De minister benadrukt dat het uitdrukkelijk niet de bedoeling is dat de rechter gaat ‘mee procederen’ door partijen suggesties te doen voor wijziging van de feitelijke grondslag van vordering, verzoek of verweer.

Partijen bepalen nog steeds de inhoud en grenzen van het debat

Wat mag de rechter dan wel? In feite niet meer dan naar huidig recht al het geval is. In reactie op de opmerking van de Raad van State dat de voorgestelde toevoeging al geldend recht betreft, merkt de minister in de Memorie van Toelichting op dat “de meerwaarde van deze codificatie is gelegen in het in de wet buiten twijfel stellen dat de rechter het partijdebat kan bijsturen door op de mondelinge behandeling ambtshalve de feitelijke grondslag van de vordering, het verzoek of het verweer met partijen te bespreken”. Dit in verband met de strikte opvattingen over partijautonomie en rechterlijke lijdelijkheid die onder sommige advocaten en rechters (ten onrechte) nog leven.

De minister benadrukt dat de bevoegdheid van de rechter op grond van de voorgestelde toevoeging van artikel 24 Rv beperkt is tot dat wat in het partijdebat besloten ligt. Met andere woorden: de stellingen van partijen moeten aanknopingspunten bieden voor het bespreken van de feitelijke grondslag. De Memorie van Toelichting geeft als voorbeeld de situatie waarin een partij refereert aan het vervallen van een verplichting vanwege tijdsverloop. De rechter kan dit impliciet gedane beroep op verjaring dan tijdens de mondelinge behandeling aan de orde stellen. Als partijen echter niets over tijdsverloop hebben gesteld, mag de rechter niet zélf over het onderwerp ‘verjaring’ beginnen.

Partijen bepalen overigens niet alleen de buitengrenzen van het debat, maar ook de richting daarvan. De minister benadrukt – in navolging van het advies van de Raad van State – dat “de rechter het processuele debat niet mag richten op een bepaald beroep of verweer waarover partijen geen debat willen voeren, ook al zouden de stukken van partijen daarvoor een aanknopingspunt bieden”. Partijen hebben dus (nog steeds) het laatste woord.

Tot slot

Een inkadering van de taak van de rechter in het kader van waarheidsvinding kan een zinvolle bijdrage leveren aan de uniformiteit van de rechtspraktijk. Wél dienen alle procespartijen erop alert te zijn dat met de voorgestelde toevoeging expliciet niet is beoogd de rechterlijke lijdelijkheid verder los te laten. Uitgangspunt blijft dat partijen de grenzen van de rechtsstrijd bepalen. Verder blijft de materie complex. De vraag is daarom in welke mate deze toevoeging in de wet in individuele casuïstiek daadwerkelijk verduidelijking zal brengen. De Memorie van Toelichting biedt gelukkig enige sturing.

Ook verschenen in deze reeks:

1) het aandragen van bewijs door partijen

3) inlichtingen, inzage en afschrift

4) voorlopige bewijsverrichtingen

5) het getuigenverhoor

6) de positie van de partijgetuige

7) het veiligstellen van bewijs