De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Wetsvoorstel vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht (3): inlichtingen, inzage en afschrift

Wetsvoorstel vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht (3): inlichtingen, inzage en afschrift

In deze blogreeks bespreek ik een aantal in het oog springende onderdelen van het Wetsvoorstel vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht, dat onlangs is ingediend bij de Tweede Kamer.
Auteur artikelMargo Hengeveld
Gepubliceerd03 augustus 2020
Laatst gewijzigd14 augustus 2020
Leestijd 

In mijn vorige blog besprak ik de rol van de rechter bij de waarheidsvinding. Deze keer staat centraal de bewijsvergaring door partijen (en de rechter) middels inlichtingen en inzage en afschrift van stukken.

Inbedding van artikel 843a Rv in het bewijsrecht

Partijen die willen beschikken over stukken die een ander onder zich heeft, kunnen naar huidig recht met een beroep op de exhibitieplicht van artikel 843a Rv bij de rechter inzage of afschrift van deze bescheiden vorderen. De minister stelt voor om deze exhibitieplicht in te bedden in de regeling van het bewijsrecht, namelijk in artikel 194 e.v. Rv (nieuw). Daar waar artikel 843a Rv een (afzonderlijk) verzoek aan de rechter betreft, regelt artikel 194 Rv het recht op inzage of afschrift zonder dat daarvoor tussenkomst van de rechter nodig is. Het (beoogde) voordeel daarvan is dat partijen – in het bijzonder bij weinig ingewikkelde zaken – zonder tussenkomst van de rechter hun rechten en verplichtingen kunnen bepalen bij het uitwisselen van informatie.

In de voorgestelde regeling komt voorop te staan dat een partij (zonder tussenkomst van de rechter) aanspraak kan maken op inzage of afschrift tegenover zowel de wederpartij als een derde. De wederpartij of derde is gehouden daaraan medewerking te verlenen, tenzij een verschoningsrecht of ‘gewichtige redenen’ zich daartegen verzetten. Als de wederpartij of derde niet aan de informatieverstrekking wil meewerken, of als daarover anderszins discussie ontstaat, kan de partij die inzage of afschrift wenst dit (alsnog) middels een verzoek (voorafgaand aan, of tijdens een lopende procedure) aan de rechter afdwingen.

De toetsingsmaatstaf van artikel 194 Rv (nieuw) wijkt overigens als zodanig nauwelijks af van die van artikel 843a Rv.

De wijze waarop de rechter omgaat met vertrouwelijke informatie en gegevens

Artikel 22 Rv (huidig) ziet eveneens op het verstrekken van informatie, niet aan partijen (zoals in 843a Rv) maar door partijen aan de rechter. Naar huidig recht kunnen partijen de verstrekking weigeren, dan wel aan de rechter meedelen dat uitsluitend hij kennis mag nemen van de toelichting of gegevens, als daarvoor gewichtige redenen zijn.

De Minister stelt voor om de regeling over de omgang door de rechter met vertrouwelijke informatie verder te nuanceren. Nieuw in het voorstel is bijvoorbeeld dat de rechter die kennis neemt van de vertrouwelijke stukken en beslist dat de weigering of de beperking van kennisgeving niet gerechtvaardigd is, waarbij de partij in kwestie vervolgens blijft weigeren de beperking ‘op te heffen’, niet langer bij de behandeling van de zaak betrokken kan blijven en deze moet verwijzen naar een andere kamer. Dit is onmiskenbaar een verbetering ten opzichte van de huidige regeling, waarin de rechter in kwestie de zaak kan blijven behandelen en uit die weigering de gevolgtrekking kan maken die hij geraden acht. De nieuwe regeling zou de onwenselijke situatie moeten voorkomen dat informatie waarvan de rechter kennis heeft genomen, maar die hij niet aan zijn oordeel ten grondslag mag leggen, zijn oordeel toch (onbewust) beïnvloedt.

Een dergelijke ‘verwijzingsplicht’ gold al voor de situatie waarin de rechter die de weigering of beperking wél gerechtvaardigd acht, en vervolgens geen toestemming van de andere partijen krijgt om die vertrouwelijke stukken in zijn beoordeling te betrekken. Die regeling blijft in het wetsvoorstel behouden.

De rechter krijgt in het wetsvoorstel overigens de mogelijkheid om de ‘weigerings- of beperkingsvraag’ direct door te schuiven naar een andere rechter, zonder zelf kennis te nemen van de betreffende stukken. De zaak wordt vervolgens – met inachtneming van het oordeel van de andere rechter – voor verdere inhoudelijke beoordeling terugverwezen naar de behandelend rechter. In voorkomende gevallen kan dit de meest efficiënte weg zijn.

Tot slot

De inbedding van artikel 843a Rv in het bewijsrecht biedt een welkome facilitering (en verduidelijking) van de mogelijkheden en procedurele aspecten rondom een verzoek tot inzage of afschrift. Ook de voorgestelde wijziging van artikel 22 Rv kan alleen maar worden toegejuicht.

Ook verschenen in deze reeks:

1) het aandragen van bewijs door partijen

2) de rol van de rechter bij waarheidsvinding

4) voorlopige bewijsverrichtingen

5) het getuigenverhoor

6) de positie van de partijgetuige

7) het veiligstellen van bewijs