De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Wetsvoorstel vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht (4): voorlopige bewijsverrichtingen

Wetsvoorstel vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht (4): voorlopige bewijsverrichtingen

In deze blogreeks bespreek ik een aantal in het oog springende onderdelen van het Wetsvoorstel vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht, dat onlangs is ingediend bij de Tweede Kamer.
Auteur artikelMargo Hengeveld
Gepubliceerd04 augustus 2020
Laatst gewijzigd14 augustus 2020
Leestijd 

Eerder in deze reeks schreef ik over het aandragen van bewijs door partijen, over de rol van de rechter bij waarheidsvinding en over inzage in, en afschrift van gegevens. Vandaag ga ik in op een bijzondere manier van bewijsvergaring, namelijk bewijsvergaring middels voorlopige bewijsverrichtingen.

Bundeling in één verzoek

De huidige wet kent een drietal wijzen van voorlopige bewijsgaring (het voorlopig deskundigenbericht, het voorlopig getuigenverhoor en de voorlopige plaatsopneming of bezichtiging) met alle een eigen verzoekschriftprocedure. Hoewel de toevoeging ‘voorlopig’ anders doet vermoeden, kunnen deze verrichtingen zowel voor als tijdens een lopende (bodem)procedure plaatsvinden.

Het wetsvoorstel beoogt hierin verandering te brengen: de drie afzonderlijke verzoeken worden gebundeld in één verzoek om één of meer voorlopige bewijsverrichtingen (waaronder niet alleen de drie bestaande voorlopige bewijsverrichtingen vallen, maar ook het verzoek om inzage en afschrift in de fase voorafgaand aan de procedure). Het beoogde voordeel van die bundeling is dat in de fase voorafgaand aan de procedure gemakkelijk meerdere bewijsverrichtingen kunnen worden gecombineerd. Dit is in het bijzonder welkom nu voorlopige bewijsverrichtingen onder het wetsvoorstel niet langer tijdens een lopende procedure kunnen plaatsvinden, gelet op de verplichting van partijen om bewijs zo veel mogelijk voorafgaand aan de procedure te vergaren (zie hierover ook mijn eerste blog in deze reeks).

Nadat een partij een verzoek tot één of meerdere voorlopige bewijsverrichtingen heeft gedaan, vindt een mondelinge behandeling plaats. De rechter heeft de mogelijkheid om ter zitting met partijen te overleggen welke bewijsverrichting(en) het meest geëigend is/zijn. Eventueel kan dit erin resulteren dat besloten wordt tot een andere bewijsverrichting dan waar in eerste instantie om was verzocht.

Het rechtsmiddelenverbod

Volgens de nieuwe formulering moet de rechter het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in principe toestaan, tenzij sprake is van een van de (limitatief opgesomde) weigeringsgronden (onvoldoende bepaald, onvoldoende belang, strijd met goede procesorde, misbruik van bevoegdheid, andere gewichtige redenen). Dit ter codificatie en aanscherping van de bestaande jurisprudentie over de afwijzingsgronden voor de huidige vormen van voorlopige bewijsvergaring. Tegenover deze voor partijen waarschijnlijk gunstige (verdere) inkadering van de beslisruimte voor de rechter, staat dat partijen geen rechtsmiddel kunnen aanwenden tegen een toewijzende of afwijzende beslissing op het verzoek, tenzij de rechter daarvoor toestemming verleent. Dit in tegenstelling tot de huidige wet, waarin het rechtsmiddelenverbod slechts geldt bij toewijzing. De bestaande asymmetrie komt daarmee te vervallen.

Het rechtsmiddelenverbod heeft in het bijzonder consequenties voor het verzoek om inzage. Naar huidig recht (artikel 843a Rv) staat tegen de beslissing op zo’n verzoek namelijk wél hoger beroep en cassatie open. Door de Raad van State is de zorg geuit dat het verbod problematisch kan zijn in het licht van de onomkeerbaarheid van een inzage (een eenmaal ingezien stuk kan immers niet uit het geheugen van de ‘kijker’ worden gewist). De minister stelt (deels) gerust: “Bij een inzageverzoek is per definitie bekend van wie inzage wordt gevraagd (…). Als de wederpartij of de derde de verzochte gegevens niet buiten de rechter om wil verstrekken, zal zij niet snel afstand doen van het recht op mondelinge behandeling waarop het inzageverzoek door de rechter wordt behandeld”. Daarmee is – inderdaad – gewaarborgd dat alle betrokkenen de mogelijkheid hebben om zich over het inzageverzoek uit te laten. Minder goed te volgen is de opmerking van de minister dat naar huidig recht een uitvoerbaar bij voorraad verklaard toewijzend 843a-vonnis ertoe leidt dat inzage direct (zonder afwachting van het hoger beroep) moet plaatsvinden, en dat die situatie dus – ik chargeer enigszins – niet wezenlijk afwijkt van de situatie waarin geen rechtsmiddel openstaat. Die redenering is niet volledig sluitend, nu voor een appellant immers de mogelijkheid bestaat om de tenuitvoerlegging van de beslissing in eerste aanleg te laten schorsen. Bij een rechtsmiddelenverbod ontbreekt de mogelijkheid om desgevraagd zo’n soort ‘tweede toets’ (bijvoorbeeld bestaande in de mogelijkheid om een schorsing te verkrijgen) te laten verrichten.

De minister doet wél enige suggesties voor (vervangende) waarborgen. Zo zou de rechter op verzoek of ambtshalve voorwaarden kunnen verbinden aan de inzage, door bijvoorbeeld tussenkomst van een deskundige te bevelen. Ook kan de rechter desgevraagd gebruik maken van de mogelijkheden van artikel 22 en 22a voor het geheimhouden van stukken (zie daarover mijn vorige blog). Laatstgenoemd verzoek zal dan, zo meen ik, met enige creativiteit moeten worden gekwalificeerd als een verzoek in de zin van artikel 22 lid 7 Rv. Enige andere ruimte biedt artikel 22 daarvoor mijns inziens namelijk niet.

Tot slot

De bundeling van voorlopige bewijsverrichtingen is een voor de procespraktijk zeer welkome ontwikkeling, en een sprekend voorbeeld van de ‘vereenvoudiging’ uit de titel van het wetsvoorstel. Het rechtsmiddelenverbod ten aanzien van het inzagerecht roept nog de nodige vragen op. In de praktijk zal gemonitord moeten worden of dit tot problemen leidt, en of deze problemen voldoende ondervangen kunnen worden door de – door de minister aangereikte – alternatieven.

Ook verschenen in deze reeks:

1) het aandragen van bewijs door partijen

2) de rol van de rechter bij waarheidsvinding

3) inlichtingen, inzage en afschrift

5) het getuigenverhoor

6) de positie van de partijgetuige

7) het veiligstellen van bewijs