De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Wetsvoorstel vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht: reactie NOVA

Wetsvoorstel vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht: reactie NOVA

Eerder schreef ik over het Wetsvoorstel vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht, dat enige tijd geleden is ingediend bij de Tweede Kamer. Recentelijk heeft de Nederlandse Orde van Advocaten (NOVA) een aanvullende reactie op dit voorstel toegestuurd aan de Tweede Kamer, met het verzoek deze in zijn inbreng op het Wetsvoorstel te betrekken.
Auteur artikel Margo Hengeveld
Gepubliceerd 05 oktober 2020
Laatst gewijzigd 05 oktober 2020
Leestijd 

Ik licht op deze plaats een aantal punten van deze reactie, opgesteld door de adviescommissie burgerlijk procesrecht van de NOVA, uit.

Zorgen over het effect van, en capaciteit voor preprocessuele bewijsvergaring

Het Wetsvoorstel bevat onder meer een verplichting voor partijen om voorafgaand aan de procedure alle relevante informatie en bewijsmaterialen te vergaren. De achterliggende gedachte is dat dit tot efficiëntere procedurevoering zou moeten leiden, en/of dat partijen sneller zelf tot een oplossing van hun geschil zullen komen. De NOVA plaatst daarbij vraagtekens. Hij vreest allereerst dat deze verplichting niet zozeer ertoe leidt dat partijen eerder tot een oplossing komen, maar juist tot snellere “juridisering en escalatie”.

Wat de efficiëntie betreft: de preprocessuele bewijsvergaringsplicht brengt mee dat voorlopige bewijsverrichtingen niet (zoals nu het geval is) tijdens, maar alleen nog voorafgaand aan de procedure kunnen plaatsvinden. De rechter kan vervolgens in de procedure consequenties verbinden aan het niet-voldoen aan de processuele bewijsvergaringsplicht. De NOVA verwacht dat hierdoor in toenemende mate een beroep op de rechter zal worden gedaan in de voorfase van een geschil, en betwijfelt (begrijpelijkerwijs) of de rechtspraak - gelet op de bestaande capaciteitsproblemen - het toegenomen aantal verzoeken om voorlopige bewijsverrichtingen (binnen bekwame termijn) zal kunnen bolwerken. Als dat niet het geval blijkt, zal een en ander niet tot versnelling, maar juist tot vertraging leiden.

Het inzagerecht

In het Wetsvoorstel is de exhibitievordering van artikel 843a Rv ingebed in de regeling van het bewijsrecht (artikel 194 e.v. Rv). Artikel 194 Rv bevat de uitgangspunten voor het recht op inzage en afschrift, op grond waarvan partijen makkelijker hun rechten en plichten zouden moeten kunnen bepalen bij het uitwisselen van informatie, zonder dat daarvoor tussenkomst van de rechter nodig is. Dit - zo verklaart de minister - in de hoop dat het aantal inzageverzoeken aan de rechter zal afnemen. De NOVA vreest dat die hoop ijdel zal blijken; ten eerste omdat de toetsingscriteria (nog steeds) ruimte laten voor discussie, en ten tweede nu een inzagewens doorgaans pas zal opkomen als partijen al in een geschil verwikkeld zijn geraakt, in welk geval (in het bijzonder) de kans klein is dat een partij ‘vrijwillig’ aan deze wens van de andere partij gehoor zal geven.

De NOVA signaleert voorts dat uit de terminologie van de Memorie van Toelichting niet duidelijk wordt of het inzagerecht kan worden afgedwongen middels een vordering of een verzoek. Duidelijkheid daarover is van belang voor de vraag of de gronden van het hoger beroep/de cassatie direct in het inleidende stuk moeten worden opgenomen (bij een vordering: nee, bij een verzoek: ja). In het bijzonder als de gronden direct moeten worden opgenomen, is de nu voorgestelde termijn voor het instellen van een rechtsmiddel van vier weken volgens de NOVA te kort.

Rechtsmiddelenverbod bij voorlopige bewijsverrichtingen

De NOVA acht de uitsluiting van rechtsmiddelen (hoger beroep en cassatie) tegen de voorlopige bewijsverrichtingen - in het bijzonder het inzageverzoek - onwenselijk. De ‘geruststelling’ van de minister in de Memorie van Toelichting dat de rechter hoger beroep of cassatie kán toestaan, heeft bij de NOVA niet het gewenste resultaat bereikt. Afhankelijkheid van toestemming van de rechter leidt volgens de NOVA namelijk tot onzekerheid bij procespartijen en (mogelijk) tot verschillen in behandeling door rechters. “De suggestie in de MvT dat het uitsluiten van beroep niet per se bezwaarlijk is omdat ook in de huidige praktijk direct inzage moet worden gegeven als een uitspraak uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, miskent dat beslissingen waarbij een exhibitievordering wordt toegewezen, vaak juist niet standaard uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, omdat daarmee een hoger beroep feitelijk zinloos kan worden als in de tussentijd inzage moet worden gegeven”, aldus de NOVA. Naar ik meen zijn deze zorgen van de NOVA terecht. Ik wijs ook op wat ik hierover in een eerdere blog schreef.

Tot slot

De reactie van de NOVA bevat terechte kanttekeningen, zo lijkt me. Kanttekeningen van deels juridisch-inhoudelijke aard, en deels van praktische aard met het oog op de capaciteit van de rechtspraak. Kanttekeningen die (afhankelijk van het onderwerp) nopen tot ófwel aanpassing van de tekst van het Wetsvoorstel in de huidige vorm, ófwel tot (in ieder geval) een nadere toelichting/verduidelijking door de minister. We wachten af hoe de behandeling in de Tweede Kamer zal verlopen en of de door de NOVA aangekaarte punten daarin terugkomen.

Heeft u een civiele appel- of cassatiezaak waar u ondersteuning bij nodig heeft, of heeft u procesrechtelijke vragen, neem dan contact op met een van de leden van het cassatie- en procesrechtteam van Dirkzwager Legal & Tax: Tom van Malssen (cassatieadvocaat), Margo Hengeveld of Robert Andes.