Status wetsvoorstel
Het wetsvoorstel heeft van 8 april tot 8 mei 2026 ter inzage gelegen voor internetconsultatie. De volgende stap in het wetgevingsproces is dat het wetsvoorstel (eventueel met wijzigingen) ter advisering wordt voorgelegd aan de Afdeling Advisering van de Raad van State.
Onteigening
Grondslagen onteigeningsbelang
De belangrijkste wijzigingen hebben betrekking op artikel 11.6 Omgevingswet, waarin de grondslagen voor het onteigeningsbelang zijn vastgelegd. Het wetsvoorstel verduidelijkt dat een omgevingsplan ook een grondslag voor onteigening kan bieden wanneer het de bestaande vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer niet volledig, maar wel in overwegende mate uitsluit of voorziet in beëindiging daarvan op termijn. Daarnaast introduceert het wetsvoorstel diverse aanvullende gevallen waarin sprake kan zijn van een onteigeningsbelang. Het gaat onder meer om vergunningvrije bouwwerken voor infrastructurele of openbare voorzieningen, werkzaamheden aan bestaande wegen, vaarwegen, spoorwegen, havens en waterkeringen, het opheffen van onbeveiligde spoorwegovergangen, het behoud van de feitelijke toestand overeenkomstig het omgevingsplan en bepaalde gevallen van handhaving van de openbare orde, de Opiumwet en de Woningwet.
Omgevingsplan als grondslag onteigeningsbelang (artikel 11.6 lid 1 sub a Omgevingswet)
Volgens de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is met de gewijzigde redactie van artikel 11.6 sub a Omgevingswet beoogd om te verduidelijken dat het criterium “onder uitsluiting van de bestaande vorm” niet zo kan worden opgevat dat er alleen sprake is van een onteigeningsbelang als het omgevingsplan de bestaande vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer volledig uitsluit. Dat die strikte uitleg niet beoogd is door de wetgever bleek al uit de memorie van toelichting bij de Verzamelwet Omgevingswet 2023 (Kamerstukken II, 2022-2023, 36367, nr. 3, p. 24-25). Voldoende is dat het omgevingsplan in overwegende mate de bestaande vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer uitsluit, of voorziet in beëindiging daarvan op termijn. Uit de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel blijkt dat het omgevingsplan “voorziet in beëindiging daarvan op termijn” indien de bestaande vorm onder aflopend overgangsrecht wordt geplaatst. Ook in dat geval biedt het omgevingsplan een grondslag voor onteigening.
Onteigeningsbelang bij vergunningvrije bouwwerken voor infrastructurele of openbare voorzieningen (artikel 11.6 lid 2 sub a Omgevingswet)
Artikel 2.29 sub p van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) bepaalt dat een aantal bouwwerken voor infrastructurele of openbare voorzieningen vergunningvrij is. Het gaat onder meer om kleine transformatorstations, bovenleidingen en bepaalde ondergrondse buis- en leidingstelsels zoals (drink)waterleidingen. Omdat deze bouwwerken vergunningvrij zijn, behoeven zij geen planologische verankering in een omgevingsplan, projectbesluit of BOPA. Volgens de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel ontbreekt in de huidige regeling daarom onbedoeld de mogelijkheid om voor deze vergunningvrije bouwwerken te onteigenen. Het wetsvoorstel maakt dit alsnog mogelijk.
Onteigeningsbelang bij bestaande (vaar- en spoor)wegen, havens en waterkeringen (artikel 11.6 lid 2 sub b Omgevingswet)
De in de huidige wettekst van artikel 11.6 sub a Omgevingswet gestelde eis van uitsluiting van de huidige vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer kan belemmerend zijn voor de mogelijkheid om te onteigenen voor het beheer, onderhoud en verbetering van bestaande wegen, havens en waterkeringen. Volgens de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is het in gevallen waarin het omgevingsplan de beoogde wijzigingen al toestaat niet doelmatig om het omgevingsplan te wijzigen of een projectbesluit vast te stellen, louter om de onwenselijkheid van het voortbestaan van de bestaande vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer aan te geven. Daarom bepaalt het voorgestelde artikel 11.6 lid 2 sub b Omgevingswet dat van een onteigeningsbelang ook sprake is in het geval van het onderhouden of vervangen van of het verbeteren van de verkeersveiligheid of doorstroming van het verkeer op een bestaande weg, vaarweg, spoorweg of haven of het herstellen of onderhouden van een waterkering, voor zover dat niet in strijd is met het omgevingsplan en geen sprake is van een project als bedoeld in artikel 5.46 van de Omgevingswet.
Onteigeningsbelang bij opheffen onbeveiligde spoorwegovergangen (artikel 11.6 lid 2 sub c Omgevingswet)
Het wetsvoorstel voorziet erin dat het opheffen van een onbeveiligde kruising van een weg en een spoorweg (spoorwegovergang) steeds een onteigeningsbelang oplevert, ook indien het omgevingsplan de bestaande spoorwegovergang niet uitsluit of voorziet in de beëindiging daarvan op termijn. Volgens de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is het ook bij het opheffen van onbeveiligde spoorwegovergangen niet doelmatig om het omgevingsplan te wijzigen of een projectbesluit vast te stellen, uitsluitend om de onwenselijkheid van het voortbestaan van de onbeveiligde spoorwegovergang te markeren.
Onteigeningsbelang bij het behouden van de feitelijke toestand overeenkomstig het omgevingsplan (artikel 11.6 lid 2 sub d Omgevingswet)
Het wetsvoorstel maakt het mogelijk dat onteigening plaatsvindt met het oog op het behoud van de feitelijke toestand overeenkomstig het omgevingsplan. De Onteigeningswet (oud) bood deze mogelijkheid ook (artikel 77 lid 1 sub 1 Onteigeningswet). Volgens de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel was hierin in artikel 11.6 bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet per abuis niet voorzien. Als het omgevingsplan een bestaande situatie in stand beoogt te houden en daartoe regels van conserverende aard geeft, kan volgens de toelichting in uitzonderlijke gevallen onteigening nodig zijn voor de instandhouding van de toegedeelde functie. Het toelaten van een nieuwe vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer in combinatie met het onwenselijk verklaren van de bestaande vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer is dan niet aan de orde.
Onteigeningsbelang bij handhaving openbare orde, Opiumwet en Woningwet (artikel 11.6 lid 2 sub e-g Omgevingswet)
Artikelen 11.8-11.10 van de Omgevingswet voorzien in een bijzondere invulling van het noodzaakscriterium bij onteigening in verband met de handhaving van de openbare orde, de regels van de Opiumwet en de Woningwet in en rondom gebouwen. Deze bepalingen lijken naar de letter van de huidige wettekst geen zelfstandige grondslag te bieden voor het onteigeningsbelang. In de memorie van toelichting op de Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet staat zelfs met zoveel woorden dat de overige wettelijke criteria voor onteigeningsbeschikkingen onverkort gelden (Kamerstukken II 2018-2019, 35133, nr. 3, p. 110-111).
Het wetsvoorstel stelt buiten kijf dat de handhaving van de openbare orde, de regels van de Opiumwet en de Woningwet in en rondom gebouwen een zelfstandige grondslag biedt voor het onteigeningsbelang, ook zonder inzet van een kerninstrument (omgevingsplan, projectbesluit, BOPA).
Verzoek aan notaris tot verlijden en inschrijven onteigeningsakte en sanctie (artikelen 11.15 en 15.51 Omgevingswet)
Ook de regeling over het verlijden en inschrijven van de onteigeningsakte wordt aangepast. Het wetsvoorstel verduidelijkt dat het verzoek aan de notaris niet alleen betrekking moet hebben op het verlijden van de onteigeningsakte, maar ook op de inschrijving daarvan in de openbare registers. Daarnaast wordt voorgesteld te waarborgen dat de inschrijving daadwerkelijk binnen een bepaalde termijn plaatsvindt. Als niet tijdig om verlijden en inschrijving wordt verzocht of de onteigeningsakte niet tijdig wordt ingeschreven, kan de onteigenende partij schadeplichtig zijn.
Uit de toelichting bij het wetsvoorstel blijkt dat met deze wijzigingen wordt beoogd een omissie in de huidige wettekst te herstellen en de voortgang van de onteigeningsprocedure in de notariële fase beter te waarborgen. Op grond van de voorgestelde regeling moet de onteigenaar niet alleen binnen twee maanden aan de notaris verzoeken de onteigeningsakte te verlijden en in te schrijven, maar er ook voor zorgen dat de akte binnen twee maanden na dat verzoek daadwerkelijk wordt ingeschreven in de openbare registers.
Vereisten voor verlijden onteigeningsakte (artikel 11.16 Omgevingswet)
Het huidige artikel 11.16 lid 1 aanhef en sub b Omgevingswet bepaalt dat een onteigeningsakte alleen kan worden verleden als het besluit ter uitvoering waarvan de onteigening nodig is onherroepelijk is. Zoals hiervoor is besproken, voorziet het nieuwe artikel 11.6 lid 2 Omgevingswet in een aantal specifieke grondslagen voor onteigeningsbelang waarbij er geen planologisch besluit (omgevingsplan, projectbesluit, BOPA) nodig is. Daarom bepaalt het voorgestelde artikel 11.16 lid 5 Omgevingswet dat, als sprake is van een onteigeningsbelang als bedoeld in artikel 11.6 lid 2, een onteigeningsakte ook kan worden verleden als (slechts) wordt voldaan aan de voorwaarden bedoeld in artikel 11.16 lid 1 sub a (onteigeningsbeschikking onherroepelijk) en sub c (voorlopige schadeloosstelling betaald).
Nadeelcompensatie
Schadeoorzaken (artikel 15.1 Omgevingswet)
Artikel 15.1 lid 1 van de Omgevingswet bevat een limitatieve opsomming van schadeoorzaken waarvoor een verzoek om nadeelcompensatie kan worden ingediend op grond van de Omgevingswet. Het wetsvoorstel breidt deze opsomming uit met twee nieuwe schadeoorzaken. Het betreft omgevingswaarden in de vorm van geluidproductieplafonds (artikelen 2.11a, 2.12a, 2.13a of 2.15, tweede lid, Omgevingswet) en verder besluiten tot beperking of verbieden van de toegang tot een waterstaatswerk of een weg in beheer bij het Rijk (artikel 2.40 Omgevingswet).
Wijzigings- en uitwerkingsplannen onder de Wro en binnenplanse afwijkingsbevoegdheid (artikel 22.13a Omgevingswet)
Onder de Wro werd bij wijzigings- en uitwerkingsplannen (artikel 3.6 lid 1 sub a en b Wro) alleen het wijzigingsplan of uitwerkingsplan als schadeveroorzakend besluit aangemerkt, en dus niet de daaraan ten grondslag liggende regels in het (moeder)bestemmingsplan. Iets vergelijkbaars gold voor binnenplanse afwijkvergunningen (artikel 3.6 lid 1 sub c Wro). De afwijkvergunning, en niet de afwijkbevoegdheid in het bestemmingsplan, gold als de schadeoorzaak. Onder de Omgevingswet is de strekking van wijzigings- en uitwerkingsregels en binnenplanse afwijkbevoegdheden in Wro-bestemmingsplannen grotendeels behouden gebleven via de zogeheten bruidsschat (artikel 22.1 Omgevingswet).
De specifieke regeling voor afwijkvergunningen onder de Wro is onder de Omgevingswet de hoofdregel geworden. In artikel 15.1 lid 2 van de Omgevingswet is namelijk bepaald dat indien voor een activiteit een omgevingsvergunning is vereist op grond van een regel in (onder meer) het omgevingsplan, alleen het besluit tot het verlenen, wijzigen, intrekken of weigeren van de omgevingsvergunning voor die activiteit geldt als schadeveroorzakend besluit. Om te voorkomen dat benadeelden die voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet geen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om een verzoek om planschade in te dienen door de verschuiving van het schademoment opnieuw die mogelijkheid krijgen, bepaalt artikel 22.13 lid 1 Omgevingswet dat een omgevingsvergunning die wordt verleend op grond van een regel in het tijdelijke deel van het omgevingsplan (waaronder de Wro-bestemmingsplannen) niet geldt als schadeveroorzakend besluit als bedoeld in artikel 15.1 lid 2 Omgevingswet.
Hier doet zich een mismatch voor. Onder de Wro gold bij wijzigings- en uitwerkingsplannen en binnenplanse afwijkingsbevoegdheden dat de onderliggende planregel in het (moeder)bestemmingsplan niet werd aangemerkt als de schadeoorzaak. Men moest wachten op het besluit tot vaststelling van een wijzigings- of uitwerkingsplan respectievelijk het besluit tot verlening van een binnenplanse afwijkvergunning. Onder de Omgevingswet belet artikel 22.13 lid 1 Omgevingswet echter dat deze besluiten worden aangemerkt als een schadeoorzaak. Hierdoor kunnen zich situaties voordoen waarin benadeelden tussen wal en schip vallen en in het geheel geen aanspraak kunnen maken op nadeelcompensatie.
Om dit op te lossen bepaalt het voorgestelde artikel 22.13a Omgevingswet dat de omgevingsvergunning die wordt verleend met toepassing van een in het tijdelijke deel van het omgevingsplan opgenomen regel als bedoeld in artikel 3.6 lid 1 sub a-c Wro in dergelijke gevallen geldt als een schadeveroorzakend besluit als bedoeld in artikel 15.1 lid 2 Omgevingswet.
Overgangsrecht Wro-bestemmingsplannen en inpassingsplannen (artikelen 4.18a en 4.19 Invoeringswet Omgevingswet)
Voor het overgangsrecht in hoofdstuk 4 van de Invoeringswet Omgevingswet is het uitgangspunt dat voor besluiten waartegen beroep openstaat het oude recht van toepassing blijft tot op het moment waarop die onherroepelijk worden. Voor besluiten waar geen beroep tegen openstaat, blijft het oude recht van toepassing tot het moment waarop het besluit van kracht wordt. Volgens de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is in artikel 4.19 van de Invoeringswet Omgevingswet hierbij per abuis geen rekening gehouden met de mogelijkheid tot het instellen van beroep tegen een bestemmingsplan of inpassingsplan als bedoeld in artikel 6.1 lid 2 sub a van de Wro. Voor beheersverordeningen was wel terecht aangesloten bij “van kracht worden” als “kantelmoment” voor het einde van het overgangsrecht, nu daartegen geen beroep openstaat. Het nieuwe artikel 4.18a Invoeringswet Omgevingswet corrigeert dit voor bestemmingsplannen en inpassingsplannen, door de toepasselijkheid van het overgangsrecht te koppelen aan het moment waarop het bestemmingsplan respectievelijk inpassingsplan onherroepelijk wordt, in plaats van aan het moment waarop het plan van kracht wordt.
Contact
Heeft u vragen over dit kennisartikel of over onteigening en/of nadeelcompensatie onder de Omgevingswet in het algemeen? Neemt u dan gerust contact op.