Zoeken
  1. Wmcz 2018

Nieuwe ontwikkelingen Wmcz 2018

Er zijn nieuwe ontwikkelingen in het wetgevingsproces Wmcz 2018: enkele wijzigingsvoorstellen en een uitvoerige beantwoording van vragen van de verschillende kamerfracties.
Auteur artikelTom van Malssen
Gepubliceerd30 juni 2018
Laatst gewijzigd30 juni 2018
Leestijd 

Er zijn nieuwe ontwikkelingen in het wetgevingsproces Wmcz 2018: enkele wijzigingsvoorstellen en een uitvoerige beantwoording van vragen van de verschillende kamerfracties.

Wijzigingsvoorstellen

De wijzigingsvoorstellen zijn beperkt en voornamelijk technisch van aard. De enige echt inhoudelijke wijziging betreft de regeling van de kosten van juridische bijstand voor het voorleggen van een geschil aan de LCvV. Deze kosten komen (alsnog) niet voor rekening van de instelling. Hiermee wordt, aldus de minister, vermeden dat cliëntenraden een “prikkel” voelen om juridische bijstand in te huren voor het voeren van procedures ten overstaan van de landelijke commissie. Dit zou namelijk kunnen leiden tot “onnodige juridisering”. Helemaal mee eens.

Wel jammer dat niet een vergelijkbare bepaling is opgenomen over de procedures in de volgende drie instanties (kantonrechter, gerechtshof en Hoge Raad). De SGP-fractie had een concreet voorstel van deze strekking gedaan, een voorstel om in ieder geval achteraf te laten toetsen of (en zo ja, in hoeverre) gemaakte kosten voor het voeren van een rechtsgeding redelijkerwijs noodzakelijk waren. Dit voorstel wordt echter afgeserveerd met de motivering dat het ertoe zou leiden dat cliëntenraden “geen rechtsgedingen meer zouden durven in te stellen.” Gelukkig heeft de minister toch een goede oplossing voor het door de mannenbroeders aangestipte probleem: het de cliëntenraad “wijzen” op de mogelijkheid om bij de kantonrechter zelf de procedure te voeren en het “wijzen op het belang van het laag houden van de kosten”.

Ten slotte is vermeldenswaard dat de minister uitdrukkelijk de weg opent naar het (alsnog) uitbreiden van de reikwijdte van de Wmcz 2018 naar de Wmo 2015. In het najaar horen we hierover meer.

Beantwoording vragen

In algemene zin vormen de gestelde vragen vooral – zoals in de politiek te doen gebruikelijk – een elegante aanleiding om de reeds ingezette lijn nog eens krachtig te bevestigen. Zo wordt de fundamentele kritiek van de Raad van State gepareerd met de stelling dat zorginstellingen er “nog niet in zijn geslaagd om cliënten voldoende in positie te brengen”. Dit zou blijken uit “voorgaande evaluaties en onderzoeken”. Dat de concrete evaluaties en onderzoeken die in een voetnoot worden aangehaald toch echt een net iets ander verhaal vertellen, mag de pret natuurlijk niet drukken. Het komt immers aan op de grote lijn.

Interessant is verder – ik beperk mij op deze plaats tot enkele signaleringen – dat de minister stelt dat de “bewijslast” inzake de redelijkheid van het wel of niet instellen van méér dan één cliëntenraad bij de zorgaanbieder ligt, en niet bij de cliënten die zich op het standpunt stellen dat de redelijkheid meebrengt dat meer dan één cliëntenraad moet worden ingesteld. Wetstechnisch (de terminologie luidt: meer dan één cliëntenraad “indien dit (…) redelijkerwijs van [de instelling] kan worden verlangd”) is dit in ieder geval moeilijk te verdedigen. Het lijkt mij ook niet wenselijk. Maar dat is een ander verhaal.

Opvallend is voorts het optimisme waarmee het oorspronkelijke voorstel van een drievoudige beroepsinstantie (kantonrechter, hof en Hoge Raad) wordt gehandhaafd. De regering “vreest niet” dat dit zal leiden tot “veel juridisering of extra kosten.” De LCvV beschikt namelijk “bij uitstek over de deskundigheid om verschillen van mening door middel van bemiddeling of het doen van een uitspraak of een beslissing tot een goede oplossing te brengen”. Om deze reden “verwacht” de minister “dat tussenkomst van de commissie veelal tot een door partijen geaccepteerde uitkomst zal leiden”. Wie na deze tsunami van geruststellingen nog twijfelt, bijvoorbeeld in het licht van in het verleden concreet opgedane ervaringen, wordt over de streep getrokken door een verwijzing in het antwoord van de minister naar artikel 17 jo. 112 Grondwet en artikel 6 EVRM. Daar wordt zelfs de grootste zwartkijker stil van.  

Wel blijft verbazen dat de wetgever het klaarblijkelijk wenselijk vindt dat cliëntenraden zonder enige voorafgaande inhoudelijke toets kunnen weigeren akkoord te gaan met de door de instelling aangeboden onafhankelijke ondersteuning. Om een verplichting voor de instelling te creëren een door de cliëntenraad gewenste externe ondersteuner aan te trekken is namelijk voldoende dat de cliëntenraad “onverhoopt niet uit de voeten kan” met de door de instelling voorgedragen “kandidaat”, of “onvoldoende vertrouwen” heeft in de bewuste persoon. Het staat de cliëntenraad “geheel vrij” om een eigen secretaris voor te dragen. Opmerkelijk.

Opmerkelijk is ook dat de wetgever het terechte voorstel van de SGP-fractie niet heeft overgenomen om “structureel” tekortschieten te vervangen door “ernstig” tekortschieten als criterium voor ontbinding van een cliëntenraad. Er zijn immers vrij eenvoudig situaties te bedenken waarin ook eenmalig tekortschieten (mits ernstig genoeg) ontbinding rechtvaardigt. Volgens de minister zou doorvoering van het voorstel betekenen dat ook een “enkele forse misser” voldoende zou kunnen zijn voor ontbinding van de cliëntenraad. Inderdaad en terecht, zou ik zeggen. Bovendien zou het in ontbindingssituaties nogal eens gaan over “verstoorde verhoudingen” met de bestuurder, waarin beide partijen een “verschillend verhaal hebben over de ontstane situatie”. Ook helemaal eens, maar wat mij betreft zou het onder de streep uitsluitend moeten gaan over de vraag wiens verhaal het meest aannemelijk is. Dit staat verder helemaal los van de vraag of het gestelde tekortschieten van een cliëntenraad voldoende ernstig en eenmalig of voldoende ernstig en structureel is. Bijzondere argumentatie in ieder geval.

Even bijzonder als het gemak waarmee de nogal controversiële uitbreiding van het enquêterecht nog eens wordt herbevestigd. Net als op veel andere plaatsen in de Nota waarin de minister de vragen van bezorgde kamerleden beantwoordt, loopt ook hier de herbevestiging via de band van een geruststelling. De minister is namelijk “gebleken” dat van het middel de afgelopen jaren “prudent gebruik is gemaakt”.

Dat biedt hoop voor de toekomst.