Zoeken
  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Afvalstof of niet? De hoofdlijnen in internationale en nationale rechtspraak

Afvalstof of niet? De hoofdlijnen in internationale en nationale rechtspraak

Wat voor de één afval is, is voor de ander geen afval. Juist voor de houder is het belangrijk om te weten of een product als afvalstof wordt aangemerkt. Er geldt immers andere wet- en regelgeving voor afvalstoffen. Ook in de tijd dat er meer wordt ingezet op een circulaire economie is het (te) snel aanmerken van een product als afval niet altijd wenselijk. Of een product kwalificeert als afvalstof is niet altijd eenvoudig te beoordelen. Uit jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie en de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat alle omstandigheden van het geval bij de beoordeling moeten worden betrokken. Meer in het bijzonder moet gekeken worden naar het gedrag van de houder en de betekenis van “zich ontdoen van”.
Auteur artikelMarleen Vermeulen
Gepubliceerd10 december 2019
Laatst gewijzigd10 december 2019
Leestijd 

Arrest Shell Nederland

Het arrest Shell Nederland (12 december 2013, C-241/12 en C-242/12, ECLI:EU:C:2013:821) wordt gezien als het standaardarrest waarin het Europese Hof overweegt hoe artikel 3 van de Kaderrrichtlijn afvalstoffen uitgelegd moet worden. In latere rechtspraak wordt veelvuldig naar dit arrest verwezen. Dit jaar nog heeft het Europese Hof van Justitie prejudiciële vragen beantwoord met het arrest Shell Nederland als uitgangspunt (arrest Tronex, HvJ EU 4 juli 2019, C-624/17, ECLI:EU:C:2019:564).

Algemene uitgangspunten

De definitie van afvalstof volgens artikel 3 van de Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen (2008/98/EG) luidt: “elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen”. Volgens vaste rechtspraak moet dit begrip ruim worden uitgelegd. Bij iedere vraag of er sprake is van een afvalstof moet een beoordeling van de feiten en omstandigheden in een concreet geval plaatsvinden in het licht van de doelstellingen van de Kaderrichtlijn. Bijzondere betekenis komt toe aan de intentie en het gedrag van de houder en de omstandigheid of een materiaal wel of geen last is voor de houder.

De ruime uitleg van het begrip afvalstoffen houdt in dat geen enkele stof of product op voorhand kan worden uitgezonderd van het begrip afvalstoffen. Ook stoffen of producten die een economische waarde hebben of niet schadelijk zijn voor het milieu kunnen kwalificeren als afvalstof. Het gedrag van de houder is doorslaggevend.

Zich ontdoen van

Het gedrag van de houder van een stof of product is essentieel voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een afvalstof. Bepaalde omstandigheden kunnen een aanwijzing zijn dat het om een afvalstof gaat. Vrij eenvoudig is het wanneer voor een stof of een product een wettelijke plicht geldt om deze te verwijderen. Deze stof of product moet altijd als een afvalstof worden aangemerkt. Het ligt al iets lastiger bij een stof of product die voor de houder ervan geen nut (meer) heeft. De stof of het product is dan een last waarvan de houder zich wil ontdoen. Dergelijke stoffen vallen onder het begrip afvalstof, omdat er een groot risico is dat de houder zich van de stof of het product ontdoet op een manier die schadelijk kan zijn voor het milieu of de gezondheid.

Voortgezet gebruik / hergebruik

Of een stof of product nog van nut is, kan worden bepaald aan de hand van drie criteria:

  1. is het zeker dat de stof of het product gebruikt zal worden?
  2. is het voorgenomen gebruik rechtmatig?
  3. is het voorgenomen gebruik voldoende hoogwaardig?

De vraag of het (voortgezette) gebruik zeker is, kan weer beantwoord worden aan de hand van aanwijzingen. Zo zal zeker hergebruik waarschijnlijker zijn als dat hergebruik mogelijk is zonder voorafgaande bewerking. De stof of het product wordt dan niet meer als een last gezien waarvan de houder zich wil ontdoen.

In de praktijk zijn talloze voorbeelden bekend waar de vraag of iets een afvalstof is centraal staat. In andere kennisartikelen op onze website zal op diverse producten en de beoordeling uitgebreider worden ingegaan.

Bewijslast rust op de houder

De houder dient te bewijzen dat het niet zijn voornemen is om zich te ontdoen van de stof of het product. Dit volgt uit het arrest Brady (HvJ 3 oktober 2013, C-113/12, ECLI:EU:C:2013:627) en is later bevestigd in het eerder genoemde arrest Tronex. Alleen de houder kan bewijzen wat zijn bedoeling met de producten is. Bij het ontbreken van onvoldoende bewijs kan het bevoegd gezag de stof of het product als afvalstof aanmerken.

Voor elektronische producten geldt bovendien dat de houder moet aantonen dat hergebruik niet alleen mogelijk is, maar ook zeker is door vooraf controles uit te voeren met betrekking tot de werking van de apparaten en benodigde reparaties te verrichten. Bovendien moet de opslag en het transport op dusdanige wijze plaatsvinden dat de producten niet beschadigd raken. Zonder een deugdelijke verpakking aanvaardt de houder het risico op transportschade. In dat geval moet worden aangenomen dat hij zich van de producten wenst te ontdoen.

Tot slot

De kwalificatie van een stof als afvalstof (of niet) is maatwerk en komt in veel situaties voor. Denk daarbij aan onder meer vergunningverlening en handhaving. Voor vragen over afvalstoffen kunt u contact opnemen met Jasper Molenaar, Bart de Haan en/of Marleen Vermeulen.