De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Concept-wetsvoorstel Wijziging wet medezeggenschap scholen

Concept-wetsvoorstel wijziging Wet medezeggenschap scholen

De Wet medezeggenschap scholen (‘Wms’) kent zowel algemene als bijzondere bevoegdheden toe aan medezeggenschapsorganen in het primair onderwijs, het voortgezet onderwijs en het (voortgezet) speciaal onderwijs. Zo heeft de (G)MR onder meer recht op overleg (artikel 6 Wms), recht op informatie (artikel 8 Wms) en diverse instemmings- en adviesbevoegdheden. Het ‘Wetsvoorstel tot wijziging van de Wet medezeggenschap op scholen, de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de expertisecentra in verband met het versterken van de medezeggenschap en de informatievoorziening aan betrokkenen in het funderend onderwijs’ beoogt de positie van de (G)MR te versterken en de informatievoorziening aan ouders, leerlingen en personeel te verbeteren. Naar verwachting zal het wetsvoorstel op 1 juli 2021 in werking treden. In dit blog zetten wij voor u de vier belangrijkste voorgestelde wijzigingen uiteen.
Auteur artikel Rosanne Kuiper
Gepubliceerd 15 december 2020
Laatst gewijzigd 18 december 2020
Leestijd 

A) Instemmingsrecht voor de (G)MR op hoofdlijnen van de begroting

Onder de huidige Wms heeft de (G)MR een adviesrecht op de hoofdlijnen van het meerjarig financieel beleid van de school. Met het wetsvoorstel wordt dit adviesrecht vervangen door een instemmingsrecht op de hoofdlijnen van de jaarlijkse begroting (voorgesteld artikel 10 lid 1 sub k Wms). Het idee is dat scholen zo meer worden gestimuleerd om inzicht te verschaffen in de wijze waarop onderwijsgelden worden besteed en dat scholen worden geprikkeld om een continue dialoog te voeren met de (G)MR over beleidsdoelstellingen. Financiële keuzes worden immers gemaakt op basis van strategische doelstellingen.

Onder hoofdlijnen van de begroting valt op grond van het voorgestelde artikel 10 lid 1 sub k Wms in ieder geval de beoogde verdeling van gelden over de beleidsterreinen onderwijs, huisvesting en beheer en investeringen en personeel. Wat verder tot ‘de hoofdlijnen’ behoort, moet worden uitgewerkt op schoolniveau. Daarbij valt te denken aan de verdeling van middelen over de verschillende scholen die onder één schoolbestuur vallen, maar ook aan de verhouding tussen uitgaven in het kader van het primaire (onderwijs)proces en ondersteuning daarvan. Wanneer de (G)MR niet instemt met de hoofdlijnen van de begroting heeft dat tot gevolg dat de begroting voor dat jaar niet kan worden vastgesteld. In dat geval kan het bevoegd gezag van de school met een aangepast begrotingsvoorstel komen of ervoor kiezen het geschil voor te leggen aan de Landelijke Commissie voor Geschillen WMS. Noodzakelijke uitgaven voor de continuïteit van de school moeten echter altijd kunnen worden gedaan, ook als de begroting (nog) niet is vastgesteld door het ontbreken van instemming van de (G)MR. Daarom kan het bevoegde gezag van de school voor noodzakelijke uitgaven altijd beschikken over ten hoogste 4/12e van het bedrag dat in het vorige jaar voor een bepaalde uitgave was begroot (voorgesteld artikel 32 lid 5 Wms).

Uit reacties op de internetconsultatie blijkt dat dit aspect van het wetsvoorstel vragen oproept. Scholen zijn bang dat de (G)MR het onthouden van instemming op de hoofdlijnen van de begroting inzet als pressiemiddel wanneer er sprake is van een meningsverschil tussen (G)MR en het bevoegd gezag. Ook uiten partijen in het veld de zorg dat een jaarlijks instemmingsrecht korte termijn denken in de hand werkt. Tot slot zijn er veel vragen gesteld over wat wel en niet onder ‘de hoofdlijnen’ van de jaarlijkse begroting zou (moeten) vallen.

B) Instemmingsrecht OPR op meerjarenbegroting behorend bij het ondersteuningsplan

In het ondersteuningsplan (dat ten minste eens in de vier jaren wordt vastgesteld) leggen scholen binnen een samenwerkingsverband vast op welke wijze zij samen passend onderwijs bieden. Het plan bevat onder meer informatie over welke vorm van basisondersteuning op alle scholen aanwezig is, hoe extra vormen van ondersteuning als een samenhangend geheel worden georganiseerd en een beschrijving van procedures en criteria voor het plaatsen van leerlingen op speciaal onderwijs. Inspraak vanuit ouders, leerlingen en docenten op het ondersteuningsplan vindt plaats door de ondersteuningsplanraad (‘OPR’). In de OPR zitten leden die worden afgevaardigd vanuit de (G)MR’en van de scholen binnen het samenwerkingsverband.

De wetgever stelt in de toelichting bij het concept-wetsvoorstel dat de OPR alleen goed kan functioneren als de OPR de meerjarenbegroting behorend bij het ondersteuningsplan ontvangt. In de praktijk blijkt dit vaak niet te gebeuren, waardoor de OPR onvoldoende in staat is om het ondersteuningsbeleid afgezet tegen de beschikbare middelen te beoordelen. Om de positie van de OPR te versterken en transparantie over de besteding van middelen voor passend onderwijs te bevorderen, stelt de wetgever daarom voor om de OPR een instemmingsrecht op de meerjarenbegroting bij het ondersteuningsplan te geven (voorgesteld artikel 14a Wms).

C) Jaarlijkse vaststelling van het schoolondersteuningsprofiel en opname in de schoolgids

Ook op het niveau van de individuele school bestaat het voornemen om de medezeggenschap rond passend onderwijs te wijzigen. Een school stelt iedere vier jaar een ‘schoolondersteuningsprofiel’ vast, waar informatie te vinden valt over de extra ondersteuning die een school kan bieden (bijvoorbeeld op het gebied van dyslexie). Daarnaast bevat de schoolgids, die jaarlijks wordt vastgesteld, een omschrijving van de wijze waarop ondersteuning aan leerlingen met behoefte daaraan wordt vormgegeven. Dat lijkt dubbel werk. Bovendien blijken schoolondersteuningsprofielen in de praktijk regelmatig te summier of te gedateerd, waardoor ouders geen goed beeld krijgen van de ondersteuningsmogelijkheden op een school. Het voorstel is daarom om het schoolondersteuningsprofiel onderdeel te maken van de schoolgids, zodat het jaarlijks wordt vastgesteld in plaats van eenmaal in de vier jaar. Zo ontvangen ouders, leerlingen en personeel actuelere informatie.

De ouder/leerling-geleding van de MR heeft op dit moment een instemmingsrecht op de schoolgids, maar in het concept-wetsvoorstel wordt het schoolondersteuningsprofiel daarvan uitgezonderd. De school houdt op die manier vrijheid om af te wijken van het advies indien dat noodzakelijk is voor het realiseren van een dekkend netwerk van ondersteuningsvoorzieningen binnen een samenwerkingsverband. Wel behoudt de gehele (G)MR een adviesrecht ten aanzien van het schoolondersteuningsprofiel.

D) Adviesrecht voor de (G)MR bij vaststelling groepsgrootte primair onderwijs

Het laatste onderdeel van het concept-wetsvoorstel is het toekennen van een adviesrecht aan de (G)MR ten aanzien van de vaststelling van de groepsgrootte in het (speciaal) primair onderwijs (voorgesteld artikel 11 lid 1 sub e Wms). Er is bewust gekozen voor een adviesrecht, omdat scholen voor het bepalen van groepsgrootte te maken hebben met allerlei factoren (type onderwijs, beschikbaarheid leerkrachten etc.). Met een adviesrecht worden ouders en personeel bij de besluitvorming betrokken, maar staat het de school vrij om gemotiveerd van het advies van de (G)MR af te wijken.

Slot

Zodra er meer bekend is over het concept-wetsvoorstel Wms, informeren wij u daar graag over via onze website. Heeft u al vragen over het wetsvoorstel of over de Wms in het algemeen? Neem dan gerust contact op met Marieke van Dongen of Rosanne Kuiper.