De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Conceptwetsvoorstel Verzamelwet gegevensbescherming: implicaties voor zorgaanbieders (1)

Conceptwetsvoorstel Verzamelwet gegevensbescherming: implicaties voor zorgaanbieders (1)

In het kielzog van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) is ook de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (UAVG) in 2018 in rap tempo ingevoerd. In de daaropvolgende periode heeft de wetgever de UAVG en enkele andere wetten geëvalueerd. Van 20 mei tot en met 14 juli 2020 heeft de wetgever het uit die evaluatie voortvloeiende conceptwetsvoorstel ‘Verzamelwet gegevensbescherming’ ter internetconsultatie voorgelegd, met daarin wijzigingen om knelpunten in het gegevensbeschermingsrecht het hoofd te bieden. In deze tweedelige blogreeks bespreken wij de voor u als zorgaanbieder relevante voorgenomen wijzigingen van de UAVG.
Auteur artikelMyrthe Feenstra
Gepubliceerd22 juli 2020
Laatst gewijzigd23 juli 2020
Leestijd 

Hierna gaan wij in op de voorgestelde wijzigingen ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens van jongeren die de leeftijd van twaalf hebben bereikt en van meerderjarige onbekwamen/onbevoegden (zie hier het conceptwetsvoorstel en de bijbehorende memorie van toelichting). Dit wordt geregeld in artikel 5 van de UAVG, waar nu de toestemming van de wettelijk vertegenwoordiger is geregeld en de uitoefening van de rechten van betrokkenen zoals zijn neergelegd in hoofdstuk III AVG.

Verwerking van persoonsgegevens van jongeren vanaf twaalf jaar

De regeling van artikel 5 UAVG
Op grond van artikel 6 van de AVG is een verwerking van persoonsgegevens alleen rechtmatig als daarvoor een van de in dat artikel genoemde grondslagen voorhanden is. Als het gaat om bijzondere persoonsgegevens, zoals gezondheidsgegevens, moet daarnaast een grondslag als bedoeld in artikel 9 lid 2 AVG van toepassing zijn. Zowel artikel 6 als artikel 9 AVG kennen als grondslag (uitdrukkelijke) toestemming van de betrokkene. Artikel 7 AVG stelt nadere voorwaarden aan het toestemmingsvereiste. Op grond van deze bepaling moet toestemming vrij, dus zonder enige druk van buitenaf, zijn gegeven.

Toestemming verlenen
Daar waar het gaat om een betrokkene die nog geen zestien jaar oud is, bepaalt artikel 5 UAVG dat zijn wettelijk vertegenwoordiger toestemming moet verlenen voor de verwerking van persoonsgegevens. Het conceptwetsvoorstel Verzamelwet gegevensbescherming laat dit ongewijzigd.

Toestemming intrekken
Wat wel gewijzigd wordt in het conceptwetsvoorstel Verzamelwet gegevensbescherming, is dat niet langer alleen de wettelijk vertegenwoordiger van de betrokkene de gegeven toestemming voor de verwerking van persoonsgegevens kan intrekken, maar óók de betrokkene zelf wanneer deze de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt. Deze voorgenomen wijziging is opgenomen in artikel 5 lid 3 UAVG. In het conceptwetsvoorstel Verzamelwet gegevensbescherming wordt namelijk na “de betrokkene” ingevoegd "en door de betrokkene die de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt". Concreet betekent dit dat een jongere die ouder is dan twaalf jaar dus ongeacht de initiële toestemming van zijn wettelijk vertegenwoordiger deze toestemming kan intrekken. Opmerkelijk is dat hier de situatie wordt gecreëerd dat een betrokkene die de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, dus niet zelf toestemming kan geven voor het verwerken van zijn of haar persoonsgegevens, maar in het geval de wettelijk vertegenwoordiger hiervoor toestemming heeft gegeven de jongere dit wel zelf kan intrekken.

Volgens de memorie van toelichting is de leeftijdsgrens van twaalf jaar gekozen vanwege het maatschappelijk gegeven dat kinderen vanaf deze leeftijd in toenemende mate van zelfstandigheid gebruik maken van een groot aantal diensten waarbij ook gegevensverwerking aan de orde is. Ook sluit deze leeftijd aan bij andere terreinen in het Nederlands recht en het gezondheidsrecht in het bijzonder. Deze stelling is op zichzelf juist. De vraag is echter nog steeds waarom de wetgever ervoor heeft gekozen om deze leeftijdsgrens alleen te hanteren voor het intrekken van toestemming en niet het geven van toestemming. Mede gelet op het feit dat een jongere die de leeftijd van twaalf heeft bereikt wel (mede) toestemming dient te geven voor een medische verrichting (op grond van artikel 7:450 lid 2 BW) is dit vreemd. In de memorie van toelichting licht de wetgever deze keuze niet nader toe.

Uitoefening van rechten van betrokkene onder de AVG
Het conceptwetsvoorstel Verzamelwet gegevensbescherming introduceert de mogelijkheid dat jongeren vanaf de leeftijd van twaalf jaar, naast hun vertegenwoordiger, zelfstandig hun rechten onder de AVG kunnen uitoefenen. In de huidige wetgeving is in artikel 5 lid 4 namelijk geregeld dat de rechten van betrokkene, bedoeld in hoofdstuk III van de AVG, ten aanzien van betrokkenen die de leeftijd van zestien jaren nog niet hebben bereikt, worden uitgeoefend door hun wettelijk vertegenwoordiger. De rechten van betrokkenen, zoals neergelegd in hoofdstuk III AVG zijn bijvoorbeeld het recht op inzage, het recht op rectificatie, het recht op vergetelheid en het recht op overdraagbaarheid van gegevens.

De voorgenomen wijziging in het conceptwetsvoorstel Verzamelwet gegevensbescherming maakt het dus mogelijk dat náást de vertegenwoordiger van de betrokkene ook de betrokkene die de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt deze rechten zélf kan uitoefenen als het over zijn eigen persoonsgegevens gaat (conceptwetsvoorstel artikel 5 lid 4 sub b UAVG). Wanneer de betrokkene de leeftijd van twaalf nog niet heeft bereikt, worden de rechten van de betrokkene uitgeoefend door zijn wettelijk vertegenwoordiger (conceptwetsvoorstel artikel 5 lid 4 sub a UAVG). Van belang is wel dat de wettelijk vertegenwoordiger het recht op privacy van het kind of een andere door hem vertegenwoordigde in acht zal moeten nemen. Dit zal bijvoorbeeld bij het recht op inzage een rol spelen.

Verwerking van persoonsgegevens van meerderjarige onbekwamen/onbevoegden

Behalve dat het conceptwetsvoorstel wijzigingen beoogt aan te brengen in de rechtspositie van jongeren vanaf twaalf jaar, wordt ook een wijziging ten aanzien van onbekwamen/onbevoegden voorgesteld. Dit is het geval wanneer een betrokkene onder curatele, bewind of mentorschap is gesteld. Ook voor deze groep is de hiervoor beschreven wijziging van artikel 5 lid 3 UAVG relevant. Beoogd wordt immers om het derde lid te wijzigen in “door de betrokkene die de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt”. Naar de letter van de (voorgestelde) wet zou deze wijziging (mits dit uiteindelijk in deze vorm wordt aangenomen) betekenen dat iedere betrokkene vanaf 12 jaar - ongeacht de gegeven toestemming door zijn wettelijk vertegenwoordiger - deze toestemming kan intrekken. Hierin wordt dus geen onderscheid gemaakt tussen betrokkenen die bevoegd of bekwaam en betrokkenen die onbevoegd of onbekwaam zijn. De memorie van toelichting schrijft zelfs dat wanneer één van de partijen, hetzij de vertegenwoordiger, de onder curatele gestelde, de betrokkene ten behoeve van wie bewind of mentorschap is ingesteld, van mening is dat geen verwerking van persoonsgegeven meer zou moeten plaatsvinden, beiden onafhankelijk van elkaar deze toestemming kunnen intrekken.

Een onder curatele gestelde en een betrokkene ten behoeve van wie bewind of mentorschap is ingesteld kunnen dus, aldus de Memorie van Toelichting, zelf de toestemming voor het verwerken van zijn persoonsgegevens intrekken. Met andere woorden, als de onder curatele gestelde, de betrokkene van wie bewind of mentorschap is ingesteld van mening is dat geen verwerking van persoonsgegevens meer zou moeten plaatsvinden, dan kan hij onafhankelijk van de vertegenwoordiger deze toestemming intrekken. En precies daar wringt de schoen. Het conceptwetsvoorstel (en de bijbehorende Memorie van Toelichting) maakt namelijk geen onderscheid tussen aangelegenheden waarvoor de betrokkene al dan niet onbekwaam of onbevoegd is. Uit de Memorie van Toelichting volgt wel dat de vertegenwoordiger de toestemming kan intrekken voor zover het een aangelegenheid betreft waarvoor de betrokkene onbekwaam dan wel onbevoegd is. Onduidelijk is echter of hier a contrario mee wordt bedoeld dat de onbekwame/onbevoegde ook zelfstandig bevoegd is de toestemming in te trekken, ongeacht de wil van de vertegenwoordiger.

Uitoefening van rechten van betrokkene onder de AVG
Het conceptwetsvoorstel brengt geen wijzigingen aan in de regels ten aanzien van de uitoefening van rechten van betrokkenen zoals bedoeld in hoofdstuk III AVG voor onbevoegden/onbekwamen. In artikel 5 lid 4 sub c is bepaald dat de rechten van de betrokkene die onder curatele is gesteld of ten aanzien van een betrokkene ten behoeve van wie bewind of mentorschap is ingesteld, worden uitgeoefend door diens wettelijk vertegenwoordiger, voor zover het een aangelegenheid betreft waarvoor de betrokkene onbekwaam dan wel onbevoegd is. Dit komt overeen met de huidige bewoordingen van artikel 5 lid 4 AVG ten aanzien van deze groep.

Onduidelijk blijft waarom de wetgever kennelijk wel heeft gekozen voor de constructie dat een onbekwame/onbevoegde zijn rechten als bedoeld in hoofdstuk III AVG niet zelf kan uitoefenen wanneer hij onbevoegd dan wel onbekwaam is, maar wel zelf de toestemming van het verwerken van zijn persoonsgegevens kan intrekken, ongeacht of hij bekwaam dan wel bevoegd is.

Verhouding tot het goed hulpverlenerschap

Ook lid 4 van artikel 5 UAVG wordt in het conceptwetsvoorstel gewijzigd. Lid 4 zou als volgt komen te luiden:

“De rechten van de betrokkene, bedoeld in hoofdstuk III van de verordening [hiermee wordt bedoeld: de AVG], kunnen tenzij de afweging als bedoeld in artikel 457, derde lid, tweede zin, van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek zich daartegen verzet […]." [onderstreping toegevoegd]

Nieuw is dus dat een verwijzing naar de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO, onderdeel van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek) wordt opgenomen. De ‘afweging’ die hier bedoeld wordt is dat op grond van artikel 7:457 lid 3 BW de hulpverlener inlichtingen over de patiënt dan wel het verstrekken van afschrift van de bescheiden jegens de vertegenwoordiger achterwege laat als hij daarmee niet de zorg voor een goed hulpverlener in acht kan nemen.  

Volgens de memorie van toelichting wordt met de wijziging van artikel 5 lid 4 UAVG de verhouding tot artikel 7:457 lid 3 BW verduidelijkt. De vraag is echter of deze wijziging een noodzakelijke verduidelijking is. Zowel in de AVG als in de UAVG zijn namelijk ook uitzonderingsgronden opgenomen. Zo kan op grond van artikel 41 lid 1 sub j UAVG de verwerkingsverantwoordelijke de rechten van betrokkenen buiten toepassing laten, wanneer dit noodzakelijk en evenredig is ter waarborging van "de bescherming van de betrokkene of de vrijheden van anderen".

Deze wijziging is voorgesteld omdat de regeling van artikel 7:457 lid 3 BW kan schuren met het huidige artikel 5 lid 4 UAVG. Zoals gezegd, worden de rechten van de betrokkene op grond van hoofdstuk III AVG ook uitgeoefend door de wettelijk vertegenwoordiger als de betrokkene onbevoegd/onbekwaam is of als de betrokkene de leeftijd (op grond van de huidige wetgeving) van zestien jaar nog niet heeft bereikt. De situatie zou zich kunnen voordoen dat een wettelijk vertegenwoordiger met een beroep op artikel 5 lid 4 UAVG inzage eist in het medisch dossier van het kind of declaraties bij de zorgverzekeraar, maar dat de verstrekking van deze informatie aan de wettelijk vertegenwoordiger niet in overeenstemming is met de zorg van een goed hulpverlener. Dit kan het geval zijn als het niet wenselijk is dat de wettelijk vertegenwoordiger te weten komt welke behandeling de jeugdige ondergaat in verband met zijn thuissituatie of als sprake is van een vermoeden van kindermishandeling en/of huiselijk geweld. Zoals gezegd zou onder de huidige (U)AVG inzage reeds kunnen worden geweigerd met een beroep op de bescherming van de betrokkene. De vraag is echter of alle zorgverleners/aanbieders zich voldoende bewust zijn van deze bepaling. In dat geval kan de toevoeging aan het voorgestelde artikel 5 lid 4 UAVG wellicht verduidelijking bieden. Noodzakelijk is deze verduidelijking echter niet.

Tot slot

Het nieuw voorgestelde artikel 5 UAVG bevat – samengevat – de volgende belangrijke wijzigingen:

  1. Betrokkenen die de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt, onder curatele gestelden, onder bewind gestelden en personen ten behoeve van wie mentorschap is ingesteld, kunnen eerder door hun wettelijk vertegenwoordiger gegeven toestemming óók – naast de vertegenwoordiger zelf – intrekken;
  2. Bekwame/bevoegde betrokkenen vanaf twaalf jaar kunnen zelfstandig – naast de vertegenwoordiger – hun rechten op grond van hoofdstuk III AVG uitoefenen;
  3. De rechten van de betrokkene die onder curatele is gesteld of ten aanzien van een betrokkene ten behoeve van wie bewind of mentorschap is ingesteld, worden uitgeoefend door diens wettelijk vertegenwoordiger, voor zover het een aangelegenheid betreft waarvoor de betrokkene onbekwaam dan wel onbevoegd is;
  4. Expliciet is bepaald dat de regeling van artikel 7:457 lid 3, 2e volzin BW, de mogelijkheid om het verstrekken van inlichtingen en het verschaffen van inzage te weigeren uit hoofde van goed hulpverlenerschap, prevaleert boven het recht op inzage van artikel 5 lid 4 UAVG.

Voor andere belangrijke voorgenomen wijzigingen van de UAVG voor u als zorgaanbieder, verwijzen wij u graag naar deel 2 van de blogreeks. In deel 2 staan wij stil bij het bewaren van medische dossiers in geval van bijzondere omstandigheden, zoals faillissement van de zorgaanbieder en de verwerking van (gezondheids)gegevens in het kader van een verplichte accountantscontrole.

Heeft u vragen over de (voorgenomen wijzigingen van de) UAVG, bijvoorbeeld over het inzagerecht en de verhouding tot het goed hulpverlenerschap? Neem dan gerust contact met ons op.

Beoordeel dit artikel