De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. De vergeten uitvoerbaarverklaring bij voorraad: aanvulling (32 Rv) of toch incidentele vordering (art. 234 Rv)?

De vergeten uitvoerbaarverklaring bij voorraad: aanvulling (32 Rv) of toch incidentele vordering (art. 234 Rv)?

In een recent arrest (ECLI:NL:GHAMS:2020:3234) vult het Hof Amsterdam zijn arrest aan op grond van art. 32 Rv door de proceskostenveroordeling alsnog uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dat inmiddels ook de cassatieprocedure loopt waarin via een incidentele vordering ook een uitvoerbaarverklaring bij voorraad had kunnen worden gevorderd, staat daaraan niet in de weg.
Leestijd 
Auteur artikel Robert Andes
Gepubliceerd 18 januari 2021
Laatst gewijzigd 18 januari 2021
 

Inleiding

In de praktijk vorderen procespartijen standaard dat de rechter zijn uitspraak uitvoerbaar bij voorraad verklaart. Een dergelijke uitvoerbaarverklaring bij voorraad voorkomt namelijk dat de door de rechter uitgesproken veroordeling niet ten uitvoer kan worden gelegd zodra de wederpartij een rechtsmiddel instelt. In de regel wijst de rechter de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad toe. Maar soms vergeet de rechter dat, zoals in de hier te bespreken zaak.

De casus

In hoger beroep treedt Earth Concepts op als appellante en EWI als geïntimeerde. Het hoger beroep slaagt niet en dus wordt Earth Concepts als verliezende partij – zoals gebruikelijk – veroordeeld in de proceskosten. De appelrechter laat echter na deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, terwijl EWI dat wel uitdrukkelijk had gevorderd.

Vervolgens stelt Earth Concepts cassatie in. Als gevolg daarvan dreigt EWI voorlopig geen cent van de door haar gemaakte proceskosten vergoed te krijgen. Ongetwijfeld vanwege de forse omvang van de proceskostenveroordeling – het gaat in deze zaak om bijna €10.000,- – legt EWI zich daar niet bij neer. Zij klopt opnieuw aan bij het Amsterdamse gerechtshof met het verzoek om op grond van art. 32 Rv het arrest aan te vullen, door alsnog op de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad te beslissen.

De appelrechter gaat daarin mee. Hij geeft toe dat hij inderdaad had verzuimd te beslissen op de gevorderde uitvoerbaarverklaring en dat er geen reden is om die vordering niet toe te wijzen. En dus kan EWI alsnog de proceskostenveroordeling geldend maken, ook al loopt nog een cassatieprocedure.

Aanvulling of toch incidentele vordering?

In zaken als deze kan de vraag rijzen of het wel juist is dat het Hof zélf zich nog eens (op grond van art. 32 Rv) over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad buigt. EWI had immers ook op grond van art. 234 en art. 418a Rv bij de Hoge Raad een incidentele vordering in kunnen stellen om de uitspraak alsnog uitvoerbaar bij voorraad te laten verklaren. In de literatuur wordt wel gesuggereerd dat als een geschil eenmaal aan de hogere rechter is toevertrouwd, het ook deze rechter is die over de uitvoerbaarheid van de bestreden uitspraak moet beslissen (Ten Kate & Wesseling-van Gent, Herroeping, verbetering en aanvulling van burgerrechtelijke uitspraken (BPP nr. 5) 2013/III.2.2).

Voor dat standpunt valt zeker wat te zeggen. Zeker gelet op een arrest uit 2013, waarin de Hoge Raad overwoog dat de proceseconomie ermee gediend is dat alle klachten in één uitspraak worden afgedaan, dus zowel de klacht dat een rechter op een deel van het gevorderde heeft verzuimd te beslissen als andere klachten over de bestreden uitspraak.

Toch lijkt me op de aanpak van het Hof Amsterdam weinig af te dingen. Art. 32 Rv is immers duidelijk: de rechter vult te allen tijde zijn uitspraak aan indien hij heeft verzuimd te beslissen over een onderdeel van het gevorderde. De regel dat hier de Hoge Raad in plaats van de appelrechter over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad had moeten beslissen kan weliswaar wenselijk geacht worden, maar mist een juridische basis.

Terzijde valt nog te wijzen op art. 399 Rv. Deze bepaling leert dat cassatieberoep niet openstaat voor de partij die (al - zie wederom het hierboven genoemde arrest uit 2013) haar bezwaren kan doen herstellen door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gedaan. Stel dus dat de enige klacht in cassatie zou zijn dat de appelrechter ten onrechte niet over de uitvoerbaarheid bij voorraad had beslist, dan zou de eiser in cassatie niet-ontvankelijk zijn. Hij had immers de art. 32-Rv route moeten volgen.

Conclusie

Als de rechter is vergeten te beslissen over een gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad, kan hij zijn uitspraak aanvullen op grond van art. 32 Rv. Aan die mogelijkheid staat niet in de weg dat de partij die daar belang bij heeft, ook in een hogere instantie via een incidentele vordering kan bewerkstelligen dat de bestreden uitspraak alsnog uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard.

Heeft u een civiele appel- of cassatiezaak waar u ondersteuning bij nodig heeft, of heeft u procesrechtelijke vragen, neem dan gerust contact op met een van de leden van het team Cassatie en (Appel)procesrecht van Dirkzwager Legal & Tax: Tom van Malssen (cassatieadvocaat), Margo Hengeveld of Robert Andes.