De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Gemeenten teruggefloten na intrekking Wmo gelden (II)

Gemeenten teruggefloten na intrekking Wmo gelden (II)

Het intrekken en terugvorderen van persoonsgebonden budgetten op grond van de Wmo blijkt niet eenvoudig voor gemeenten. De lat daarvoor lijkt gelet op het vereiste van dubbele opzet hoog te liggen. Dit leggen wij in onderstaande blog uit aan de hand van een recente uitspraak.
Auteur artikelRalph Tak
Gepubliceerd14 september 2020
Laatst gewijzigd14 september 2020
Leestijd 

Ook de gemeente Almere ondervond recentelijk hoe hoog de lat ligt om op grond van de terugvorderingsbepaling uit de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, pgb-gelden terug te vorderen. In deze blog bespreken wij de recente uitspraak van de rechtbank Midden Nederland waarin de toepassing van de wettelijke mogelijkheid tot intrekking centraal stond.

 

Constructie uit de casus

In deze casus kreeg een cliënt een persoonsgebonden budget waarmee hij zorg in de vorm van persoonlijke begeleiding inkocht bij een zorgorganisatie (voor het gemak: A). A beschikte ook over een zorgovereenkomst met de betreffende cliënt. De zorg aan deze cliënt werd echter feitelijk geleverd door een zorgverlener die bij een andere zorgorganisatie (voor het gemak: B) werkzaam was.  A heeft tegen de gemeente verklaard dat B als onderaannemer fungeerde. A betaalde noch B, noch de zorgverlener werkzaam bij B.

De gemeente Almere heeft als gevolg van een uitgevoerd onderzoek het pgb-toekenningsbesluit (gericht aan de cliënt) ingetrokken. Ook heeft de gemeente de verstrekte persoonsgebonden budgetten teruggevorderd van A. Reden hiervoor is het feit dat A de verplichtingen uit de zorgovereenkomst niet zou zijn nagekomen (A heeft immers geen zorg geleverd). Bovendien zou A op grond van haar informatieplicht jegens de gemeente gehouden zijn te melden dat B de zorg zou gaan uitvoeren. Tegen allebei de beschikkingen is A in beroep gegaan.

 

Beoordeling van de ontvankelijkheid

In het kader van de eerste beschikking, het pgb-intrekkingsbesluit jegens de cliënt, ziet de rechter zich voor de vraag geplaatst of A belanghebbende is als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht. Daarvoor is nodig dat A een eigen, zelfstandig belang heeft bij de intrekkingsbeschikking. In dit geval oordeelt de rechter dat A weliswaar bij dat besluit een financieel belang heeft (de cliënt kocht immers zorg in bij A met behulp van dat pgb). Maar dat belang vloeit niet rechtstreeks voort uit de intrekking van het pgb, eerder uit de contractuele relatie tussen A en de cliënt. Daarmee is sprake van een afgeleid belang, geen eigen, zelfstandig belang.

Overigens oordeelde de Centrale Raad van Beroep eerder dat los van dit afgeleid, zorgaanbieders wel degelijk een zelfstandig belang kunnen hebben bij pgb-besluiten jegens hun cliënt. Dit is onder meer het geval indien er een reële mogelijkheid bestaat dat de instelling door het besluit wordt geschaad, zowel in haar vermogenspositie als in haar reputatie en eer en goede naam. Het ligt op de weg van de zorgaanbieder dit (en bij voorkeur gedocumenteerd) te onderbouwen.

 

Het beroep tegen de terugvordering

De gemeente heeft aangevoerd de pgb gelden in te trekken omdat A tekort zou zijn geschoten in zijn informatieplicht jegens de gemeente. A had de gemeente ervan op de hoogte moeten brengen dat de betreffende cliënt bij A zorg inkoopt, maar dat B als onderaannemer de zorg uitvoerde. Bovendien heeft A ook geen zorg verleend terwijl zij zich hiertoe wel blijkens de zorgovereenkomst met de cliënt had gecommitteerd. De gemeente baseert de terugvordering bij A op artikel 2.4.1 van de Wmo. Dit artikel kent een vereiste van dubbel opzet. Er moet sprake zijn van het opzettelijk verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens door de budgethouder (in dit geval de cliënt) en daaraan moet opzettelijk medewerking zijn verleend door (in dit geval) A.

A meent daarentegen dat de gemeente niet over mag gaan tot het terugvorderen van de pgb-gelden. Er zou namelijk geen sprake zijn van dubbel opzet. A heeft ook niet opzettelijk onjuiste of onvolledige informatie verstrekt aan de gemeente. A meende dat de gekozen constructie ook mag. A heeft hier zelfs bewust voor gekozen. De bedoeling ervan was om A van kapitaal te voorzien en daarmee baanzekerheid voor iedereen betrokken bij A. De zorgverleners werkzaam bij B werkten om die reden op vrijwillige basis.

 

Oordeel rechter

De rechter is van mening dat de hierboven beschreven constructie zich niet verdraagt met het stelsel van de Wmo. Als de benodigde zorg wordt verleend door vrijwilligers is er geen plaats voor een voorziening op grond van de Wmo. Bovendien kan de gemeente als gevolg van een dergelijke constructie ook niet bij de juiste zorgaanbieder de kwaliteit van de zorg controleren. De gemeente had op de hoogte moeten zijn van de constructie en de betrokkenheid van A.

Maar toch krijgt de gemeente haar geld niet terug. De rechter is namelijk van mening dat aan het vereiste van dubbele opzet niet is voldaan. De rechter vindt dat er in het onderzoek van de gemeente te veel nadruk lag op het handelen van A. Maar dit is niet voldoende. Voor een geslaagd beroep op artikel 2.4.1 van de Wmo moet komen vast te staan dat de cliënt willens en wetens onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt en dat A daaraan opzettelijk haar medewerking heeft verleend. Het handelen van de cliënt is echter in onvoldoende mate onderzocht en daarmee vernietigt de rechter het besluit op grond van een onzorgvuldige voorbereiding en onvoldoende motivering. Kennelijk had de gemeente moeten vragen naar de omstandigheid dat hij een zorgovereenkomst had met A maar dat de zorg door een zorgverlener werkzaam bij B werd geleverd. Pas als vast komt te staan dat de cliënt willens en wetens deze constructie verzwijgt zou blijkbaar aan het opzetvereiste aan de zijde van de cliënt zijn voldaan. De vraag is echter of cliënten van dergelijke, niet geheel voor de hand liggende constructies op de hoogte zijn. De cliënt had immers een overeenkomst met A en wilde graag zorg van de betreffende zorgverlener. Hoe komt de cliënt erachter dat deze zorgverlener dan in werkelijkheid werkzaam is bij B, een onderaannemer van A, dat deze niet bekostigd wordt door A en dat A de constructie verzwijgt voor de gemeente? Dat is wel nodig om te kunnen betogen dat de cliënt opzettelijk informatie achter heeft gehouden van de gemeente.