De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Geurhinder en veehouderij: wanneer moet een geurbeheersplan worden opgesteld?

Geurhinder en veehouderij: wanneer moet een geurbeheersplan worden opgesteld?

Het opstellen van een geurbeheersplan kan als ‘best beschikbare techniek’ (BBT) worden verplicht om geurhinder van veehouderijen te voorkomen en/of te beperken. In dit artikel wordt besproken wanneer een geurbeheersplan moet worden opgesteld, en hoe toepassing van deze BBT zich verhoudt tot de Wgv als exclusief toetsingskader voor geurhinder.
Leestijd 
Auteur artikel Jeroen Niederer
Gepubliceerd29 juli 2021
Laatst gewijzigd29 juli 2021
 

Een geurbeheersplan is bedoeld om geuremissies van een boerderij te voorkomen en anders te verminderen. Met het opstellen en uitvoeren van een geurbeheersplan kunnen geurproblemen in kaart worden gebracht en maatregelen worden genomen indien nodig. Een geurbeheersplan bevat:

  1. een protocol met passende acties en tijdschema's;
  2. een protocol voor de monitoring van geur;
  3. een protocol voor de reactie op geconstateerde geurhinder;
  4. een programma voor de voorkoming en eliminatie van geur om bijvoorbeeld de bron(nen) op te sporen, de geuremissies te monitoren (zie BBT 26), de bijdragen van de bronnen te karakteriseren en maatregelen voor de eliminatie en/of vermindering van geuremissies te nemen;
  5. een herziening van de historische geurincidenten en corrigerende maatregelen en de verspreiding van kennis over geurincidenten.

Wettelijke grondslag

Het opstellen van een geurbeheersplan is een onderdeel van de BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij. Het bevoegd gezag moet op grond van artikel 2.14 lid 1 sub c onder 1 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in acht nemen dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor ‘milieu’ deze en andere BBT-conclusies in de inrichting worden toegepast.

De verplichting om een geurbeheersplan op te stellen volgt uit BBT 12. BBT 12 is alleen toepasbaar in gevallen waar geurhinder bij gevoelige receptoren wordt verwacht en/of is onderbouwd. Een ‘gevoelige receptor’ wordt in de BBT-conclusies omschreven als een ‘zone die speciale bescherming behoeft tegen overlast’. Hierbij worden specifiek genoemd woonzones, zones waar menselijke activiteiten worden uitgevoerd (bv. scholen, kinderdagverblijven, recreatiegebieden, ziekenhuizen of woonzorgcentra) en gevoelige ecosystemen en habitats.

In BBT 26 zijn standaarden voor het monitoren van geuremissies opgenomen. Deze standaarden moeten worden toegepast bij het opstellen en uitvoeren van een geurbeheersplan. Ook BBT 26 is dus alleen van toepassing in gevallen waar geurhinder bij gevoelige receptoren wordt verwacht en/of is onderbouwd.

BBT en de Wet geurhinder en veehouderij

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het exclusieve kader voor de beoordeling van geuremissie afkomstig van dierenverblijven van vergunningplichtige veehouderijen. Daarbij voorziet de Wgv ook in toepassing van de BBT. Artikel 2 lid 2 Wgv bepaalt dat het exclusieve toetsingskader van artikel 3 tot en met 9 Wgv niet geldt als voor het weigeren van de omgevingsvergunning niet aan artikel 2.14 lid 1 sub c onder 1 Wabo wordt voldaan. Dit betekent dat ook op grond van de Wgv de BBT in acht moeten worden genomen. Het betekent echter niet dat het opstellen van een geurbeheersplan in alle situaties waarin geurhinder te verwachten valt, kan worden verplicht.

In haar uitspraak van 22 juli 2020 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) zich voor het eerst uitgelaten over de verplichting om een geurbeheersplan op te stellen. Een varkenshouder betoogde in deze procedure dat BBT 12 niet van toepassing was op zijn vergunningaanvraag omdat zijn inrichting voldoet aan het wettelijke toetsingskader van de Wgv. Ook zou de geurbelasting op een nabijgelegen woning worden verminderd ten opzichte van de bestaande situatie. De ABRvS volgde dit betoog van de varkenshouder en oordeelde dat een geurbeheersplan niet is vereist als wordt voldaan aan de normen van de Wgv. De Wgv vormt het exclusieve toetsingskader en met een geurbeheersplan kan niet een lagere geuremissie worden geëist. Daardoor zou de Wgv feitelijk buiten toepassing worden gelaten, aldus de ABRvS.

Deze jurisprudentielijn is vervolgens door de ABRvS ‘gepreciseerd’ in een uitspraak van 23 december 2020. Ook hier ging het om een omgevingsvergunning voor de uitbreiding van een varkenshouderij. De Afdeling oordeelde opnieuw dat de Wgv het exclusieve toetsingskader vormt voor de beoordeling van geurhinder afkomstig van dierenverblijven van veehouderijen. De ABRvS overweegt als nadere precisering dat op grond van artikel 2, tweede lid Wgv het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag ook in acht moet nemen dat in de inrichting tenminste de in aanmerking komende BBT worden toegepast. Vervolgens overweegt de ABRvS dat BBT 12 alleen toepasbaar in gevallen waar geurhinder bij gevoelige receptoren wordt verwacht en/of is onderbouwd. Volgens de Afdeling heeft appellant Stichting MOB niet onderbouwd en is evenmin anderszins aannemelijk geworden dat hier sprake is van geurhinder bij gevoelig receptoren op grond waarvan een geurbeheersplan zou moeten worden voorgeschreven. Hierbij neemt de ABRvS in aanmerking dat van het vergunde type luchtwasser niet is gebleken dat het daarbij behorende rendement niet zou worden gehaald. Ook biedt het Activiteitenbesluit milieubeheer handvatten om de goede werking van het gekozen luchtwassysteem te waarborgen.

Deze lijn is door de Afdeling zeer recentelijk nogmaals bevestigd in haar uitspraak van 10 februari 2021. In deze procedure stelde dezelfde Stichting MOB dat de Wgv geen waarborgen biedt om onaanvaardbare stankhinder voor omwonenden te voorkomen. Ook zijn de milieuprestaties van de vergunde luchtwassers onzeker: zo is het toegekende geurreductiepercentage van 45% niet milieuwetenschappelijk onderbouwd en bestaat er discussie over het meetprotocol.

De ABRvS overweegt dat wordt voldaan aan de normen van de Wgv, en dat Stichting MOB niet aannemelijk heeft gemaakt dat in dit geval niettemin sprake is van geurhinder bij gevoelige receptoren op grond waarvan een geurbeheersplan is voorgeschreven. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat niet gebleken is dat de V-stacks berekening gevoelige receptoren buiten beschouwing zijn gelaten, en dat ruimschoots wordt voldaan aan de norm van artikel 3 lid 1 Wgv. Verder is er geen reden om aan te nemen dat de voorgeschreven geurreductie van 45% door de luchtwassers niet zou kunnen worden gehaald. Tot slot wijst de ABRvS ook in deze uitspraak op de mogelijkheden van het Activiteitenbesluit om de goede werking van luchtwassers te waarborgen.

Overbelaste en niet overbelaste situaties

Bij deze uitspraken moet mijns inziens een kanttekening worden geplaatst. Indien aan de geurnormen van artikel 3 lid 1 Wgv wordt voldaan, dan ligt het in de rede dat er geen geurhinder op gevoelige receptoren wordt verwacht. Dit is mijns inziens anders indien er sprake is van een zogenaamde overbelaste situatie. In dat geval kan door toepassing van de ‘50/50-regeling’ van artikel 3 lid 4 Wgv alsnog een omgevingsvergunning worden verleend. Weliswaar zorgt toepassing van deze regeling dat de vergunde geuremissie omlaag gaat, maar de geurbelasting blijft hoger dan is toegestaan op grond van de geurnormen van artikel 3 lid 1 Wgv.

De ABRvS lijkt in haar uitspraak van 10 februari 2021 oog te hebben voor de vraag of sprake is van een overbelaste situatie. In deze uitspraak oordeelt de Afdeling namelijk dat ruimschoots wordt voldaan aan de normen van artikel 3 lid 1 Wgv. In dat geval is er geen sprake van een overbelaste situatie. Of bij een overbelaste situatie als bedoeld in artikel 3 lid 4 Wgv wel een geurbeheersplan zou moeten worden opgesteld, laat de ABRvS in het midden.

De rechtbank Oost-Brabant heeft zich hier wél over uitgelaten. In een uitspraak van 15 februari 2021 oordeelde de rechtbank over de omgevingsvergunning voor de uitbreiding van een bestaande varkenshouderij. De agrariër wilde een biologisch gecombineerde luchtwasser realiseren. Op basis van onderzoek van de WUR oordeelt de rechtbank dat het niet zeker is of deze luchtwassers een hoger rendement halen dan het rendement van enkelvoudige luchtwassers. Vervolgens wordt overwogen:

“De rechtbank neemt verder in aanmerking dat in deze zaak, in tegenstelling tot de kwestie in de uitspraak van deze rechtbank van 3 september 2020 en de uitspraak van de Afdeling van 23 december 2020, sprake is van een overbelaste situatie als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Wgv. In dit soort gevallen kan moeilijk worden volgehouden dat geen geurhinder bij gevoelige receptoren wordt verwacht, ook al wordt voldaan aan de Wgv.”

Verder wordt overwogen dat de elektronische monitoringsverplichtingen op basis van het Activiteitenbesluit onvoldoende garanderen dat een biologisch gecombineerde luchtwasser daadwerkelijk het beoogde rendement haalt. De rechtbank concludeert dat de inrichting weliswaar in werking moet zijn conform de verleende vergunning (dus ook de luchtwasser), maar dan is het wel belangrijk om te weten welk geurrendement de hier toegepaste luchtwasser daadwerkelijk behaalt. Daarvoor zijn periodieke geurrendementsmetingen vereist.

Commentaar

De uitspraak van de rechtbank is een belangrijke – en mijns inziens terechte – nuancering van de rechtspraak over de verplichting om de BBT toe te passen. Juist in overbelaste situaties waarin de 50%-regeling wordt toegepast ligt het opstellen en uitvoeren van een geurbeheersplan in de rede. Of de ABRvS deze lijn zal volgen valt nog te bezien. Ik zou dit wel bepleiten, al is het maar om te voorkomen dat de toepassing van BBT 12 nagenoeg zinledig wordt gemaakt. Dit kan volgens mij niet de bedoeling zijn geweest van de (Europese) wetgever.

Tot slot

Wilt u meer weten? Neem dan contact op met Jeroen Niederer, advocaat bij de sectie Overheid en Vastgoed en specialist op het gebied van geurhinder en veehouderijen.