1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Hof Amsterdam: opmerkelijke implicatie van juiste toepassing procesrechtelijke regel

Hof Amsterdam: opmerkelijke implicatie van juiste toepassing procesrechtelijke regel

Onlangs deed zich een opmerkelijke situatie voor in een zaak bij het hof Amsterdam.
Leestijd 
Auteur artikel Margo Hengeveld
Gepubliceerd 17 november 2021
Laatst gewijzigd 17 november 2021
 

De procedure in hoger beroep – waarvan de feitelijke achtergrond op deze plaats niet relevant is – bevindt zich in het stadium ná memoriewisseling. De geïntimeerde – die in eerste aanleg eiser was – heeft enige tijd na indiening van zijn memorie van antwoord zijn eis vermeerderd. Kort daarna heeft appellant – de oorspronkelijke gedaagde – het hoger beroep ingetrokken. In het bericht waarin hij de intrekking meedeelt, heeft hij zich voorts op het standpunt gesteld dat aan de eisvermeerdering van geïntimeerde niet wordt toegekomen omdat 1) geïntimeerde géén incidenteel hoger beroep heeft ingesteld, en 2) het door appellant gestarte hoger beroep is ingetrokken.

Het hof volgt appellant daarin – terecht – niet. Het hof overweegt – conform vaste rechtspraak van de Hoge Raad – dat het onder omstandigheden is toegestaan dat geïntimeerde (oorspronkelijk eiser) zijn eis in hoger beroep ná de memorie van antwoord nog vermeerdert, óók als hij in de memorie van antwoord géén incidenteel hoger beroep heeft ingesteld. Dat is bijvoorbeeld het geval als ná de memorie van antwoord nog feiten of omstandigheden zijn gebleken en de eisvermeerdering ertoe strekt om te voorkomen dat het geschil aan de hand van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken feiten zou moeten worden beslist.

Het hof oordeelt dat in dit geval van dergelijke nieuwe feiten sprake is, en dat de eisvermeerdering derhalve is toegestaan.

Tot zo ver niets schokkends. Wat echter interessant is aan deze zaak is de implicatie van toepassing van voornoemde regel in dit specifieke geval: het oorspronkelijke hoger beroep is ingetrokken en er was geen incidenteel appel ingesteld. De (oorspronkelijk) enige ‘basis’ van de appelprocedure is dus als het ware weggevallen, en uiteindelijk ligt alleen nog de eisvermeerdering (die als het ware ‘zweeft’) ter beoordeling voor. De eisvermeerdering – voor de duidelijkheid – die helemaal niet aan de orde zou zijn geweest als appellant niet in appel zou zijn gegaan, omdat er in dat geval geen procedure meer zou zijn. Concreet gevolg in dit geval: appellant heeft zijn hoger beroep ingetrokken (ongetwijfeld niet omdat hij zich ineens kon verenigen met het oordeel van de rechtbank) en behaalt dus geen succes in appel, maar de eisvermeerdering van geïntimeerde – die uitsluitend kon worden ingesteld vanwege de door appellant gestarte appelprocedure – wordt toegewezen.

De uitkomst is in dit geval dus enigszins opmerkelijk, maar dat maakt het oordeel niet minder juist.

Spijtig voor appellant is overigens dat hij kennelijk van bovenstaande regel van vaste rechtspraak niet op de hoogte was, en zich uitsluitend op het standpunt heeft gesteld dat de eisvermeerdering (om formele redenen) niet mogelijk was. Hij heeft daarmee zijn kans om inhoudelijk verweer te voeren tegen de eisvermeerdering laten schieten, waarna het hof de eisvermeerdering als onbetwist toewijst. Hieruit blijkt maar weer eens het belang van adequate kennis van het procesrecht.

Heeft u een civiele appel- of cassatiezaak waar u ondersteuning bij nodig heeft, of heeft u procesrechtelijke vragen, neem dan gerust contact op met een van de leden van het team Cassatie en (Appel)procesrecht van Dirkzwager Legal & Tax: Tom van Malssen (cassatieadvocaat), Margo Hengeveld of Robert Andes.