De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Hoge Raad: afgeleid verschoningsrecht rechtspersoon inzake SNS Reaal?

Hoge Raad: afgeleid verschoningsrecht rechtspersoon inzake SNS Reaal?

Op 3 april 2020 verscheen een arrest van de Hoge Raad inzake de lopende enquêteprocedure bij het voormalige SNS Reaal. Onderwerp van het geschil betrof de medewerkingsplicht in een enquêteprocedure. In dit blog bespreken wij enkele vragen die in het arrest naar voren komen. In hoeverre kunnen vennootschappen in het kader van een enquête weigeren om opgevraagde documenten af te geven met een beroep op een (afgeleid) verschoningsrecht? En wat is de rol van de raadsheer-commissaris van de Ondernemingskamer?
Auteur artikelCharlotte Perquin-Deelen
Gepubliceerd23 april 2020
Laatst gewijzigd23 april 2020
Leestijd 

Op 3 april 2020 verscheen een arrest van de Hoge Raad inzake de lopende enquêteprocedure bij het voormalige SNS Reaal. Onderwerp van het geschil betrof de medewerkingsplicht in een enquêteprocedure. In dit blog bespreken wij enkele vragen die in het arrest naar voren komen. In hoeverre kunnen vennootschappen in het kader van een enquête weigeren om opgevraagde documenten af te geven met een beroep op een (afgeleid) verschoningsrecht? En wat is de rol van de raadsheer-commissaris van de Ondernemingskamer?

Achtergrond

Het arrest van de Hoge Raad (1) heeft betrekking op een enquêteprocedure die al enige tijd voortduurt en die de volgende, sterk vereenvoudigd weergegeven zaak betreft. In 2013 is het voormalige SNS Reaal door de Nederlandse Staat genationaliseerd, nadat de bank-verzekeraar in de periode na de beursgang in 2006 in financiële problemen kwam. Bij die nationalisatie zijn de effectenbezitters onteigend. Een verregaande maatregel, wat met name aanleiding vormde voor de Vereniging van Effectenbezitters (VEB) om bij de Ondernemingskamer een enquêteverzoek (art. 2:345 BW) in te dienen. De Ondernemingskamer achtte gegronde redenen aanwezig om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken (zie art. 2:350 lid 1 BW) en gelaste een onderzoek bij SNS Reaal en SNS Bank over de periode vanaf de beursgang tot aan de nationalisatie (2).

 

Feiten en verzoek

De onderzoekers hebben verzocht om een aantal documenten, waaronder de notulen van de vergaderingen van de raad van bestuur (rvb) en raad van commissarissen (rvc) van SNS Reaal en SNS Bank in de genoemde periode. De verweerders (SNS Reaal c.s.) stelden vervolgens dat aan hen ten aanzien van bepaalde gedeelten van die documenten een beroep op een verschoningsrecht toekwam, afgeleid van het verschoningsrecht van advocaten en notarissen. Daarna hebben zij wel alle opgevraagde informatie ‘informeel’ verschaft aan de onderzoekers, onder voorwaarde dat zij daaraan niet mochten refereren in het onderzoek. De onderzoekers zouden nadien nog een verzoek tot ‘formele’ informatieverschaffing kunnen doen ten aanzien van de notulen, in welk geval SNS Reaal c.s. zouden beoordelen of zij zich zouden beroepen op het verschoningsrecht. De onderzoekers hebben daarna alle informatie ‘formeel’ opgevraagd en weersproken dat SNS Reaal c.s. een beroep op een (afgeleid) verschoningsrecht toekomen. Zij hebben zich na enige tijd tot de raadsheer-commissaris van de Ondernemingskamer gewend en zijn nadien in hoger beroep gegaan tegen zijn beschikking.

 

Medewerkingsplicht en (afgeleid) verschoningsrecht

De bestuurders, commissarissen, en degenen die in dienst zijn van de vennootschap waar de enquête plaatsvindt, hebben een medewerkingsplicht. Zij zijn in beginsel verplicht desgevraagd alle inlichtingen te verschaffen die nodig zijn voor de uitvoering van het onderzoek (art. 2:351 lid 1 BW). De medewerkingsplicht kan op gespannen voet staan met een (afgeleid) verschoningsrecht. Het verschoningsrecht is het recht dat advocaten en notarissen vanwege hun geheimhoudingsplicht hebben om zich te verschonen van een eventuele plicht tot het verschaffen van informatie. De grondslag van dit recht is een algemeen rechtsbeginsel dat meebrengt dat bij deze vertrouwenspersonen het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van hetgeen is besproken om bijstand en advies tot hen moet kunnen wenden (3). Dat uitgangspunt geldt volgens de Hoge Raad ook in het kader van een enquêteprocedure. Ook dan komt dus aan advocaten en notarissen verschoningsrecht toe. Het oordeel omtrent de vraag of de informatie object van het verschoningsrecht is, komt in beginsel toe aan de verschoningsgerechtigde advocaat of notaris. Indien deze van mening is dat het gaat om informatie waarvan kennisneming leidt tot schending van het beroepsgeheim, dienen onderzoekers dit standpunt te eerbiedigen, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is.

Een persoon aan wie de advocaat of notaris vertrouwelijke gegevens heeft toevertrouwd, kan zich wat die gegevens betreft beroepen op een afgeleid verschoningsrecht. Een rechtspersoon die zich tot advies of bijstand tot een advocaat of notaris heeft gewend, kan zich daarop echter niet beroepen. De Hoge Raad wijkt met deze overweging af van de voorafgaande beschikking van de raadsheer-commissaris, die overwoog dat SNS Reaal c.s. zich wel op een afgeleid verschoningsrecht kon beroepen.

 

Gerechtvaardigd belang

Ondanks dat een rechtspersoon zich niet op een afgeleid verschoningsrecht kan beroepen, kan de rechtspersoon die inzage weigert daarbij een gerechtvaardigd belang hebben. Daarvan kan sprake zijn als door de onderzoekers informatie wordt verlangd die de rechtspersoon met een advocaat of notaris – die ook handelt in die hoedanigheid – heeft uitgewisseld. Het moet dan gaan om informatie waarin inzage niet kan geschieden zonder dat hetgeen openbaar wordt wat niet openbaar zou mogen worden met het oog op de vertrouwenssfeer tussen de rechtspersoon en de advocaat of notaris. Hierbij grijpt de Hoge Raad terug op hetzelfde beginsel dat geldt bij het verschoningsrecht, namelijk dat een ieder een vertrouwenspersoon zou moeten kunnen raadplegen zonder vrees voor openbaarmaking van de toevertrouwde informatie. Dat brengt ook met zich dat een (rechts)persoon vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking zou moeten kunnen vastleggen en bewaren wat hij zelf met de geheimhouder heeft gedeeld en wat de geheimhouder hem heeft meegedeeld. Hoewel de Hoge Raad dus een andere route neemt, is de eindbestemming min of meer hetzelfde.

 

Raadsheer-commissaris

Naast de onderzoekers wordt in een enquêteprocedure ook een raadsheer-commissaris (r-c) benoemd. Deze heeft een belangrijke rol in de enquêteprocedure. Zo kan de r-c op verlangen van verzoekers of belanghebbenden aanwijzingen geven over de wijze waarop het onderzoek moet worden uitgevoerd (art. 2:350 lid 4 BW). Ook is de r-c bevoegd de bevelen te geven ‘die de omstandigheden nodig maken’ als aan de onderzoekers inzage geweigerd wordt (art. 2:352 lid 1 BW). In het geval een rechtspersoon stelt dat de verlangde informatie ‘vertrouwelijke informatie’ zoals hiervoor bedoeld is en om die reden inzage weigert, moeten de onderzoekers die bewering wel kunnen (laten) toetsen. Dat is op zich niet verwonderlijk, aangezien een rechtspersoon anders wel erg ruime mogelijkheden krijgt om informatie aan de onderzoekers te onttrekken. Als de rechtspersoon zich op de vertrouwelijkheid beroept zonder dat de advocaat of notaris dat doet, komt de raadsheer-commissaris in beeld. In dat geval dient deze, op verzoek of ambtshalve, te beoordelen of de vertrouwelijkheid een voldoende gewichtige reden oplevert om het weigeren van inzage – oftewel het handelen in strijd met de medewerkingsplicht – te rechtvaardigen. Dit kan de r-c zowel doen in het kader van een bevel als in het kader van een aanwijzing.

 

Beschikking

De Hoge Raad komt middels zijn overwegingen tot de slotsom dat de beschikking van de raadsheer-commissaris (4) in stand kan blijven. Die beschikking sluit aan bij de tussen onderzoekers en SNS Reaal c.s. gemaakte afspraken en komt op het volgende neer. SNS Reaal c.s. moeten de gevraagde documenten integraal en ongeschoond aan de onderzoekers verstrekken, voor zover zij dat niet al ‘informeel’ hebben gedaan. Daarbij moeten SNS Reaal c.s. specifiek en gemotiveerd opgave doen van de gedeelten daaruit ten aanzien waarvan zij zich op een ‘afgeleid verschoningsrecht’ – oftewel de vertrouwelijkheid – beroept. De onderzoekers mogen van die gedeelten in hun onderzoek geen gebruik maken, tenzij zij dit verzoeken aan de r-c en de r-c dat alsnog toestaat. Voorts moeten SNS Reaal c.s. bij toekomstige verzoeken om informatie binnen veertien dagen inzage verstrekken, tenzij ze zich beroepen op de vertrouwelijkheid. Bij een beroep op die vertrouwelijkheid moet wel gemotiveerd worden waarom de informatie onder het verschoningsrecht van een advocaat of notaris zou moeten vallen.

 

Conclusie

Uit het voorgaande valt een aantal procesrechtelijke regels te destilleren. Ten eerste kan de rechtspersoon waarbij een enquête is gelast zich niet zelf beroepen op een (afgeleid) verschoningsrecht. Wel kan de rechtspersoon een gerechtvaardigd belang hebben bij het weigeren van inzage aan de onderzoekers. Het moet dan om informatie gaan waarin inzage niet kan gebeuren zonder dat hetgeen openbaar wordt wat niet openbaar zou mogen worden met het oog op de vertrouwenssfeer tussen de rechtspersoon en de advocaat of notaris. Ten slotte is van belang dat de raadsheer-commissaris een belangrijke rol heeft in het beoordelen of al dan niet sprake is van dergelijke ‘vertrouwelijke informatie’. Die beoordeling kan zowel op verzoek als ambtshalve plaatsvinden en in het kader van zowel een bevel als een aanwijzing.

 

Heeft u vragen naar aanleiding van dit arrest? Onze specialisten helpen u graag verder. 

 

Bronnen

(1) Hoge Raad 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:600.
(2) Gerechtshof Amsterdam (OK) 26 juli 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:2651.
(3) HR 1 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9066 (Notaris Maas), ro. 3.1.
(4) Gerechtshof Amsterdam (OK) 26 februari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:644.