1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Hoge Raad: gezag van gewijsde ziet ook op ongunstige beslissingen die gunstig dictum dragen

Hoge Raad: gezag van gewijsde ziet ook op ongunstige beslissingen die gunstig dictum dragen

Het gezag van gewijsde (236 Rv) kan worden ingeroepen als in een ander geding tussen dezelfde partijen eenzelfde geschilpunt wordt voorgelegd als in een eerder geding, en de in het dictum van de eerdere uitspraak gegeven beslissing (mede) berust op een beslissing over dat geschilpunt. Onlangs heeft de Hoge Raad (voor het eerst met zoveel woorden) bevestigd dat óók als een procedure eindigt in een voor een partij volledig gunstig dictum, het gezag van gewijsde zich uitstrekt tot voor diezelfde partij nadelige beslissingen over de rechtsbetrekking in geschil waarop het dictum (mede) berust.
Leestijd 
Auteur artikel Margo Hengeveld
Gepubliceerd 05 juli 2022
Laatst gewijzigd 05 juli 2022

Aanleiding en de eerste procedure

Eiser was bestuurder van een stichting. De stichting heeft eiser buitengerechtelijk ontslagen. Eiser legt zich bij dat ontslag niet neer, waarop de stichting een ontslagprocedure (ex artikel 2:298 BW) start bij de rechtbank. De stichting vordert dat eiser – voor zover deze nog bestuurder is – met onmiddellijke ingang wordt ontslagen.

De rechtbank wijst de vordering van de stichting af omdat zij meent dat eiser reeds bij de buitengerechtelijke ontslagaanzegging rechtsgeldig is ontslagen. Eiser is dus al geen bestuurder meer, en het verzoek tot ontslag wordt daarom afgewezen.

De tweede procedure

Nog voordat de beschikking in de eerste procedure wordt gewezen, is eiser een nieuwe (dagvaardings)procedure gestart, waarin hij een verklaring voor recht vordert dat het buitengerechtelijke ontslagbesluit niet rechtsgeldig is. Als vervolgens de beschikking in de eerste procedure wordt gewezen gaat eiser daartegen niet binnen de appeltermijn in hoger beroep. Dat betekent concreet dat eiser de beslissing in de eerste procedure dat hij reeds rechtsgeldig was ontslagen niet heeft aangevochten.

De stichting voert vervolgens in de tweede procedure aan dat de vorderingen van eiser moeten afstuiten op het gezag van gewijsde (236 Rv) van de beschikking in de eerste procedure. Rechtbank en hof volgen de stichting hierin. Eiser gaat vervolgens in cassatie.

De argumentatie van eiser in cassatie

In cassatie voert eiser (onder andere) aan dat geen gezag van gewijsde toekomt aan een voor een partij nadelige geschilbeslissing in het lichaam van een uitspraak met een voor die partij volledig gunstig dictum. Volgens eiser zou zo’n partij onvoldoende belang (3:303 BW) hebben bij het instellen van een rechtsmiddel (vanwege het gunstige dictum). Bovendien zou het – aldus nog steeds eiser – vanuit maatschappelijk oogpunt (het niet nodeloos voeren van procedures) onwenselijk zijn dat een partij hoger beroep van een gunstige beslissing zou moeten instellen om gezag van gewijsde te voorkomen.

Het oordeel van de Hoge Raad

De Hoge Raad volgt eiser daarin niet. Hij stelt voorop dat het gezag van gewijsde (236 Rv) kan worden ingeroepen als in een geding tussen dezelfde partijen eenzelfde geschilpunt wordt voorgelegd als in een eerder geding, en de in het dictum van de eerdere uitspraak gegeven beslissing (mede) berust op een beslissing over dat geschilpunt. Het gezag van gewijsde strekt zich dus niet alleen uit tot het dictum zelf, maar ook tot dragende overwegingen. De Hoge Raad vervolgt:

“3.1.3 Indien, zoals in het onderhavige geval, een vordering of verzoek is afgewezen en deze afwijzing berust op een voor de gedaagde of verweerder nadelige beslissing over de rechtsbetrekking in geschil, krijgt die beslissing bij het in kracht van gewijsde gaan van de uitspraak gezag van gewijsde. Dit brengt mee dat de gedaagde of verweerder voldoende belang kan hebben bij een rechtsmiddel tegen die uitspraak, ook al strekt het dictum tot afwijzing van de vordering of het verzoek van de wederpartij.”

De klacht faalt, het hofarrest blijft in stand en eiser heeft dus geen mogelijkheden meer om het oordeel dat hij reeds rechtsgeldig ontslagen is aan te vechten.

Implicaties

Uit eerdere rechtspraak (onder andere van de Hoge Raad) kon de hiervóór geciteerde regel al voorzichtig worden afgeleid. De Hoge Raad formuleert deze regel nu voor het eerst met zoveel woorden, en creëert daarmee duidelijkheid.

De les uit dit arrest is dat het zaak is om verder te kijken dan het dictum, en kritisch te bezien of het lichaam van een uitspraak bindende (en voor het dictum dragende) beslissingen bevat die in de weg zouden kunnen staan aan toewijzing van andere (nog in te stellen) vorderingen in een andere procedure. Is dat laatste het geval, dan zal een rechtsmiddel moeten worden aangewend om de mogelijkheid van een andersluidend oordeel (al dan niet in een andere procedure) open te houden.

Heeft u een civiele appel- of cassatiezaak waar u ondersteuning bij nodig heeft, of heeft u procesrechtelijke vragen, neem dan gerust contact op met een van de leden van het team Cassatie en (Appel)procesrecht van Dirkzwager Legal & Tax: Tom van Malssen (cassatieadvocaat), Margo Hengeveld of Robert Andes.