De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Invordering 100.000 euro aan dwangsommen vanwege hondenhandel mislukt

Invordering 100.000 euro aan dwangsommen vanwege hondenhandel mislukt

In 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bladel (‘het college’) een last onder dwangsom opgelegd aan Dutch Pet Farm B.V. (‘DPF’). Deze onherroepelijke last ziet vooral op het tegengaan van de verkoop van hondenpups die niet op het bedrijfsperceel van DPF zijn geboren/gefokt. In 2017 heeft het college besloten om over te gaan tot invordering van 100.000 euro aan dwangsommen die volgens hem door DPF zijn verbeurd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (‘de Afdeling’) zet in haar uitspraak van 22 januari 2020 echter een streep door deze invordering.
Leestijd 
Auteur artikel Jelmer Keur
Gepubliceerd04 februari 2020
Laatst gewijzigd04 februari 2020
 

De invorderingsbeschikking

Het college heeft op basis van gegevens uit het register Identificatie en Registratie Hond (‘I&R Hond’) geconstateerd dat DPF 42 honden van het bedrijf heeft afgevoerd die niet ter plaatse zijn gefokt. Deze honden, die door het college in een overzicht zijn opgenomen, zijn door DPF geregistreerd als “afgevoerd”. In de invorderingsbeschikking heeft het college daarom het standpunt ingenomen dat DPF geen gevolg heeft gegeven aan de opgelegde last en dus dat dwangsommen zijn verbeurd. In bezwaar en beroep bij de rechtbank houdt de invorderingsbeschikking stand. In hoger beroep herroept de Afdeling de invorderingsbeschikking echter (ECLI:NL:RVS:2020:174). Waar gaat het nu voor het college mis?

Overtrederschap

Om te beginnen volgt uit artikel 5:33 van de Algemene wet bestuursrecht ('Awb') dat dwangsommen van rechtswege verbeuren. Van verbeurte van een dwangsom is slechts sprake indien de last die is opgenomen in het handhavingsbesluit wordt overtreden (vgl. ABRvS 16 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:96).

In hoger beroep beoogt DPF allereerst dat zij geen overtreder is. DPF voert aan dat zij een holding is en geen werkzaamheden verricht. De meldingen in I&R Hond op basis waarvan het college heeft geconstateerd dat de last zou zijn overtreden, zijn verricht door de werkmaatschappij Holland Pets B.V. en kunnen DPF niet worden toegerekend. In bezwaar en beroep heeft DPF echter niet aangevoerd dat zij geen overtreder is. Ter rechtvaardiging wijst DPF erop dat het de verantwoordelijkheid is van het college om de last aan de juiste rechtspersoon op te leggen en dat DPF het niet in haar macht heeft om de overtreding te beëindigen.

Dit betoog haalt het niet. De Afdeling herhaalt haar eerdere uitspraak van 27 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:466) waarin zij heeft overwogen dat een belanghebbende in de procedure tegen de invorderingsbeschikking in beginsel niet met succes gronden naar voren kan brengen die hij tegen de last onder dwangsom naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dit kan slechts in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen als evident is dat er geen overtreding is gepleegd en/of betrokkene geen overtreder is. In dit geval is volgens de Afdeling geen sprake van een uitzonderlijke situatie. Het is niet evident dat DPF geen overtreder is.

Ten tweede stelt DPF dat het college de gegevens uit I&R Hond onrechtmatig heeft verkregen. Ook in dit betoog gaat de Afdeling niet mee. Kortgezegd is volgens de Afdeling geen sprake van handelen in strijd met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (‘AVG’). Dit onderdeel van de uitspraak laat ik hier verder buiten beschouwing.

Is de last onder dwangsom overtreden?

Tot slot betoogt DPF dat de opgelegde last niet is overtreden (en dus dat er geen dwangsommen zijn verbeurd). Op dit punt krijgt zij van de Afdeling gelijk.

Standpunt partijen

DPF voert aan dat op basis van de gegevens uit I&R Hond niet kan worden geconcludeerd dat op haar perceel honden zijn verkocht die daar niet zijn geboren. Volgens DPF staat het geldende bestemmingsplan op het perceel een hondenfokkerij toe en is het inherent aan een hondenfokkerij dat ook dieren die niet op het bedrijf zijn geboren, bijvoorbeeld niet bruikbare dekreuen of onverkoopbare honden, worden afgevoerd. Dergelijke honden worden bijvoorbeeld geschonken aan derden. Als bewijs daarvan heeft DPF verklaringen overgelegd. Verder voert DPF onder andere nog aan dat in een aantal gevallen een geboortemelding niet is geregistreerd in I&R Hond als gevolg van systeemfouten bij het scannen van de chips. Tegenover het betoog van DPF staat het volgende. Met een steekproef heeft het college voor vijf van de 42 honden de uitleg van DFP gecontroleerd. In alle vijf de gevallen klopte de uitleg volgens hem niet. Gelet hierop heeft het college het standpunt ingenomen dat niet aannemelijk is dat de uitleg van DPF voor de overige 37 honden wel betrouwbaar is.

Oordeel Afdeling

Bij haar beoordeling wijst de Afdeling op haar eerdere uitspraak van 3 mei 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1179) waaruit volgt dat aan een invorderingsbesluit een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag moet liggen. De Afdeling overweegt dat het college niet heeft aangetoond dat DPF de last heeft overtreden door honden te verkopen die niet op het perceel zijn geboren. Het overzicht met de 42 honden die het college op grond van gegevens uit I&R Hond heeft opgesteld, is daarvoor onvoldoende. In dit verband gaat de Afdeling te rade bij de nota van toelichting bij het Besluit identificatie en registratie dieren. Hieruit blijkt volgens de Afdeling dat de verplichte identificatie en registratie dient om misstanden tegen te gaan door het bevorderen van een effectieve handhaving van de toepasselijke regelgeving over het welzijn van honden en zo het welzijn van honden te verbeteren. De in het register opgenomen gegevens zijn dus niet bedoeld om aan te tonen dat gebruik in strijd met het bestemmingsplan heeft plaatsgevonden en zijn daarvoor in dit geval ook niet geschikt. De Afdeling vervolgt dat de steekproef die door het college is uitgevoerd onvoldoende is om de stellingen van DPF te ontkrachten en aan te nemen dat de last in overtreden. Daargelaten dat het college bij zijn steekproef slechts vijf gevallen heeft gecontroleerd, volgt uit de gegevens uit I&R Hond niet dat DPF in strijd met de opgelegde last niet zelf gefokte honden heeft verkocht. De registratie “afgevoerd” in I&R Hond betekent namelijk niet zonder meer dat verkoop heeft plaatsgevonden.

Gelet op het voorgaande komt de Afdeling tot de conclusie dat géén sprake is van een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden. Om die reden vernietigt de Afdeling de beslissing op bezwaar en herroept zij de invorderingsbeschikking.

Les voor de praktijk

Deze uitspraak toont eens te meer dat zorgvuldig, uitgebreid onderzoek naar de feiten en omstandigheden van het geval essentieel is wil een betwiste invorderingsbeschikking de eindstreep halen. Bij dit onderzoek zijn aard en oogmerk van de bron waaraan gegevens worden ontleend, bijvoorbeeld een register zoals I&R Hond, van belang.

Wilt u meer weten over de invordering van dwangsommen of handhaving in bredere zin? Neem dan contact op met Jelmer Keur, sectie Overheid & Vastgoed.