Zoeken
  1. Jeugdwetperikelen 3: het uitvoeren van een ondertoezichtstelling zonder wettelijk basis kan volgens de rechtbank Zeeland-West-Brabant

Jeugdwetperikelen 3: het uitvoeren van een ondertoezichtstelling zonder wettelijk basis kan volgens de rechtbank Zeeland-West-Brabant

Sinds  de invoering van de Jeugdwet mogen enkel gecertificeerde instellingen (GI)  ondertoezichtstellingen (OTS’en) uitvoeren. Het uitvoeren van een OTS houdt in dat een gezinsvoogd die bij een GI werkzaam is hulp, ondersteuning en begeleiding biedt aan een jeugdige en zijn gezin om de ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de jeugdige te verminderen en/of op te lossen die de aanleiding vormde voor de kinderrechter om de OTS te gelasten (artikel 1:255 Burgerlijk Wetboek). De hulp is er te...
Auteur artikelLieske de Jongh (uit dienst)
Gepubliceerd17 maart 2015
Laatst gewijzigd17 maart 2015
Leestijd 
Sinds  de invoering van de Jeugdwet mogen enkel gecertificeerde instellingen (GI)  ondertoezichtstellingen (OTS’en) uitvoeren. Het uitvoeren van een OTS houdt in dat een gezinsvoogd die bij een GI werkzaam is hulp, ondersteuning en begeleiding biedt aan een jeugdige en zijn gezin om de ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de jeugdige te verminderen en/of op te lossen die de aanleiding vormde voor de kinderrechter om de OTS te gelasten (artikel 1:255 Burgerlijk Wetboek). De hulp is er tevens op gericht de ouders zo veel mogelijk de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de kinderen te laten dragen. Bij oudere kinderen is bovendien vergroting van hun zelfstandigheid een doel van de OTS. Een gezinsvoogd werkt dus nauw samen met de jeugdige en diens gezin.

Gecertificeerde instellingen zijn instellingen die voor onder andere het uitvoeren van OTS’en een certificaat van het Keurmerkinstituut hebben ontvangen. Het Keurmerkinstituut geeft slechts een certificaat af als de gecontroleerde instelling voldoet aan uiteenlopende kwaliteitsnormen en -eisen. Zoals in een eerder artikel aan de orde is gekomen, is Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant (BJZNB) niet gecertificeerd. BJZNB voerde vóór 1 januari 2015 OTS’en uit. Strikt genomen zou dit meebrengen dat BJZNB sinds 1 januari 2015 geen OTS’en meer zou mogen uitvoeren. In het belang van de continuïteit van zorgverlening heeft de wetgever er echter voor gekozen om voor dit soort situaties een overgangsbepaling in de Jeugdwet op te nemen, namelijk artikel 10.7 Jeugdwet. Een instelling die vóór 1 januari jl. een OTS uitvoerde mag deze blijven uitvoeren totdat de kinderrechter een verlenging van de OTS heeft uitgesproken. Uit een uitspraak van de rechtbank Oost-Brant die in een eerder artikel is besproken, volgt dat de rechtbank van oordeel was dat BJZNB zelfs geen verlenging van een OTS meer mocht aanvragen.

De rechtbank Zeeland-West-Brabant komt in een uitspraak van 27 februari 2015 tot een compleet ander oordeel. Aanleiding voor de uitsraak is het verzoek tot verlenging van een lopende  OTS dat BJZNB in januari 2015 heeft aangevraagd. Anders dan in de eerder besproken uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant oordeelde de rechtbank Zeeland-West-Brabant dat dit verzoek van BJZNB wél ontvankelijk was. Dit is, zoals in het eerdere artikel al heb opgemerkt, zeer goed verdedigbaar, omdat het aanvragen van een verlenging kan worden gekwalificeerd als het uitvoeren van een OTS en daartoe is BJZNB op grond van artikel 10.7 Jeugdwet bevoegd. In dit opzicht is de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant te billijken. Zodra de OTS echter verlengd is, kan BJZNB deze niet meer uitvoeren. Artikel 10.7 Jeugdwet bepaalt immers dat een niet-gecertificeerde instelling die voor 1 januari 2015 OTS’en uitvoerde deze mag blijven uitvoeren totdat de kinderrechter een verlenging van de ondertoezichtstelling heeft uitgesproken.

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft echter in dezelfde uitspraak van 27 februari 2015, in strijd met artikel 10.7 Jeugdwet, bepaald dat BJZNB de OTS ook ná de verlenging mag blijven uitvoeren. Volgens de rechtbank is het “in de onderhavige zaak niet in het belang van de minderjarige te achten is” dat BJZNB de OTS niet uitvoert. De rechtbank heeft daarop bepaald dat BJZNB de OTS kan blijven uitvoeren “onder de ontbindende voorwaarde dat (...) [BJZNB] per 1 april 2015 is gecertificeerd.” Indien BJZNB op 1 april nog steeds niet gecertificeerd is, vervalt de OTS. Tot die datum heeft BJZNB dezelfde bevoegdheden en taken als een GI en dient zij die taken naar behoren uit te voeren. Zodra BJZNB een certificaat ontvangt, berust vanaf de datum van certificering de uitvoering van de OTS bij GI Noord-Brabant.

Als gezegd heeft de rechtbank deze keuze gemaakt in het belang van de minderjarige. Indien BJZNB de OTS niet had kunnen uitvoeren was de kans groot geweest dat de jeugdige en diens gezin een andere gezinsvoogd hadden gekregen, terwijl de gezinsvoogd die bij het gezin betrokken is naar verwachting al een band heeft opgebouwd met de jeugdige en diens gezin die noodzakelijk is voor een goede taakvervulling. Zeker als BJZNB, zoals kennelijk de verwachting is, ruim een maand na de uitspraak al een certificaat ontvangt, zou het disproportioneel zijn om een andere GI aan te wijzen en daarmee waarschijnlijk een andere gezinsvoogd. Wel dient bedacht te worden dat er ondanks deze legitieme redenen om BJZNB de OTS te laten uitvoeren sprake is van een uitvoering in strijd met de wet. Hoewel de rechter BJZNB dezelfde taken en verantwoordelijkheden heeft toegekend als een GI beschikt BJZNB daar in deze casus uiteraard niet over. Bevoegdheden kunnen alleen bij of krachtens de wet worden toegekend en niet in strijd met de wet door een rechter. De vraag rijst daarmee ook wie verantwoordelijk (en aansprakelijk) is indien er problemen ontstaan bij de uitvoering van deze OTS.