Daarnaast worden diverse standpunten gepubliceerd als onderdeel van bijvoorbeeld een verzoek in het kader van de Wet Open Overheid. Waar mogelijk zijn deze standpunten eveneens in dit overzicht opgenomen.
Wij merken hierbij op dat de inspecteur gebonden is aan het standpunt van de kennisgroep. Mocht u als belastingplichtige het oneens zijn met een standpunt dat op u van toepassing is, dan zult u bezwaar moeten maken tegen uw aangifte en/of aanslag of in vooroverleg treden.
Alle kennisgroepstandpunten zijn tevens te raadplegen via de website van de Belastingdienst: https://kennisgroepen.belastingdienst.nl/.
Bij de laatste update van het onderwijsbesluit, waarin verduidelijkingen zijn opgenomen over de onderwijsvrijstelling voor de btw, zijn kennisgroepstandpunten toegevoegd. Als gevolg hiervan worden standpunten van de kennisgroep ingetrokken, met als gevolg dat deze ingetrokken standpunten geen onderdeel uitmaken van dit overzicht. Het besluit Onderwijsvrijstelling omzetbelasting is hier te raadplegen.
Omzetbelasting
(Beroeps-)opleiding vrijwilligers; vrijgesteld beroepsonderwijs
KG:210:2024:9
Trainingen die zorgvrijwilligers tegen vergoeding volgen bij instelling X kwalificeren als vrijgesteld beroepsonderwijs. De trainingen zijn gericht op het aanleren en onderhouden van vaardigheden die vrijwilligers nodig hebben om binnen de zorgorganisatie te functioneren. Vrijwilligers werken onder omstandigheden die vergelijkbaar zijn met die van beroepskrachten en maken daarmee deel uit van dezelfde werkkring. De opleiding is daarom niet op de persoonlijke levenssfeer gericht, maar op het vervullen van een specifieke functie binnen een organisatie. Omdat X als instelling is opgenomen in het CRKBO-register, vallen deze beroepsgerichte trainingen onder de onderwijsvrijstelling.
Digitale educatieve informatie; alleen modules voor scholen kwalificeren
KG:210:2025:3
Er worden drie aanbieders van online leeromgevingen behandeld voor de beoordeling van het toepasselijk btw-tarief.
-
Casus X: beroepsgerichte e-learningmodules die samen een opleiding vormen.
-
Casus Y: e-learningmodules gericht op de persoonlijke ontwikkeling van werknemers.
-
Casus Z: online leeromgeving met lesmateriaal voor basis- en middelbare scholieren.
Van de drie casussen kwalificeren alleen de modules van Z als digitale educatieve informatie die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend bestemd zijn voor informatieoverdracht in het onderwijs.
Modules van X zijn feitelijk volledige, op zichzelf staande interactieve opleidingen met toetsen en certificering, en liggen daarmee buiten de reikwijdte van digitale educatieve informatie die aansluit bij het begrip (studie)boek waarvoor het verlaagd tarief geldt.
Modules van Y worden overwegend afgenomen voor personeelsontwikkeling en zijn niet nagenoeg uitsluitend voor onderwijsdoeleinden bestemd.
De modules van Z zijn wél op de onderwijsmarkt gericht, worden vrijwel uitsluitend door scholen afgenomen en zijn specifiek ontwikkeld voor opname in lespakketten. Alleen de modules van Z vallen onder het verlaagde btw-tarief van 9%.
Judolessen op school; onderwijsvrijstelling?
KG:19:210:0013
X verzorgt judolessen op basisscholen, door judoleraren feitelijk lessen te laten uitvoeren, daarbij zijn ook een niet-participerende groepsleerkracht van de basisschool aanwezig. De onderwijsvrijstelling is van toepassing op de door X verzorgde judolessen op basisscholen. Deze lessen zijn soortgelijk aan het door reguliere onderwijsinstellingen verzorgde aanbod van algemeen vormend onderwijs, bekostigd met openbaar geld.
Typevaardigheidscursus op basisschool, maar buiten de school om
KG:16:210:0008
X biedt typevaardigheidscursussen aan, waardoor de cursisten blind leren typen. Dit gebeurt zowel bij kinderen als bij volwassenen. Voor kinderen gebeurt dit vaak op de locatie van de basisschool. X geeft deze cursussen ‘buiten de school om’ en factureert de cursussen op naam van de cursisten. Het geven van deze typevaardigheidscursussen kwalificeert niet als vrijgesteld onderwijs. Typevaardigheid maakt geen deel uit van het reguliere onderwijs en kan ook niet als algemeen vormend onderwijs worden aangemerkt. De onderwijsvrijstelling kan niet worden toegepast.
Directiewerkzaamheden voor onderwijsinstellingen
KG:15:210:0015
Een kennisgroepstandpunt over de fiscale kwalificatie van een interim-directeur die als zzp’er werkzaamheden verrichte bij een basisschool. Tussen de school en de interim-directeur was een overeenkomst tot opdracht gesloten, daarbij was afgesproken dat de directeur in principe niet voor de klas staat, ook was de directeur niet ingeschreven in het docentenregister van het CRKBO. De werkzaamheden van de interim-directeur vallen niet onder de onderwijsvrijstelling. De interim-directeur houdt zich alleen bezig met organisatie, communicatie en uitvoering van beleid, en geeft in principe geen lessen. De diensten kunnen dus niet als onderwijs gekwalificeerd worden.
Vennootschapsbelasting
Voorschoolse educatie; onderwijs en bekostiging voor Vpb-vrijstelling
KG:211:2022:12
Voorschoolse educatie die door een kinderopvangorganisatie wordt aangeboden aan peuters met een (risico op een) onderwijsachterstand kwalificeert als onderwijs in de zin van de onderwijsvrijstelling Vpb. Doorslaggevend is volgens de Kennisgroep daarbij dat de voorschoolse educatie plaatsvindt binnen het door OCW vormgegeven kader voor het aanpakken van onderwijsachterstanden, met specifieke kwaliteitseisen, toezicht en goedgekeurde programma’s. Daarmee valt deze activiteit onder de objectvrijstelling onderwijsactiviteiten Vpb, mits aan de bekostigingseis wordt voldaan.
Voor de bekostiging geldt dat gemeentelijke subsidies, voor zover toerekenbaar aan de voorschoolse educatie, kwalificeren als publieke middelen. Ouderbijdragen voldoen daarentegen niet aan de bekostigingseis van de onderwijsvrijstelling Vpb. De vrijstelling ziet uitsluitend op de voorschoolse educatie zelf en niet op reguliere kinderopvang, peuteropvang of naschoolse opvang.
Onderwijsvrijstelling Vpb; bekostigingseis niet vervuld bij contractuele vergoedingen
KG:211:2025:7
Gelden die een stichting ontvangt van onderwijsinstellingen voor het verrichten van onderwijsactiviteiten kwalificeren niet als bekostiging uit publieke middelen in de zin van de onderwijsvrijstelling Vpb wanneer sprake is van een contractuele tegenprestatie. Dat de betalende onderwijsinstellingen zelf (hoofdzakelijk) met publieke middelen worden bekostigd, is daarvoor onvoldoende.
In de casus die is voorgelegd aan de kennisgroep ontvangt Stichting X vergoedingen voor door haar verrichte diensten aan onderwijsinstellingen; dat betreft betalingen voor prestaties en geen publieke bekostiging. Daardoor wordt niet voldaan aan de bekostigingseis voor toepassing van de onderwijsvrijstelling in de vennootschapsbelasting.
Loonheffingen
De kwalificatie van de griepprik in het onderwijs
KG:204:2024:17
De verstrekking of vergoeding van een griepprik door onderwijswerkgevers vormt loon in de zin van artikel 10 Wet LB 1964. Het voordeel vloeit voort uit de dienstbetrekking, omdat de werknemer een privé-uitgave bespaart.
Het generiek vergoeden of verstrekken van een griepprik aan alle onderwijswerknemers kwalificeert niet zonder meer als een verplichte arbovoorziening. De gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen van artikel 31a, tweede lid, onderdeel h, Wet LB 1964 is alleen van toepassing indien de griepprik direct samenhangt met arboverplichtingen van de werkgever. Dat vereist een beoordeling per individuele werknemer of het risico op griep samenhangt met de concrete arbeidsomstandigheden, zoals intensief en frequent contact met (jonge) leerlingen, de grootte en ventilatie van de ruimte en de aard van de werkzaamheden. Een algemene blootstelling aan het griepvirus in het onderwijs is daarvoor onvoldoende.
Bij specifieke omstandigheden kan de griepprik wel als verplichte arbovoorziening worden aangemerkt, bijvoorbeeld indien op basis van een risico-inventarisatie en -evaluatie, ondersteund door advies van een bedrijfsarts of arbeidshygiënist, aannemelijk is dat het gezondheidsrisico rechtstreeks voortvloeit uit de arbeid. In dat geval kan de gerichte vrijstelling worden toegepast.
Indien de griepprik door of namens de werkgever op de werkplek wordt verstrekt, is de nihilwaardering voor werkplekvoorzieningen van artikel 3.7 URLB 2011 van toepassing. De griepprik wordt op de werkplek ‘verbruikt’, het verstrekken is redelijk en het gebruik buiten de werkplek is niet aan de orde. De verstrekking blijft dan buiten het loonbegrip.
Wordt niet voldaan aan de voorwaarden voor de gerichte vrijstelling of de nihilwaardering, dan kan de werkgever de kosten van de griepprik aanwijzen als eindheffingsloon en ten laste brengen van de vrije ruimte van de werkkostenregeling, mits wordt voldaan aan de gebruikelijkheidseis.
Met dit overzicht wordt beoogd de praktijk een handzaam naslagwerk te bieden. Voor vragen of nadere bespreking van de gevolgen voor uw specifieke situatie kunt u contact opnemen met één van onze specialisten via de contactpagina.