1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Medewerkingsplicht van de IGJ is niet onbegrensd

Medewerkingsplicht van de IGJ is niet onbegrensd

De Inspectie voor Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) beschikt over bevoegdheden zodat zij onderzoek kunnen doen naar de naleving van de wetten waarop zij toezicht houden. Een niet onbelangrijke bevoegdheid betreft de medewerkingsplicht. Op grond van de medewerkingsplicht moet een ieder meewerken aan onderzoeken van toezichthouders zoals de IGJ. Het recht stelt echter, zoals een recente uitspraak van de Raad van State in het faillissementsdossier van MC IJsselmeerziekenhuizen illustreert, grenzen aan die medewerkingsplicht.
Leestijd 
Auteur artikel Ralph Tak
Gepubliceerd 03 oktober 2021
Laatst gewijzigd 03 oktober 2021
 

Medewerkingsplicht

De medewerkingsplicht is opgenomen in artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en maakt het mogelijk voor toezichthouders om de hun toekomende bevoegdheden te effectueren. Op grond van de medewerkingsplicht moet een ieder – dit kan dus zowel een natuurlijke persoon als een rechtspersoon zijn – desgevraagd inlichtingen verschaffen en inzage geven in documenten. Let wel, de medewerkingsplicht kan alleen worden afgedwongen door een toezichthoudend ambtenaar, dus iemand die formeel als toezichthouder is benoemd. Deze personen kunnen (en moeten desgevraagd) zich als zodanig legitimeren. De medewerkingsplicht kan worden afgedwongen door middel van een last onder dwangsom. Voor het handelen in strijd met de medewerkingsplicht kan in bepaalde gevallen een bestuurlijke boete worden opgelegd.

 

De medewerkingsplicht is niet onbegrensd. Iemand is alleen verplicht om mee te werken indien dit redelijkerwijs noodzakelijk is voor een onderzoek. Dit vloeit voort uit artikel 5:13 van de Awb. Daarnaast bepaalt het tweede lid van artikel 5:20 Awb dat (onder meer) zorgverleners ontheven zijn van de medewerkingsplicht indien zij over een wettelijke geheimhoudingsplicht beschikken. Tot slot bestaat geen medewerkingsplicht indien degene van wie informatie wordt gevorderd, over een zwijgrecht beschikt. Van dit laatste is sprake als een toezichthouder handelingen verricht waaruit iemand kan afleiden dat tegen hem strafvervolging zal worden ingesteld of een punitieve bestuursrechtelijke sanctie (lees: bestuurlijke boete) zal worden opgelegd. Zowel natuurlijke personen als rechtspersonen kunnen het zwijgrecht uitoefenen.

 

Uitspraak

In deze zaak had de IGJ, die van de Minister van VWS de opdracht had gekregen om te onderzoeken of de governanceregels door het bestuur van MC IJsselmeerziekenhuizen waren nageleefd, inzage gevorderd in documenten. Concreet vorderde de IGJ van de curatoren van het ziekenhuis inzage in ‘afschriften van directiereglementen, afschriften van notulen, besluiten en documenten van vergaderingen van de raad van bestuur, de raad van toezicht, de raad van commissarissen en de algemene vergadering van aandeelhouders, afschriften van overeenkomsten en afspraken met derden, managementletters en bankafschriften’ omdat deze documenten inzicht zouden kunnen geven in de wijze waarop het bestuur en het interne toezicht hebben gefunctioneerd en of daarbij het belang van de goede zorgverlening voorop heeft gestaan. De curatoren hebben geweigerd die informatie te verschaffen waarna de IGJ een last onder dwangsom heeft opgelegd om de medewerking (en inzage) af te dwingen.

 

De curatoren hebben bezwaar aangetekend tegen deze last onder dwangsom. Volgens de curatoren kon de IGJ de inzage van deze documenten niet vorderen omdat – kort gezegd – er door de IGJ geen direct verband zou zijn gelegd tussen de gevraagde informatie en het waarborgen van goede zorg. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dit betoog. Volgens de Afdeling heeft de IGJ onvoldoende gemotiveerd waarom in dit geval de gevorderde informatie noodzakelijk was voor het uitoefenen van toezicht op de goede zorgverlening. Het onderzoek van de IGJ spitste zich bovendien toe op de naleving van de Governancecode Zorg en had tot doel vast te stellen of er sprake is geweest van een eventuele belangenverstrengeling. Daarbij heeft de inspectie geen verband gelegd met de (inmiddels beëindigde) zorgverlening door de MC IJsselmeerziekenhuizen. Anders gezegd, de Afdeling ziet niet in waarom de hiervóór genoemde documenten noodzakelijk zijn om de kwaliteit en de veiligheid van de geleverde zorg te beoordelen. Dat verband is nu juist nodig, omdat de normen waarop de IGJ toezicht houdt uit de Wkkgz en de WTZi gericht zijn op de borging van de kwaliteit en de veiligheid van zorg. Volgens de Afdeling is de vordering en daarmee de opgelegde last onder dwangsom in strijd met artikel 5:13 van de Awb.