Zoeken
  1. Meer duidelijkheid over inzagerecht Inspecties zonder toestemming van de patiënt?

Meer duidelijkheid over inzagerecht Inspecties zonder toestemming van de patiënt?

In een eerder artikel op deze kennispagina hebben wij al uiteengezet dat de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) een wettelijke bevoegdheid heeft om patiëntdossiers zonder toestemming van de patiënt in te zien. De IGZ heeft deze bevoegdheid onder andere op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) en de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG). Daarnaast heeft de Inspectie Jeugdzorg (IJZ) sinds inwerkingtreding van de Jeugdwet en soortelijke bevo...
Auteur artikelMarloes Hulshof
Gepubliceerd16 mei 2017
Laatst gewijzigd16 mei 2017
Leestijd 
In een eerder artikel op deze kennispagina hebben wij al uiteengezet dat de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) een wettelijke bevoegdheid heeft om patiëntdossiers zonder toestemming van de patiënt in te zien. De IGZ heeft deze bevoegdheid onder andere op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) en de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG). Daarnaast heeft de Inspectie Jeugdzorg (IJZ) sinds inwerkingtreding van de Jeugdwet en soortelijke bevoegdheid op grond van de Jeugdwet.

Deze wetten bepalen uitdrukkelijk dat de Inspecties deze inzagebevoegdheid alleen mogen uitoefenen ‘voor zover dat voor de vervulling van hun toezicht noodzakelijk is’. In de praktijk was het niet duidelijk wanneer de Inspecties precies van deze bevoegdheid gebruik mochten maken. Daarom heeft de voormalige minister van VWS in 2009 een brief gestuurd aan de Eerste Kamer waarin hij kort gezegd heeft uitgelegd dat de Inspecties alléén gebruik mogen maken van hun inzagebevoegdheid als het vragen van toestemming van de betreffende patiënt onmogelijk is of onevenredig belastend is. In alle overige gevallen moet toestemming worden gevraagd aan de patiënt, aldus de minister.

Volgens staatssecretaris Van Rijn van VWS heeft deze brief echter geleid tot de situatie dat, hoewel de Inspecties formeel de bevoegdheid hebben om zonder toestemming patiëntendossiers in te zien, zij deze in de praktijk terughoudend kunnen toepassen. Het coördineren en het organiseren van het vragen van toestemming aan de patiënten kost de Inspecties namelijk onevenredig veel tijd. Dit heeft gevolgen voor de efficiëntie en de effectiviteit van het toezicht. Dit geldt vooral bij niet voorziene situaties, waarin de Inspecties snel actie moeten ondernemen. Bovendien is het volgens Van Rijn in de praktijk nog altijd niet helder wanneer en op welke wijze de Inspecties hun inzagebevoegdheid mogen hanteren. De discussie die in 2014 is gevoerd over de vraag of de IGZ van haar inzagebevoegdheid gebruikt mocht maken in het kader van een landelijk thematisch onderzoek naar de overdracht van patiëntengegevens tussen ziekenhuis, verpleeg- en verzorgingshuizen, thuiszorg en huisarts, kan hierbij als voorbeeld worden genoemd.

Daarom hebben de Inspecties nu een beleidskader opgesteld dat meer duidelijkheid zal moeten verschaffen hoe de Inspecties hun inzagebevoegdheid hanteren. In dit beleidskader zijn de volgende (aanvullende) uitgangspunten geformuleerd:

  1. Het uitgangspunt is dat de Inspecties de wettelijke bevoegdheid hebben om zonder voorafgaande toestemming dossiers van patiënten in te zien voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitoefening van hun toezicht. Het proportionaliteitsbeginsel of evenredigheidsbeginsel is hierbij van toepassing.

  2. Primaire doel van de inzagebevoegdheid van de Inspecties is inzicht te krijgen in het handelen van individuele zorg- en jeugdhulpaanbieders en daarmee antwoord te krijgen op de vraag of er goede zorg of verantwoorde jeugdhulp is verleend. Inzage in patiëntgegevens is slechts een gevolg van deze noodzaak en dus niet het primaire doel.

  3. Indien de Inspecties hun inzagebevoegdheid mogen uitoefenen, zijn zij óók bevoegd om hiervan kopieën te maken.

  4. Aan de inzagebevoegdheid van de Inspecties is geheimhouding gekoppeld. Een ambtenaar van de Inspecties heeft een van de zorgaanbieder afgeleid medisch beroepsgeheim en daarmee ook een afgeleid verschoningsrecht.


Dit beleidskader somt nog eens een aantal punten op die gelden indien Inspecties van hun inzagebevoegdheid gebruikmaken. Met het beleidskader lijkt het uitgangspunt te worden verlaten dat Inspecties alleen gebruik mogen maken van hun inzagebevoegdheid als het vragen van toestemming van de betreffende patiënt onmogelijk is of onevenredig belastend is. Het beleidskader kiest namelijk als uitgangspunt dat de Inspecties de wettelijke bevoegdheid hebben om zonder voorafgaande toestemming dossiers van patiënten in te zien. Toch kan niet worden gezegd dat het beleidskader verder andere uitgangspunten formuleert dan die op grond van de wet ook al gelden. Bovendien maakt het beleidskader nog steeds niet duidelijk wanneer het precies ‘redelijkerwijs noodzakelijk’ is dat van de Inspecties van hun inzagebevoegdheid gebruik maken. Of het beleidskader de praktijk dan ook echt handvatten geeft hoe de Inspecties met hun wettelijke inzagebevoegdheid omgaan, valt daarom te bezien.