Zoeken
  1. Moet een pgb om hulp bij de moeder in te kopen beter, effectiever en doelmatiger zijn?

Moet een pgb om hulp bij de moeder in te kopen beter, effectiever en doelmatiger zijn?

In een eerder artikel op deze kennispagina schonken wij al aandacht aan de 1 mei-uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. In deze uitspraak geeft de Centrale Raad gemeenten een duidelijk beoordelingskader om op een goede en zorgvuldige wijze op een jeugdhulpvraag te beslissen.Sindsdien hebben diverse jeugdhulpbesluiten de juridische eindstreep niet gehaald. Volgens de lagere rechters hadden de desbetreffende colleges namelijk niet voldaan aan de stappen van het beoordelingskader (meestal st...
Auteur artikelMarloes Hulshof
Gepubliceerd25 oktober 2017
Laatst gewijzigd25 oktober 2017
Leestijd 
In een eerder artikel op deze kennispagina schonken wij al aandacht aan de 1 mei-uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. In deze uitspraak geeft de Centrale Raad gemeenten een duidelijk beoordelingskader om op een goede en zorgvuldige wijze op een jeugdhulpvraag te beslissen.

Sindsdien hebben diverse jeugdhulpbesluiten de juridische eindstreep niet gehaald. Volgens de lagere rechters hadden de desbetreffende colleges namelijk niet voldaan aan de stappen van het beoordelingskader (meestal stappen 2 en 3). Gelukkig geven steeds meer lagere rechters extra handvatten aan colleges om met hun onderzoek tot een zorgvuldig jeugdhulpbesluit te komen. Wij stonden al stil bij een recente uitspraak van de Rechtbank Overijssel. Vandaag komt een uitspraak van de Rechtbank Gelderland aan bod.

Rechtbank Gelderland 11 oktober 2017 (gepubliceerd op 24 oktober 2017)

Dat niet alle jeugdhulpbesluiten van colleges bij de rechter onderuit gaan sinds de 1 mei-uitspraak van de Centrale Raad blijkt namelijk uit deze uitspraak. Volgens de Rechtbank Gelderland had het college in deze zaak het onderzoek naar de benodigde jeugdhulp namelijk wél voldoende zorgvuldig voorbereid en de op grond van het onderzoek vastgestelde benodigde jeugdhulp deugdelijk gemotiveerd. De Rechtbank heeft dit onderzoek getoetst aan het beoordelingskader van de Centrale Raad en heeft hierbij het volgende in aanmerking genomen.

Het college was al langere tijd intensief betrokken bij het gezin van de jeugdige. Aan de hand van een eerdere hulpvraag van het gezin in 2015 (stap 1) had het college de jeugdige geplaatst bij instelling X die een observatie- en diagnostiek traject heeft uitgevoerd en heeft vastgesteld wat de problemen en stoornissen van eiser zijn (stap 2). Vervolgens heeft het college, mede op basis van het advies van instelling X en het betrokken wijkteam, bepaald welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige (stap 3) en heeft het college de benodigde jeugdhulpvoorzieningen getroffen. De Rechtbank heeft hierbij vastgesteld dat het college zich, waar nodig, heeft laten voorzien van specifiek deskundig advies. Het college had ter zitting namelijk toegelicht dat de wijkteams bestaan uit medewerkers met een relevante hogere beroepsopleiding op het gebied van gedragswetenschappen én relevante werkervaring op dat gebeid. Daarnaast heeft het college ter indicatie en advies de instelling X ingeschakeld, een erkende deskundige instelling die zorg en ondersteuning biedt en deze ook al geruime tijd aan de jeugdige heeft geboden. De Rechtbank kwam daarmee tot de conclusie dat het college de getroffen individuele voorzieningen op het gebied van de jeugdhulp in beginsel als passend moesten worden aangemerkt.

Een pgb om hulp bij de moeder in te kopen?

Interessant is dat de Rechtbank vervolgens (voor het eerst in een uitspraak na de 1 mei-uitspraak) toe kwam aan de vraag of het college op goede gronden heeft geweigerd een pgb te verstrekken om de jeugdige in staat te stellen de jeugdhulp te betrekken van zijn moeder. De Rechtbank ging daarbij eerst in op het geldende wettelijke kader:

Artikel 8.1.1 lid 2 onder b Jeugdwet bepaalt dat het college slechts een pgb moet verstrekken als de jeugdige of zijn ouders zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een aanbieder, niet passend achten. Artikel 6 lid 5 van desbetreffende gemeentelijke verordening bepaalt vervolgens dat de jeugdige aan wie een pgb wordt verstrekt de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk, op voorwaarde dat door de jeugdige voldoende gemotiveerd is dat dit tot betere en efficiëntere ondersteuning leidt en doelmatiger is dan het betrekken van de jeugdhulp van een persoon buiten het sociale netwerk.

Volgens de Rechtbank zou uit dit wettelijke kader volgen dat de jeugdige of zijn ouders in ieder geval éérst moeten onderbouwen waarom door de inzet van de jeugdhulp zoals die door het college is geïndiceerd niet wordt voldaan aan de uit artikel 3.2 van de Jeugdwet voortvloeiende verplichting om zodanige hulp te leveren dat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien. Indien de jeugdige daarin slaagt en een pgb aangewezen is, moeten de jeugdige of zijn ouders vervolgens onderbouwen waarom jeugdhulp van iemand uit het sociale netwerk tot een beter resultaat leidt, aldus de Rechtbank.

Daarmee lijkt uit deze uitspraak van de Rechtbank Gelderland te volgen dat de in veel gemeentelijke verordeningen gehanteerde eis dat de jeugdhulp die op basis van een pgb door een persoon uit het sociaal netwerk wordt verleend, beter, efficiënter en doelmatiger moet zijn dan jeugdhulp die op basis van een pgb wordt verleend door een professional, de rechterlijke toets doorstaat. Het is afwachten of de andere lagere rechters en de Centrale Raad daar ook zo over denken. Wij houden u op de hoogte.

Heeft u vragen over de wijze waarop op jeugdhulpvragen beslist moeten worden of heeft u andere vragen op het gebied van de Jeugdwet? Neem dan contact op met mr. dr. drs. Lieske de Jongh of mr. Marloes Hulshof. Wij helpen u graag verder.