Op 4 februari 2026 deed de Afdeling voor het eerst in hoger beroep uitspraak in een bekrachtigingsprocedure onder de Omgevingswet. Die eerste uitspraak (ECLI:NL:RVS:2026:629) betrof de onteigening voor de Randweg Klundert door de gemeente Moerdijk. Over de Afdelingsuitspraak van 4 februari 2026 schreven wij al eerder een artikel.
Op 8 juli 2026 volgde de tweede bekrachtigingsuitspraak van de Afdeling, ditmaal over een ander perceel in hetzelfde project. De grondeigenaar voerde gronden van hoger beroep aan met betrekking tot de wijze waarop de procedure was verlopen en over de vraag of de gemeente voldoende had geprobeerd om het perceel minnelijk te verwerven. De Afdeling heeft beide gronden verworpen en de uitspraak van de rechtbank op deze punten in stand gelaten.
Terinzagelegging logboek in de ontwerpfase
Een eerste geschilpunt betrof de terinzagelegging van het verwervingslogboek. In eerste aanleg oordeelde de rechtbank dat de raad had nagelaten om het logboek samen met de ontwerp-onteigeningsbeschikking ter inzage te leggen, maar dat gebrek kon worden gepasseerd op de voet van artikel 6:22 Awb.
Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat er überhaupt geen verplichting bestaat om het logboek ter inzage te leggen. Artikel 7.6 van het Omgevingsbesluit somt limitatief op welke stukken met de ontwerp-onteigeningsbeschikking ter inzage moet worden gelegd; het verwervingslogboek staat daar niet bij. Artikel 3:11 van de Awb biedt evenmin een grondslag om die verplichting alsnog op het logboek te laten rusten. De Afdeling overweegt daarbij dat in het ontwerpbesluit niet hoeft te worden ingegaan op reeds bekende zienswijzen van belanghebbenden, en dat belanghebbenden aan de hand van de ontwerp-onteigeningsbeschikking zienswijzen kunnen indienen die het bestuursorgaan bij de definitieve beschikking dient te betrekken.
Ten behoeve van de rechtspraktijk voegt de Afdeling toe dat artikel 16.107, aanhef en onder a, van de Omgevingswet – waarin is bepaald dat de rechtbank het verzoek om bekrachtiging in ieder geval afwijst als de onteigeningsbeschikking niet volgens de wettelijke vormvoorschriften is voorbereid – er gelet op de schakelbepalingen in de Omgevingswet niet aan in de weg staat dat artikel 6:22 Awb toepassing kan vinden in de bekrachtigingsprocedure wanneer aan de voorwaarden van dat artikel is voldaan.
Het minnelijk overleg: schadeloosstelling anders dan in geld
Een tweede geschilpunt betrof de kwaliteit van het gevoerde minnelijk overleg. De eigenaar wenste uitsluitend compensatie in de vorm van ruilgrond en stelde in dat verband dat de gemeente onvoldoende serieus had geprobeerd vervangende grond aan te bieden.
De Afdeling stelt voorop dat de Omgevingswet bij onteigening voor de eigenaar een volledige schadeloosstelling in geld waarborgt, en dat er geen recht bestaat op compensatie in een andere vorm. Als de onteigende echter te kennen geeft geheel of gedeeltelijk gecompenseerd te willen worden door middel van vervangende grond, moet de mogelijkheid om die wens te honoreren onderdeel uitmaken van de vereiste redelijke poging tot minnelijke verwerving. De onteigenaar moet van zijn onderzoek daarnaar verslag doen aan de eigenaar. Bij het onderzoek mag de onteigenaar zijn eigen, op de urgentie van de verwezenlijking van de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving toegesneden, planning betrekken.
Deze onderzoeksplicht gaat naar het oordeel van de Afdeling niet zo ver dat de gemeente uit eigen beweging makelaars in de omgeving dient te benaderen om te informeren naar stille verkopers. Dat geldt in het bijzonder niet wanneer de gemeente al beschikbare ruilgrond heeft aangetroffen, een concreet aanbod heeft gedaan, en de eigenaar daarop niet of niet tijdig heeft gereageerd. Dat de inspanningen in het minnelijke traject niet tot het door de eigenaar gewenste resultaat (kavelruil) hebben geleid, betekent niet dat het minnelijk overleg onvoldoende serieus is geweest, aldus de Afdeling.
Commentaar
Deze uitspraak van de Afdeling verschaft veel duidelijkheid voor de praktijk. Met het oordeel van de Afdeling dat het logboek niet ter inzage hoeft te worden gelegd zijn de vertrouwelijkheidsperikelen die de terinzagelegging van het logboek met zich brengt verleden tijd. Ook bevestigt de Afdeling de door de rechtbanken in eerste aanleg ingezette lijn dat art. 6:22 Awb kan worden toegepast om formele gebreken in de totstandkoming van de onteigeningsbeschikking te passeren. Voor onteigenaars en bevoegde gezagen zal dit ongetwijfeld een opluchting zijn.
Tot slot blijkt uit deze uitspraak dat onder de Omgevingswet net als onder de Onteigeningswet schadeloosstelling in geld uitgangspunt is, en dat de onteigende geen absoluut recht heeft om op andere wijze schadeloosgesteld te worden.
Heeft u vragen over dit artikel of over onteigening in het algemeen? Neemt u dan gerust contact op.