De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Rechter: onrechtmatig beleid zorgkantoren bij inkoop Wlz. Hoe nu verder?

Rechter: onrechtmatig beleid zorgkantoren bij inkoop Wlz. Hoe nu verder?

Op 1 oktober 2020 oordeelde de rechtbank Den Haag dat het inkoopkader voor de Wet langdurige zorg van 5 zorgkantoren onrechtmatig was. De rechter heeft de zorgkantoren daarnaast verboden de inkoopprocedures voort te zetten, zolang de zorgkantoren niet kunnen aantonen dat met de gehanteerde tarieven in alle gevallen wordt voldaan aan de eisen die daaraan kunnen worden gesteld. In deze blog bespreken wij voornoemde uitspraak.
Auteur artikelRalph Tak
Gepubliceerd09 oktober 2020
Laatst gewijzigd09 oktober 2020
Leestijd 

Op 1 oktober 2020  heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag zich uitgelaten over de rechtmatigheid van het inkoopbeleid 2021 dat door vijf zorgkantoren werd gehanteerd in het kader van Wet langdurige zorg (hierna: Wlz). Een groot aantal zorgaanbieders had zijn bezwaren daarover in kort geding voorgelegd aan de voorzieningenrechter. Het belangrijkste bezwaar betrof de gehanteerde korting van 6% op de tarieven. De voorzieningenrechter heeft de zorgaanbieders in het gelijk gesteld en heeft de zorgkantoren verboden de inkoopprocedures voort te zetten. In deze blog bespreken wij hoe de voorzieningenrechter tot zijn oordeel is gekomen en wat deze uitspraak voor komende jaren zou kunnen betekenen.

 

Beoordelingskader

De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat de zorgkantoren, onder meer vanwege het feit dat hun inkoopprocedures gelijkenissen vertonen met aanbestedingsprocedures, jegens zorgaanbieders gehouden zijn de zogenaamde ‘aanbestedingsbeginselen’ in acht te nemen. Hieruit vloeit voort dat (o.a.) het beginsel van proportionaliteit toepassing vindt. Dit beginsel gebiedt zorgkantoren volgens de rechter om reële tarieven te betalen voor de zorg die zij inkopen. Tot slot acht de rechter van belang dat de zorgkantoren een zorgplicht hebben en daarmee een sturende functie, in die zin dat zij de taak hebben maatschappelijke gelden op doelmatige wijze in te zetten. De uitvoering van deze taak luistert nauw, temeer omdat de kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van de langdurige zorg op dit moment in Nederland onder druk staat. Tegen deze achtergrond beoordeelt de voorzieningenrechter de rechtmatigheid van het door de zorgkantoren gehanteerde inkoopbeleid.

 

Beoordeling rechtmatigheid

Het belangrijkste bezwaar van de zorgaanbieders was in dit geschil het voornemen van de zorgkantoren om een basistarief van 94% van het NZa-maximum tarief te hanteren voor langdurige zorg met een mogelijke opslag van 2%. Zorgaanbieders kwamen voor die opslag in aanmerking op het moment dat zij een inspanning leverden op (één van) de volgende gebieden: innovatie, passende zorg, bedrijfsvoering of duurzaamheid. Deze systematiek hield een belangrijke koerswijziging in ten opzichte van eerdere inkoopprocedures.

De rechter stelt dat zo’n eenzijdige koerswijziging in dit geval niet zomaar kan, althans, dat niet zomaar een laag basistarief met de mogelijkheid tot opslag kan worden gehanteerd. Belangrijkste reden daarvoor is het feit dat uit de door de zorgkantoren in het geding gebrachte stukken niet blijkt dat aan de tariefsverlaging ook maar enige onderbouwing of deugdelijk onderzoek ten grondslag ligt. Daarmee wordt het lastig om aan te nemen dat inderdaad sprake is van reële tarieven, aldus de rechter. Ook acht de rechter een generieke korting van 6% op het NZa-tarief met mogelijkheid tot opslag – voor alle type zorgaanbieders die langdurige zorg aanbieden – bij gebrek aan enige analyse moeilijk te verenigen met de (regionale en zorginhoudelijke) verschillen die tussen zorgaanbieders bestaan. In dat kader wijst de rechter ter illustratie op de GGZ-sector die vanaf 2021 een instroom vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 naar de Wlz verwacht en die al jaren kampt met een personeelstekort. De zorgkantoren hebben niet kunnen laten zien hoe deze sector met een afslag van 6%, met behoud van de hoge kwaliteit van zorgverlening, doelmatiger kunnen gaan werken. Dát de zorgkantoren een van het NZa-maximum tarief afwijkende basistarief wil vaststellen, is dus niet het probleem. De zorgkantoren moeten wél goed kunnen uitleggen waarom dat tarief de doelmatigheid ten goede komt (mét behoud van de kwaliteit van zorg).

 

Hoe nu verder?

Op 8 oktober jl. hebben de zorgkantoren te kennen gegeven de uitvoering van de zorginkoop voor 2021 aan te zullen passen naar aanleiding van de uitspraak van de rechter. De belangrijkste wijziging zal zijn dat in 2021 dezelfde tariefpercentages gehanteerd zullen worden als in 2020. Maar daarmee zijn de problemen nog niet van de baan. Uiteindelijk zullen de zorgkantoren voor de toekomst een manier moeten vinden om de kostprijs van langdurige zorg dusdanig te berekenen dat deze aansluit bij de specifieke kenmerken van de verschillende zorgaanbieders én bij de opdracht de zorg toegankelijk en betaalbaar te houden. Een lastige taak die niet zonder de inzet van en samenwerking met zorgaanbieders succesvol kan worden volbracht.