De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Rechters geven gemeenten meer ruimte voor aanpak fraude onder de Wmo (III)

Rechters geven gemeenten meer ruimte voor aanpak fraude onder de Wmo (III)

In dit derde en laatste deel over fraude in de Wmo een blog waarin het aansprakelijk stellen van de bestuurder van de zorgaanbieder centraal staat.
Auteur artikel Ralph Tak
Gepubliceerd 04 augustus 2020
Laatst gewijzigd 04 augustus 2020
Leestijd 

Gemeenten kunnen bij een vermoeden van fraude binnen het sociaal domein ook doorpakken naar de bestuurders van de zorgaanbieders. Dit blijkt onder andere uit een recente uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. In deze uitspraak schetst het hof het kader waaraan het handelen van zorgbestuurders op onrechtmatigheid kan worden getoetst. Deze uitspraak illustreert naar onze mening goed op welke wijze gemeenten ook de bestuurders die profiteren van frauderende zorgaanbieders kunnen aanpakken.

 

De zaak in eerste aanleg

Deze zaak gaat over de bestuurder van Stichting Job Lanceer, een zorgaanbieder die op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 woonbegeleiding en dagbesteding aanbood aan jongeren met een verstandelijke beperking, psychiatrische hulpvraag of verslavingsproblematiek. De stichting deed dit tot 1 januari 2016 op basis van persoonsgebonden budgetten en daarna op basis van een overeenkomst gesloten met de gemeenten Tiel, Buren en Neder-Betuwe. Uit een onderzoek van de Sociale Recherche naar de stichting rees het vermoeden dat zorg bij de gemeenten zou zijn gedeclareerd die niet was geleverd. Daarin zagen de gemeenten aanleiding de rechter te verzoeken zowel de stichting als diens bestuurder hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van ruim 1.1 miljoen euro voor onverschuldigd betaalde facturen in de periode van 1 januari 2015 tot en met augustus 2017. Vanwege het faillissement van de stichting zijn de vorderingen van de gemeente jegens haar niet beoordeeld. De vorderingen jegens de bestuurder zijn afgewezen omdat, kort gezegd, de gemeenten deze niet goed zou hebben onderbouwd.       

 

De zaak in hoger beroep

De gemeenten hebben tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep aangetekend, voor zover deze ziet op de bestuurder van Stichting Job Lanceer. Daarbij hebben de gemeenten hun eis gewijzigd en vragen zij het hof duidelijkheid te geven over de vraag of de bestuurder jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld. Met deze verklaring voor recht willen zij de bestuurder aansprakelijk stellen voor geleden schade via een schadestaatprocedure. Kern van het verwijt van de gemeenten is het door de bestuurder (laten) opmaken en ondertekenen van valse declaraties door de stichting, namelijk van facturen waarin gesteld werd dat zorg was geleverd terwijl dit helemaal niet het geval was.

 

Persoonlijk verwijt

Om dit verwijt te kunnen beoordelen besteedt het hof allereerst aandacht aan de vraag welke maatstaf gehanteerd dient te worden om de bestuurder persoonlijk aansprakelijk te stellen voor de schade van de gemeenten als gevolg van de wanprestatie van de stichting. Volgens het hof is aansprakelijkheid van een bestuurder onder omstandigheden mogelijk, meer specifiek indien die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het hof overweegt daarbij als volgt:

 

'Een grond voor de aansprakelijkheid van een bestuurder kan erin zijn gelegen dat hij heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de rechtspersoon haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In een dergelijk geval kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de rechtspersoon tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade.’

 

In deze zaak komt voor het hof vast te staan dat de bestuurder dermate onzorgvuldig en verwijtbaar heeft gehandeld dat hem een persoonlijk verwijt valt te maken voor de door de gemeenten geleden schade. Dit volgt voor het hof in het bijzonder uit het feit dat de betreffende bestuurder verantwoordelijk was voor de financiële administratie en de facturering, en dat hij de declaraties verzorgde. Voorts volgt dit uit de verklaringen van (oud-) werknemers, waaruit blijkt dat de bestuurder op de hoogte was van het ongeoorloofd declareren van niet geleverde zorg en zelfs opdracht heeft gegeven om daarmee door te gaan toen personeel duidelijk maakte daar moeite mee te hebben. Het hof verklaart aldus voor recht dat de bestuurder jegens de gemeenten onrechtmatig heeft gehandeld bij de uitvoering van de tussen de gemeenten en de stichting raamovereenkomsten waarin was afgesproken dat alleen de daadwerkelijk geleverde zorg gedeclareerd kond worden.

 

Met deze uitspraak van het hof is naar verwachting de zaak nog niet tot een einde gekomen. Het is nu aan de gemeenten om schadevergoeding te vorderen van de bestuurder. Met deze verklaring voor recht is het voor de gemeenten wel een stuk makkelijker geworden om in een schadestaatprocedure die geleden schade vergoed te krijgen. Maar het succes van die procedure zal uiteraard ook afhangen van de draagkracht van de bestuurder waarbij de gemeenten er rekening mee moeten houden dat zij niet alle betaalde zorggelden terug zullen krijgen.