De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Tariefdifferentiatie in het sociaal domein

Tariefdifferentiatie in het sociaal domein

Gemeenten stellen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Jeugdwet de regels vast over de manier waarop de hoogte van persoonsgebonden budgetten worden vastgesteld. In het verleden, zelfs onder de ‘oude’ Wmo, is gebleken dat dit niet altijd op de juiste manier gebeurt. Toch valt ook recentelijk weer op dat een bij een aantal gemeenten onduidelijkheid is ontstaan over de wijze waarop de regels omtrent de hoogte van pgb’s worden gesteld in het sociaal domein. Reden genoeg om in dit blog stil te staan bij een aantal van deze uitspraken. Hoe zat het ook al weer met de regelopdracht aan gemeenten?
Leestijd 
Auteur artikel Ralph Tak
Gepubliceerd 10 mei 2021
Laatst gewijzigd 10 mei 2021
 

De bevoegdheid tarieven vast te stellen

Op grond van artikel 2.9 van de Jeugdwet en artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de Wmo stelt de gemeenteraad bij verordening regels over de wijze waarop de hoogte van persoonsgebonden budgetten worden vastgesteld. In de praktijk is het echter veelal het college van burgemeester en wethouders die in nadere regels de daadwerkelijke tarieven voor pgb’s vaststellen, niet de gemeenteraad. De gemeenteraad draagt deze bevoegdheid daarbij over aan het college van B&W. Het college van B&W oefent dan de hiervoor genoemde bevoegdheden uit de Jeugdwet en Wmo in delegatie uit. Op grond van de bestaande rechtspraak is dit ook toegestaan, mits de “essentialia van het voorzieningenpakket” in de verordening zijn vastgelegd. Zolang de gemeenteraad in haar verordeningen de berekeningswijze, systematiek of bandbreedte beschrijft op basis waarvan tarieven kunnen worden vastgesteld, mag het college via nadere regels de daadwerkelijke bedragen vaststellen. Het is niet toegestaan de bevoegdheid regels te stellen omtrent pgb-tarieven zonder enige kaders over te dragen.

 

Recente voorbeelden

De eerste uitspraak die in dat kader vorig jaar is opgevallen betreft een casus die zich voor deed in de gemeente Gouda. De gemeenteraad van Gouda had in dit geval de pgb-tarieven voor de maatwerkvoorziening gespecialiseerde begeleiding in haar verordening niet zelf vastgesteld, maar had (slechts) bepaald dat deze gelijk zijn aan de op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) geldende uurtarieven voor hulp van niet-professionele zorgverleners. Het college van Gouda had vervolgens in nadere regels de concrete bedragen conform het bepaalde in de verordening van de gemeenteraad vastgesteld. Hoewel de vraag rijst of deze (Wlz-)tarieven toereikend zijn om ondersteuning op grond van de Wmo in te kopen, was volgens de rechter wél voldaan aan het vereiste dat de tariefdifferentiatie voldoende concreet was.

 

De tweede uitspraak over dit thema ziet op een casus in de gemeente Bellingwedde. De gemeenteraad van Bellingwedde had in haar verordening regels opgenomen over een pgb. Meer specifiek bepaalde de verordening dat de hoogte van een pgb niet meer bedraagt dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura. Daarnaast bepaalde de verordening dat het college nadere regels stelt ten aanzien van de berekeningswijze van pgb’s. Volgens de Centrale Raad was hier niet voldaan aan het vereist dat de tariefdifferentiatie opgenomen moet zijn in de verordening van de gemeenteraad en verklaarde de door het college gehanteerde tarieventabel onverbindend.

 

De gemeenteraad van de gemeente Oosterhout was er in 2017 al op gewezen dat zij ten onrechte in de verordening had bepaald dat het college nadere regels stelt over de berekeningswijze van pgb's. In de zaak die meer recent voor lag bij de bestuursrechter voerde de appellant - een inwoner van de gemeente Oosterhout die het niet eens was het aantal toegekende uren begeleiding - dat (ook) in 2019 het college onbevoegd het tarief had vastgesteld. Dit verweer trof doel. De rechtbank constateerde dat in de nieuwe verordening weliswaar niet meer is bepaald dat het college nadere regels kan stellen over de hoogte van het pgb, maar dit heeft het college toch gedaan in het uitvoeringsbesluit waarin immers de pgb-tarieven zijn opgenomen voor begeleiding per 1 januari 2019.

 

Interessant was ook de vierde casus die zich voordeed in de gemeente Lochem. De gemeenteraad had daar bepaald in de verordening dat de hoogte van het pgb voor een bepaalde voorziening bepaald werd aan de hand van en tot het maximum van de kostprijs ‘van de in de situatie van de cliënt goedkoopste compenserende voorziening in natura’. Het argument van de appellant dat een dergelijke wijze van tariefdifferentiatie niet zou zijn toegestaan, trof in deze zaak geen doel. Evenmin succesvol, maar daarmee zeker niet minder interessant, was het argument van appellant dat de gemeente in strijd zou hebben gehandeld met de keuzevrijheid die de wetgever beoogd heeft te geven. Volgens appellant kon hij met het toegekende pgb niet diezelfde maatwerkvoorziening bij een andere, niet gecontracteerde, leverancier inkopen. De rechtbank overweegt - terecht - dat de omstandigheid dat de appellant niet uit twee of verschillende aanbieders kon kiezen, niet in strijd is met de wet of daarin vervatte keuzevrijheid. Uitgangspunt onder de Wmo is immers dat aanspraak bestaat op de goedkoopste adequate voorziening.  

 

Uitkijken met tariefdifferentiatie

Inmiddels mag algemeen bekend worden verondersteld dat de hoogte van een pgb bij verordening door de gemeenteraad dient te worden bepaald. De gemeenteraad mag deze bevoegdheid niet delegeren aan het college via nadere regelstelling. Toch blijft het voor gemeenten zaak hier scherp op te blijven, in de praktijk leidt dit immers tot geschillen. In enkele gevallen zelfs tot het onverbindend verklaren van de nadere regels gesteld door het college. En dat kan gemeenten geld kosten. De afslag die doorgaans voor het pgb-tarief wordt gehanteerd komt immers te vervallen waarbij wordt teruggegrepen op het (meestal duurdere) ‘goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura’.