De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Toezichthouder is geen btw-ondernemer

Staatssecretaris van Financiën bevestigt dat toezichthouders geen btw-ondernemer zijn

Op 6 mei 2021 heeft de Staatssecretaris van Financiën een besluit gepubliceerd waarin zij de gevolgen van het zogenaamde IO-arrest weergeeft. In dit besluit wordt de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie en de Nederlandse Hoge Raad bevestigd en wordt uiteengezet onder welke voorwaarden toezichthouders, commissarissen of leden van bepaalde commissies géén btw-ondernemer zijn voor hun toezichthoudende werkzaamheden.
Leestijd 
Auteur artikel Petra de Waal
Gepubliceerd 07 mei 2021
Laatst gewijzigd 07 mei 2021
 

Aanleiding van het nieuwe besluit

Het Europese Hof van Justitie heeft in juni 2019 in een Nederlandse zaak beslist over het btw-ondernemerschap van een lid van de raad van commissarissen van een stichting. Het Hof van Justitie oordeelde dat de commissaris geen btw-ondernemer was, omdat geen sprake was van zelfstandigheid. De commissaris handelde noch in eigen naam, noch voor eigen rekening, noch onder zijn eigen verantwoordelijk en voldeed daarmee niet aan het ondernemersbegrip voor de btw. Later op 26 juni 2020 heeft de Nederlandse Hoge Raad overeenkomstig geoordeeld in een zaak over leden van een zogenaamde bezwaaradviescommissie.

Inhoud van het besluit

In het besluit formuleert de Staatssecretaris van Financiën drie situaties waarin een natuurlijk persoon btw-technisch terecht kan komen:

  1. Als zelfstandige verrichter van een economische activiteit en dus als btw-ondernemer.
  2. In dienstbetrekking (werknemer) of in een hiermee vergelijkbare juridische verhouding opzichte van de werkgever en daardoor niet als btw-ondernemer.
  3. Niet in dienstbetrekking, maar ook niet als btw-ondernemer doordat zelfstandigheid ontbreekt.

De derde situatie is de situatie uit beide arresten, waarbij de Staatssecretaris van Financiën aangeeft dat geen sprake is van de voor btw-ondernemerschap vereiste zelfstandigheid. Samengevat gaat het om (toezichthoudende) functies voor een:

  • Toezichthoudend orgaan met wettelijke grondslag in publiek- of privaatrecht (o.a. NV, BV, (bedrijfstak)pensioenfonds).
  • Toezichthoudend orgaan zonder wettelijke grondslag in publiek- of privaatrecht vergelijkbaar met NV of BV (o.a. stichting en vereniging).
  • Bezwaaradviescommissies, adviescolleges met wettelijke taak.
  • Toetsingscommissies, geschillencommissies en vergelijkbare commissies.

Let op: bovengenoemde geldt ongeacht het aantal toezichthoudende functies dat wordt vervuld.

Via deze link is het gehele besluit terug te vinden.

Belang voor de praktijk

Na de uitspraak van het Europese Hof van Justitie bestond feitelijk al duidelijkheid over het ontbreken van btw-ondernemerschap voor veel toezichthouders die geen zelfstandig economisch risico lopen. Toch merken wij in de praktijk dat voorzichtigheidshalve nog steeds btw in rekening wordt gebracht aan bedrijven en instellingen door toezichthouders en commissieleden.

Nu ook de Staatssecretaris van Financiën bevestigt dat toezichthouders die geen zelfstandig economisch risico lopen geen btw-ondernemer zijn, is het van belang om over de toezichthoudende werkzaamheden geen btw meer te factureren en om geen btw op facturen meer te accepteren. Deze btw is met name bij veel non-profit instelling namelijk niet (volledig) aftrekbaar en vormt dus een kostenpost.

Tot slot merken wij op dat toezichthouders voor overige werkzaamheden die zij verrichten uiteraard wel btw-ondernemer kunnen zijn. Dit wordt op basis van de feitelijke werkzaamheden beoordeeld.

Heeft u vragen over de gevolgen voor uw instelling of onderneming, dan wel bent u voornemens uw toezichthouders te ondersteunen bij deze wijziging van hun positie neem dan contact op met Lodewijk Reijs of Petra de Waal.