Zoeken
  1. Voeging VGZ hoger beroep afgewezen

Verzoek voeging VGZ in hoger beroep Zilveren Kruis – Stichting Zorgrecht afgewezen

Zilveren Kruis/Achmea heeft hoger beroep ingesteld tegen het voor haar ongunstige vonnis van de Utrechtse voorzieningenrechter van 23 februari 2018. In dit vonnis, dat werd gewezen in een door Stichting Zorgrecht namens een aantal thuiszorgaanbieders aanhangig gemaakt kort geding, was Zilveren Kruis onder andere verboden om bij niet-gecontracteerde wijkverpleegkundige zorg een cessieverbod en een machtigingsvereiste te gebruiken. Zorgverzekeraar VGZ wenste zich in appel aan de zijde van Zilveren Kruis/Achmea te voegen. Het Hof Arnhem-Leeuwarden heeft de hiertoe strekkende vordering van VGZ echter afgewezen in een arrest dat vooral duidelijk maakt dat toewijzing van voegingsvorderingen (toch) niet helemaal slechts een formaliteit is.
Artikel | 02 juni 2018 | Tom van Malssen

Zilveren Kruis/Achmea heeft hoger beroep ingesteld tegen het voor haar ongunstige vonnis van de Utrechtse voorzieningenrechter van 23 februari 2018. In dit vonnis, dat werd gewezen in een door Stichting Zorgrecht namens een aantal thuiszorgaanbieders aanhangig gemaakt kort geding, was Zilveren Kruis onder andere verboden om bij niet-gecontracteerde wijkverpleegkundige zorg een cessieverbod en een machtigingsvereiste te gebruiken. Zorgverzekeraar VGZ wenste zich in appel aan de zijde van Zilveren Kruis/Achmea te voegen. Het Hof Arnhem-Leeuwarden heeft de hiertoe strekkende vordering van VGZ echter afgewezen in een arrest dat vooral duidelijk maakt dat toewijzing van voegingsvorderingen (toch) niet helemaal slechts een formaliteit is.

Dit ondanks de betrekkelijk ruime criteria voor toewijzing, die het Hof in zijn arrest in het door VGZ opgeworpen voegingsincident ook vooropstelt:

Een ieder, die belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, kan vorderen zich daarin te mogen voegen. Voor het aannemen van dat belang is voldoende dat een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij, aan wier zijde de derde zich voegt, de rechtspositie van de derde nadelig kan beïnvloeden. Onder nadelige gevolgen zijn in dit verband te verstaan de feitelijke of juridische gevolgen die de toe- dan wel afwijzing van de in die procedure ingestelde vordering of het gezag van gewijsde van in de uitspraak in die procedure gegeven eindbeslissingen zal kunnen hebben voor degene die de voeging vordert (HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1602).”

Het Hof past deze maatstaf toe op de voegingsvordering van VGZ, en oordeelt dat VGZ onvoldoende duidelijk heeft gemaakt wat de “feitelijke of juridische (nadelige) gevolgen” voor haar zouden kunnen zijn van de uitkomst van het geschil tussen Zilveren Kruis en Stichting Zorgrecht.

Het Hof kent bij dit oordeel allereerst en in algemene zin gewicht toe aan het feit dat een vonnis of arrest in kort geding geen gezag van gewijsde heeft. De beslissende bouwsteen voor het oordeel van de Arnhemse appelrechter in deze concrete zaak is echter dat – (mede) nu VGZ in haar polisvoorwaarden kennelijk zélf geen machtigingsvereiste of cessieverbod hanteerde – de vordering van VGZ “uitsluitend” was ingegeven door de "vrees voor precedentwerking”. En een dergelijke vrees vormt als zodanig niet een voldoende belang voor voeging, ook niet als sprake is van sterk op elkaar lijkende vorderingen of feitencomplexen.

Ook een verwijzing door VGZ naar een recente toewijzing door de Hoge Raad van een voegingsvordering van het Zorginstituut Nederland vermag het oordeel van het Hof niet anders te maken. Bij het Zorginstituut was namelijk, anders dan bij VGZ, sprake van een wettelijke taak waarvan (het beleid inzake) de uitvoering door de betreffende uitspraak zou kunnen worden doorkruist.

Zilveren Kruis staat er dus verder alleen voor.