De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Wanneer is Nederlandse belastingheffing over een AOW-uitkering niet toegestaan?

Wanneer is Nederlandse belastingheffing over een AOW-uitkering niet toegestaan?

Recentelijk heeft de Hoge Raad antwoord gegeven op enkele vragen die zijn ontstaan over Nederlandse belastingheffing van sociale zekerheidsuitkeringen die toekomen aan een persoon die in Portugal woont. In dit artikel wordt aan de hand van de antwoorden van de Hoge Raad en specifiek in de context met Portugal gekeken wanneer Nederlandse belastingheffing over sociale zekerheidskuitkeringen niet is toegestaan.
Auteur artikel Pieter Bernsen
Gepubliceerd 08 december 2020
Laatst gewijzigd 10 december 2020
Leestijd 

Belastingverdrag Nederland - Portugal

Het belastingverdrag Nederland – Portugal regelt welk land belasting mag heffen over een pensioen of andere soortgelijke beloning, lijfrente, of ieder pensioen en andere uitkering betaald krachtens de bepalingen van een sociale zekerheidsstelsel. In beginsel komt dit heffingsrecht alleen toe aan het land waarin de ontvanger van een pensioen, lijfrente of andere uitkering inwoner is (de woonstaat). Het is het land van waaruit een pensioen, lijfrente of andere uitkering afkomstig is (de bronstaat) in dat geval in beginsel dus niet toegestaan belasting te heffen.

Echter, op grond van het belastingverdrag met Portugal komt de bronstaat toch een heffingsrecht toe indien:

  1. en voor zover de aanspraak op dit pensioen of andere soortgelijke beloning of lijfrente in de Verdragsluitende Staat, waaruit het pensioen of andere soortgelijke beloning of lijfrente afkomstig is, van belasting is vrijgesteld, dan wel de met het pensioen of andere soortgelijke beloning of lijfrente samenhangende bijdragen aan de pensioenregeling of verzekeringsmaatschappij, in het verleden bij het bepalen van het in die Staat belastbare inkomen in aftrek zijn gebracht, dan wel anderszins in die staat in aanmerking zijn gekomen voor een fiscale faciliëring; en
  2. indien en voor zover dit pensioen of andere soortgelijke beloning of lijfrente in de Verdragsluitende Staat, waarvan de genieter van het pensioen of andere soortgelijke beloning of lijfrente inwoner is, niet tegen het algemeen van toepassing zijnde belastingtarief voor inkomsten verkregen uit niet-zelfstandige arbeid, dan wel het brutobedrag van dat pensioen of andere soortgelijke beloning of lijfrente voor minder dan 90 percent, in de belastingheffing wordt betrokken; en
  3. indien het totale brutobedrag van de pensioenen en andere soortgelijke beloning of lijfrenten en ieder pensioen en andere uitkering betaald krachtens de bepalingen van een sociale zekerheidsstelsel van een Verdragsluitende Staat, in enig kalenderjaar een bedrag van 10 000 Euro te boven gaat.

Deze voorwaarden riepen drie vragen op welke door de Hoge Raad zijn beantwoord. 

  1. Dient een pensioen of andere uitkering betaald krachtens de bepalingen van een sociale zekerheidsstelsel aan alle voorwaarden te voldoen of alleen aan voorwaarde c) alvorens de bronstaat daarover belasting mag heffen?

    Deze vraag kwam op omdat alleen voorwaarde c) expliciet verwijst naar een pensioen of andere uitkering krachtens een sociale zekerheidsstelsel, hetgeen er mogelijk op duidt dat in zo’n geval de bronstaat belasting kan heffen indien ‘slechts’ aan voorwaarde c) is voldaan. De Hoge Raad heeft desondanks beslist dat aan alle voorwaarden zoals die hierboven zijn omschreven moet zijn voldaan alvorens de bronstaat mag heffen over een sociale zekerheidsuitkering. 
  2. Wat wordt bedoeld met ‘in de belastingheffing betrokken’ (voorwaarde b)?

    Volgens de Hoge Raad is de belastingwetgeving van de woonstaat bepalend bij de vraag of een pensioen of andere uitkering in de heffing is betrokken. Als in de woonstaat een foutieve aangifte wordt gedaan en daardoor over een pensioen of andere uitkering belasting wordt geheven is desondanks geen sprake van het in de belastingheffing betrekken indien er volgens de belastingwetgeving van de woonstaat geen belasting verschuldigd zou zijn over het pensioen of andere uitkering krachtens een sociale zekerheidsstelsel.

  3. Voldoet een AOW-uitkering aan voorwaarde a)?

    Volgens de Hoge Raad voldoet een AOW-uitkering niet aan voorwaarde a). De AOW-uitkeringen worden gefinancierd door het omslagstelsel, degene die AOW-premie heeft betaald bouwt daarmee geen rechten op. Er kan dus niet gezegd worden dat de aanspraak op AOW in Nederland van belasting is vrijgesteld aangezien er geen aanspraak op AOW bestaat.


Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat Nederland geen belasting mag heffen over een AOW-uitkering die toekomt aan een inwoner van Portugal, ongeacht of die uitkering in Portugal in de belastingheffing wordt betrokken (voorwaarde b) en ongeacht de hoogte van die uitkering (voorwaarde c). Het is de vraag of dit ook kan worden gesteld voor andere sociale zekerheidsuitkeringen. De premies voor een WIA-uitkering (arbeidsongeschiktheid) worden bijvoorbeeld afgedragen door de werkgever, kan in dit geval worden gezegd dat de bijdragen (premies) in aftrek zijn gekomen bij het bepalen van het belastbare inkomen? De Hoge Raad heeft hier geen antwoord op gegeven.

De bepaling over de belastingheffing van pensioenen en andere sociale zekerheidsuitkeringen zoals omschreven in het belastingverdrag met Portugal komt ook voor in verschillende andere belastingverdragen die Nederland heeft gesloten. Dit betekent echter niet automatisch dat hetgeen de Hoge Raad heeft beslist in de context van het belastingverdrag Nederland – Portugal ook geldt voor die andere belastingverdragen. Dit zal per belastingverdrag beoordeeld dienen te worden, aangezien mogelijk uit de toelichting of het protocol van een specifiek belastingverdrag een andere zienswijze kan volgen.