De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Bestuur en governance van pensioenfondsen

Bestuur en governance van pensioenfondsen

Op 7 augustus 2013 is de Wet versterking bestuur pensioenfondsen in werking getreden. Deze wet versterkt het bestuur en intern toezicht van pensioenfondsen. Daarnaast verzwaart de nieuwe wet de geschiktheidstoets voor (mede) beleidsbepalers. Tenslotte moet de wet een evenwichtige belangenafweging beter waarborgen. Tot uiterlijk 1 juli 2014 hebben de pensioenfondsen de tijd om zich aan te passen aan de nieuwe wetgeving.Wat moet vóór 1 juli 2014 gedaan worden?In ieder geval moeten de volgende o...
Leestijd 
Auteur artikel Henk Hoving
Gepubliceerd 10 september 2013
Laatst gewijzigd 16 april 2018
 
Op 7 augustus 2013 is de Wet versterking bestuur pensioenfondsen in werking getreden. Deze wet versterkt het bestuur en intern toezicht van pensioenfondsen. Daarnaast verzwaart de nieuwe wet de geschiktheidstoets voor (mede) beleidsbepalers. Tenslotte moet de wet een evenwichtige belangenafweging beter waarborgen. Tot uiterlijk 1 juli 2014 hebben de pensioenfondsen de tijd om zich aan te passen aan de nieuwe wetgeving.

Wat moet vóór 1 juli 2014 gedaan worden?

In ieder geval moeten de volgende onderwerpen stapsgewijs doorlopen en afgehandeld worden, met goedkeuring van de zijde van de toezichthouder (DNB):

  • onderzoek naar en keuze voor nieuwe bestuursmodel (vóór eind 2013)

  • opstellen implementatieplan

  • werving en benoeming kandidaten voor nieuwe (mede)beleidsbepalers (leden bestuur, raad van toezicht, belanghebbendenorgaan)

  • informeren deelnemers en pensioengerechtigden

  • raadpleging medezeggenschap

  • aanpassen statuten en profielen (leden bestuur en rvt)

  • toetsing door DNB van nieuwe beleidsbepalers op geschiktheid en betrouwbaarheid.


Bestuur en toezicht

Voortaan moeten pensioengerechtigden vertegenwoordigd zijn op het hoogste niveau van pensioenfondsen: bestuur en/of (intern) toezicht. Gekozen moet worden uit één van de vijf onderstaande bestuursmodellen.

1.      Paritair bestuur met externe deskundigen in rvt (of visitatiecommissie)

De belanghebbenden (werknemers, pensioengerechtigden en werkgever(s)) zijn op zo evenwichtig mogelijke wijze vertegenwoordigd. Bij een Bpf geldt het volgende. Vertegen­woordigers van werknemersverenigingen in de betrokken bedrijfstak(ken) en vertegenwoordigers van pensioengerechtigden bezetten tezamen ten minste evenveel zetels als de vertegenwoordigers van de werkgevers in de betrokken bedrijfstak(ken). Vertegenwoordigers van pensioengerechtigden bezetten niet meer dan 25% van de totale groep van 3 belanghebbenden. Bij een Opf gelden dezelfde voorwaarden, echter de laatste voorwaarde met een maximum van 50% voor de pensioengerechtigden, indien de deelnemers minder dan 10% uitmaken van de som van het aantal deelnemers en pensioen­gerechtigden.

Aan het paritaire bestuur kunnen maximaal 2 externe (onafhankelijke) bestuurders toegevoegd worden.

Het interne toezicht wordt uitgeoefend door een rvt. Indien sprake is van volledige verzekering van het Bpf bij een verzekeraar, mag het interne toezicht worden uitgeoefend door jaarlijkse visitatie door een visitatiecommissie.

Bij een Opf  ligt het intern toezicht bij een rvt of jaarlijkse visitatie door een visitatie­commissie. De medezeggenschap ligt bij een verantwoordingsorgaan, waarin de deelnemers en pensioengerechtigden evenredig vertegenwoordigd zijn op basis van onderlinge getals­verhoudingen. 

2.      Onafhankelijk bestuursmodel:

De bestuurders (tenminste 2 personen) zijn extern/onaf­hanke­lijk van de belanghebbenden bij het fonds. Rvt: zie paritair bestuursmodel.

De medezeggenschap vindt plaats in het belanghebbendenorgaan. Hierin hebben zitting de vertegenwoordigers van werkgevers(verenigingen), werknemers(verenigingen) en pensioengerechtigden. Het orgaan heeft belangrijke goedkeuringsbevoegdheden bij elk voorgenomen besluit met betrekking tot (bijvoorbeeld) het strategisch beleggingsbeleid, de premie, het vaststellen/wijzigen van het toeslagbeleid, vaststelling van een korte- en langetermijnherstelplan, het terugstorten van premie of het geven van premiekorting, vermindering van de verworven pensioenaanspraken/-rechten. Het ontbreken van de vereiste goedkeuring van het belanghebbendenorgaan tast de vertegenwoordigings­bevoegdheid van het bestuur van het fonds niet aan. Daarnaast heeft het belanghebben­denorgaan belangrijke advies- en verantwoordingsbevoegdheden, bijvoorbeeld over het sluiten/wijzigen of bestendigen van een uitvoeringsovereenkomst, een overeenkomst van uitbesteding, het beleid inzake beloningen, de vorm en inrichting van het intern toezicht, de profielschets voor leden rvt, het vaststellen/wijzigen van het communicatie- en voorlichtingsbeleid. Een opmerkelijke adviesbevoegdheid bestaat uit het geven van advies aan het bestuur naar aanleiding van een melding van de rvt van disfunctioneren van het bestuur.

Drie gemengde bestuursmodellen

Tijdens de parlementaire behandeling is als derde variant het gemengde bestuursmodel toegevoegd, ook wel genoemd het “one tier model”. Het gaat om het paritair gemengde, onaf­hankelijk gemengde en omgekeerd gemengde model.

3.      Paritair gemengd bestuursmodel

De uitvoerende bestuurders: zie paritair bestuur. De niet-uitvoerende bestuurders zijn tenminste drie externen/onafhankelijken.

De medezeggenschap is op dezelfde wijze geregeld als bij het paritair bestuursmodel.

4.      Onafhankelijk gemengd bestuursmodel

Zowel de uitvoerende als de niet-uitvoerende bestuursleden bestaan uit externen/ onafhankelijken. De medezeggenschap is geregeld in het belanghebbendenorgaan, overeenkomstig het onafhankelijk bestuursmodel.

5.      Omgekeerd gemengd bestuursmodel

De uitvoerende bestuurders zijn externen/onafhankelijken. De niet-uitvoerende bestuursleden zijn paritair samengesteld. Het bestuur moet een onafhankelijke voorzitter hebben.

De medezeggenschap is geregeld in het verantwoordingsorgaan.

Verhouding met initiatiefwet van Koşer Kaya en Blok

Op 1 juli 2013 trad de initiatiefwet Koşer Kaya en Blok (tot wijziging van de Pensioenwet met betrekking tot een evenwichtige samenstelling van en medezeggenschap in pensioenfondsbesturen) in werking. Zowel de initiatiefwet als de Wet versterking bestuur pensioenfondsen kennen een over­gangs­periode van één jaar. Deze overgangsperiodes zijn echter anders ingericht. Daardoor moeten pensioenfondsen in de periode tot 1 juli 2014 rekening houden met zowel de initiatiefwet als de Wet versterking bestuur pensioenfondsen.

Om onduidelijkheden voor pensioenfondsen weg te nemen, heeft de staatssecretaris SZW bij brief van 12 juli 2013 aan DNB verzocht om tot 1 juli 2014 uit te gaan van de normen van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen (voor zover er verschillen bestaan met de initiatiefwet). Hierop heeft DNB positief gereageerd.

Toelichting op toezicht DNB

In de DNB Nieuwsbrief pensioenen van augustus 2013 wordt een toelichting gegeven op de belangrijkste aspecten van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen. Dit gebeurt deels aan de hand van een toelichting op de vijf modellen voor de inrichting van bestuur, intern toezicht en medezeggenschap. Een en ander is samengevat in een overzicht.

Verder legt DNB uit hoe de toetsingen zullen plaatsvinden op voorgenomen benoemingen van interne toezichthouders en leden belanghebbendenorgaan (bestuurders werden al getoetst). Zij worden getoetst op geschiktheid en betrouwbaarheid, maar ook op kennis, vaardigheden en professioneel gedrag. Competenties zijn minstens even belangrijk als kennis. Voorts houdt DNB onder meer rekening met de voorgenomen functie, het collectief en de omvang en het risicoprofiel van het fonds.

Daarnaast moet DNB vanaf 1 juli 2014 kandidaten op tijdsbeslag toetsen die bestuurder of lid rvt van het pensioenfonds worden. Deze toets moet plaatsvinden aan de hand van de VTE-score (voltijd equivalent score). Daarin is het tijdsbeslag opgeteld van de beoogde functie en andere bestuurs- en toezichtfuncties die de kandidaat heeft. De VTE-score mag maximaal 1 zijn. Als de score hoger is, dan mag het fonds de kandidaat niet benoemen. Als de score lager is dan 1, dan toetst DNB of de kandidaat daadwerkelijk voldoende tijd beschikbaar heeft om de beoogde functie naar behoren te kunnen uitvoeren.

Advies

Alle pensioenfondsen moeten zich intensief gaan bezighouden met de ingrijpende gevolgen voor de besturing van het fonds als gevolg van de Wet versterking bestuur pensioen­fondsen. DNB oefent niet alleen scherp toezicht uit, maar zal vanaf dit najaar ook actief de fondsen benaderen en begeleiden. Onafhankelijke juridische ondersteuning en begeleiding door een eigen deskundige kan daarbij van groot belang zijn. De specialisten van de vakgroep Pensioen van Dirkzwager kunnen hierbij assisteren. Via deze website wordt u op de hoogte gehouden van ontwikkelingen op dit terrein en overigens over de turbulente ontwikkelingen van het pensioenrecht.