Zoeken
  1. Cao-bepaling inhoudende verplichte opname vakantiedagen bij einde dienstverband ongeldig

Cao-bepaling inhoudende verplichte opname vakantiedagen bij einde dienstverband ongeldig

In een recente uitspraak van kantonrechter Utrecht (12-10-2011, LJN BU3789) stond de vraag centraal of bij cao kan worden overeengekomen dat een werknemer in het kader van een bedrijfssluiting gedwongen mag worden om al zijn vakantiedagen op te nemen in de periode dat hij, in afwachting van de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst, vrijgesteld is van werkzaamheden. De kantonrechter beantwoordde deze vraag ontkennend.Werkgever was in deze zaak met de vakbonden een sociaal plan overeengekome...
Artikel | 21 december 2011 | Aletha Dera-ten Bokum
In een recente uitspraak van kantonrechter Utrecht (12-10-2011, LJN BU3789) stond de vraag centraal of bij cao kan worden overeengekomen dat een werknemer in het kader van een bedrijfssluiting gedwongen mag worden om al zijn vakantiedagen op te nemen in de periode dat hij, in afwachting van de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst, vrijgesteld is van werkzaamheden. De kantonrechter beantwoordde deze vraag ontkennend.

Werkgever was in deze zaak met de vakbonden een sociaal plan overeengekomen dat was aangemeld als cao. Deze regeling bevatte een bepaling dat werknemers vakantie op moesten nemen gedurende de periode dat zij (in afwachting van de beëindiging van hun arbeidsovereenkomst in het kader van een bedrijfssluiting) werden vrijgesteld van werk. De werknemer die in casu in rechte optrad tegen werkgever beschikte per einde dienstverband over een tegoed van 251 vakantie- en verlofuren (met een waarde van € 20.953,91).

De kantonrechter overweegt dat het van belang is dat artikel 7:645 BW bepaalt dat van de wetsartikelen 7:634 tot en met 7:643 BW (wettelijke regeling inzake vakantie en verlof) niet ten nadele van de werknemer mag worden afgeweken. Deze verplichting geldt, zo stelt de kantonrechter, ook voor de cao-partijen. Voorts overweegt de kantonrechter dat een verplichte opname van vakantiedagen in strijd is met het door de wetgever gehanteerde uitgangspunt dat de werkgever de vakantie vaststelt conform de wensen van de werknemer. Daarin pas geen recht voor de werkgever om eenzijdig een vakantie op te leggen, ook niet aan het einde van de arbeidsovereenkomst.

In artikel 7:638 lid 2 BW is bepaald dat bij cao een nadere regeling met betrekking tot het vaststellen van vakantiedagen getroffen kan worden. In de wet wordt echter niet aangegeven hoe ver deze afwijkingsmogelijkheid gaat. De kantonrechter Utrecht verduidelijkt deze mogelijkheid door in de onderhavige kwestie te oordelen dat de bevoegdheid van cao-partijen niet zo ver gaat dat een vakantiedagenregeling kan worden opgesteld die in strijd is met de doelstelling en uitgangspunten van de wettelijke vakantieregeling.

De kantonrechter beschouwt het opnemen van het totale vakantietegoed in verband met een bedrijfssluiting in strijd met de bedoeling van de wetgever. De kantonrechter wijst er op dat de mogelijkheid om verplicht vakantiedagen op te nemen (voor zover het bedrijfsbelang dit vereist) blijkens de parlementaire geschiedenis primair ziet op een tijdelijke of seizoensgebonden sluiting van de onderneming (Kamerstukken I 1999-2000, 26 079, nr. 176, p. 11). Cao-partijen kunnen daarom in hun regeling niet verder gaan dan een verplichte opname van vakantiedagen voor een bepaalde, tijdelijke periode in verband met organisatorische redenen. Het sluiten van een onderneming valt hier volgens de kantonrechter nadrukkelijk niet onder. In dit verband verwijst hij ook naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad waaruit blijkt dat een vrijstelling van werkzaamheden wegens bedrijfseconomische omstandigheden voor rekening en risico van werkgever dient te komen. 

Ook kent de kantonrechter gewicht toe aan het feit dat in artikel 7:641 lid 1 BW is bepaald dat een werknemer die bij het einde van zijn dienstverband nog aanspraak heeft op vakantie zonder voorbehoud of uitzondering, en onafhankelijk van de wijze waarop het dienstverband beëindigd is, recht heeft op een vergoeding voor opgebouwde en niet-genoten vakantiedagen.

De kantonrechter oordeelt dat het samenstel van voornoemde bepalingen meebrengt dat het artikel van het sociaal plan in strijd is met dwingend recht en daarom vernietigbaar is. Hij concludeert dan ook dat werknemer niet gedwongen kan worden, ook niet bij cao, om het restant aan vakantiedagen vanaf een bepaalde datum op te nemen. Werkgever dient daarom de niet-genoten vakantiedagen alsnog uit te betalen.

Ten slotte kan er een vergelijking gemaakt worden met de zogenaamde ‘package deal’, waar vaak gebruik van wordt gemaakt bij een individuele beëindigingovereenkomst. In een dergelijke overeenkomst wordt dan afgesproken dat een vrijgestelde werknemer zijn niet-genoten vakantiedagen opneemt. Echter, in een dergelijk geval is rechtstreeks onderhandeld over de inhoud van de beëindigingvoorwaarden en daarom kan een dergelijke afspraak geldig zijn. Aangezien in onderhavige kwestie niet blijkt dat bij het bepalen van de beëindigingvergoeding rekening is gehouden met een (financiële) compensatie voor de verplichte opname van vakantiedagen kan hier niet worden gesproken over een package deal. De afspraak blijft daarom ongeldig.

Bron: Ktr. Utrecht 12 oktober 2011, JAR 2011/307.